Commentaar op Wet openbaarheid van bestuur art. 2 (WOB)


Commentaar is bijgewerkt tot 18-10-2017 door mr. M.L.M. van der Loop

Artikel 2 Tekst van de hele regeling

1.

Een bestuursorgaan verstrekt bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

2.

Het bestuursorgaan draagt er zo veel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

A: Inleiding

Het eerste lid van artikel 2 schrijft voor dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak informatie verstrekt overeenkomstig de Wob. Het gaat daarbij zowel om informatieverstrekking uit eigen beweging (actieve informatieverstrekking, voorlichting) als om informatieverstrekking op verzoek (passieve informatieverstrekking). Daarbij dient een bestuursorgaan bij toepassing van de Wob uit te gaan van het algemeen belang van openbaarheid, zodat overheidsinformatie in beginsel openbaar is. Het eerste lid regelt tevens de verhouding met andere wetten met een bepaling betreffende de openbaarheid: het elders bij wet bepaalde heeft voorrang op de Wob.

Het tweede lid van artikel 2 stelt eisen aan de kwaliteit van de verstrekking van de informatie door het bestuursorgaan, althans het bestuursorgaan moet zich ervoor inspannen dat de verstrekte informatie zo veel mogelijk actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

C.1: Uitgangspunt 1: een bestuursorgaan betracht openbaarheid bij de uitvoering van zijn taak

De Wob is de invulling van de in artikel 110 Grondwet aan de wetgever gegeven opdracht tot het stellen van regels over de openbaarheid die de overheid moet betrachten bij de uitvoering van haar taak. Artikel 2, eerste lid, van de Wob herhaalt in iets andere bewoordingen het uitgangspunt van artikel 110 Grondwet dat een bestuursorgaan openbaarheid betracht bij de uitvoering van zijn taak. Zo richt artikel 2 zich tot ieder bestuursorgaan afzonderlijk, in plaats van tot de overheid in het algemeen. Zowel in de Grondwet als in de Wob is het uitgangspunt geformuleerd als een opdracht aan het bestuur, niet als een recht van de burger. Nu op grond van artikel 3 van de Wob eenieder tot een bestuursorgaan een verzoek om informatie kan richten dat door dat bestuursorgaan slechts kan worden geweigerd op grond van de artikelen 10 of 11 van de Wob, bestaat er materieel voor de burger toch een recht op overheidsinformatie, slechts beperkt door in de wet vastgelegde gronden.

C.2: Uitgangspunt 2: algemeen belang van openbaarheid staat voorop

Uit het tweede uitgangspunt volgt dat overheidsinformatie openbaar is, tenzij een bijzonder belang aan openbaarheid in de weg staat. Met dit uitgangspunt hangt samen dat een verzoeker bij zijn verzoek om informatie geen belang hoeft te stellen (artikel 3 lid 3 van de Wob) en dat een verzoek om informatie wordt toegewezen als het niet op grond van de artikelen 10 of 11 van de Wob kan worden geweigerd (artikel 3 lid 5 van de Wob).

C.3: Toepassing op verstrekking uit eigen beweging en verstrekking op verzoek

Artikel 2 van de Wob is zowel van toepassing op verzoeken om overheidsinformatie (de artikelen 3 tot en met 7 van de Wob) als op informatieverstrekking uit eigen beweging (de artikelen 8 en 9 van de Wob). De wettelijke beperkingen van de artikelen 10 en 11 van de Wob op de in artikel 2 opgenomen uitgangspunten zijn eveneens van toepassing op beide typen verstrekking.

C.4: Verhouding met andere wetten

Artikel 2 regelt de verhouding tussen de Wob en andere wetten. Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel blijkt hoe de wetgever die verhouding ziet. ‘Met de zinsnede in artikel 2 “onverminderd het elders bij de wet bepaalde” wordt aangegeven dat de Wob als algemene openbaarheidsregeling wijkt voor bijzondere openbaarheidsregelingen in wetten in formele zin. De algemene formulering omvat zowel de informatieverstrekking op verzoek als die uit eigen beweging.’ Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 23.

C.4.1: Uitzondering bij formele wet

In het aan de Raad van State voor advies voorgelegde voorstel van wet was in artikel 2 sprake van ‘onverminderd het elders daaromtrent bij of krachtens de wet bepaalde’. Op grond van die tekst zou ook bij lagere regelgeving dan de formele wet van de Wob kunnen worden afgeweken. Na kritiek van de Raad van State is gekozen voor de formulering ‘onverminderd het elders bij de wet bepaalde’. Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, B, p. 1-2.

C.4.2: Bijzondere regel moet uitputtend zijn

Vóór 1992 was in de toen geldende Wob de verhouding tussen de Wob en andere wetten niet geregeld. Bij de behandeling van het voorstel van wet voor de eerste Wob is door de Tweede Kamer in de motie-Van der Sanden c.s. geconstateerd dat bijzondere bepalingen over openbaarmaking en geheimhouding in andere wetten en algemene maatregelen van bestuur van kracht blijven bij het in werking treden van deze wet. Zie hierover Kamerstukken II 1976/77, 13 418, nr. 30.

In de uitspraken van 10 januari 1985, ECLI:NL:RVS:1985:AM8361, AB 1985, 419 (m.nt. De Ru), 30 maart 1984, ECLI:NL:RVS:1984:AN1272, AB 1985, 418 en 2 januari 1986, no. R03.85.7584/S1895 gaf de Afdeling onder verwijzing naar de motie-Van der Sanden het criterium waaruit blijkt dat sprake is van een bijzondere regeling die voorgaat op de Wob, namelijk dat de bijzondere regeling uitputtend is. Opvallend is dat de door de Afdeling opgegeven vindplaats wel de motie-Van der Sanden bevat, maar dat het in de uitspraak aan die motie toegeschreven citaat niet uit die motie afkomstig is.

Nu de beperkte bekendmaking slechts ten doel had om beroepsgerechtigden in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van beslissingen op verzoeken tot vrijstellingen van militaire dienst, en voor het overige de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken dienstplichtigen vooropstaat, was volgens de Afdeling sprake van een uitputtende regeling. Voor toepassing van de Wob is dan geen plaats.

Met artikel 2 van de Wob is de in de jurisprudentie ontwikkelde lijn gecodificeerd. Het algemene deel van de Memorie van Toelichting bij de Wob bevat de volgende passage: ‘Niet elke zelfstandige, van de Wob afwijkende, regeling inzake openbaarheid gaat voor de Wob. Dat is in de ogen van de Afdeling alleen het geval indien de andere openbaarheidsregeling als uitputtend kan worden aangemerkt. In de andere gevallen kan de Wob worden gebruikt om aanvullende informatie te vragen.’ Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 18 e.v.

Het in de Memorie van Toelichting gehanteerde criterium dat alleen uitputtende regelingen derogeren aan de Wob wordt in de jurisprudentie nog steeds gehanteerd. In haar uitspraak van 14 september 1999 geeft de Afdeling een nadere invulling van dit criterium. ‘Een dergelijke regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door (afzonderlijke) toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet.’ Zie ABRvS 14 september 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AE8211, AB 2002, 40 (m.nt. SZ onder AB 2002, 41).

C.4.3: Expliciete terzijdestelling van de Wob

In sommige gevallen bepaalt niet de rechter dat sprake is van een de Wob ter zijde stellende uitputtende regeling, maar gebeurt dat in de wet zelf. Een voorbeeld dat leidt tot meer openbaarheid vormt artikel 49 Wet veiligheidsregio’s (vóór 1 oktober 2010: artikel 10c Wet Rampen en zware ongevallen). Minder openbaarheid is het gevolg van het uitsluiten van de Wob in artikel 1:42 Wet op het financieel toezicht.

C.4.4: Aanvullende werking Wob

Bij een uitputtende regeling, die aan de Wob derogeert, kan toch een rol zijn weggelegd voor de Wob, te weten in het geval de bijzondere regeling wel uitputtend is, maar niet de criteria geeft waaraan een verzoek moet worden getoetst. In dat geval dient het toetsingskader van de Wob te worden gehanteerd. De Memorie van Antwoord stelt het aldus: ‘(...) Waar specifieke regelingen (...) onvoldoende criteria bevatten voor de toepassing, (...) zullen elementen en criteria aan de Wob kunnen, en naar toenemend inzicht ook behoren te worden ontleend. De Wob heeft in laatst bedoelde gevallen een indirecte doorwerking in de bijzondere openbaarmakingsregelingen. (...)’, zie Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, p. 3.

Een voorbeeld betreft de geheimhoudingsbepaling van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Op grond van het huidige derde lid van dat artikel kan de minister van Financiën van de geheimhoudingsbepaling uit het eerste lid ontheffing geven in andere gevallen dan die genoemd in het tweede lid. De criteria op grond waarvan de ontheffing kan worden verleend zijn niet in de wet opgenomen. In dat geval wordt de vraag of ontheffing kan worden verleend beantwoord door toetsing aan de Wob. Zie ook ABRvS 2 juli 1996, no. R01.93.3126, ABRvS 16 december 1997, no. H01.96.0519 en ABRvS 18 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2138.

C.4.5: Niet-uitputtende regelingen

Een openbaarmakingsregel is niet uitputtend, ingeval de regel slechts ziet op bepaalde gevallen. In de gevallen waar de regel niet op ziet, is de Wob dan van toepassing.

Zo kent de behandeling van een aanvraag voor de registratie van een diergeneesmiddel op grond van de Diergeneesmiddelenwet het zogenoemde ‘gesloten dossier’-principe. Deze procedure heeft ten doel te zorgen dat alle aanvragers voorafgaand aan de registratie dezelfde onderzoeken moeten verrichten en dezelfde kosten moeten maken. Een aanvrager kan geen beroep doen op onderzoeken die door een andere aanvrager zijn overgelegd bij een aanvraag voor de registratie van een ander geneesmiddel met dezelfde samenstelling. De Memorie van Toelichting gaat expliciet in op de verhouding tussen de Diergeneesmiddelenwet en de Wob. Zie Kamerstukken II 1982/83, 17 764, nr. 3, p. 16. Indien een derde voor een ander geval dan het voorbereiden van een aanvraag verzoekt om gegevens uit het dossier van een aanvraag voor een registratie, dan is blijkens de Memorie van Toelichting op dat verzoek gewoon de Wob van toepassing. Uiteraard betekent dat niet dat het verzoek daarmee wordt ingewilligd; vaak zal het verzoek op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel g, van de Wob alsnog moeten worden afgewezen.

Ook moet de reikwijdte van een bijzondere bepaling niet uit het oog worden verloren. Zo bevatte artikel 29 lid 3 Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG, vervallen met ingang van 1 juli 2007) een uitputtende bijzondere openbaarmakingsregeling, houdende een geheimhoudingsplicht voor de leden van het College ter beoordeling van geneesmiddelen dat bij de WOG was ingesteld. Maar daaruit volgt niet dat de Wob wijkt voor openbaarmakingsbepalingen die op andere artikelen uit de WOG zijn gebaseerd. Zo overwoog de Afdeling in haar uitspraak van 3 maart 1998: ‘Uit de bepaling kan niet worden afgeleid dat ook ten aanzien van informatie over andere onderwerpen dan de drie voornoemde geheimhouding moet worden betracht. Van een uitputtende bijzondere openbaarmakingsregeling is geen sprake. Dit brengt met zich dat voor het vragen van buiten het bereik van artikel 29, derde lid, van de WOG gelegen informatie een beroep kan worden gedaan op de WOB.’ Zie ABRvS 3 maart 1998, «JB» 1998/77, AB 1998, 435 (m.nt. ICvdV).

In een vergelijkbaar geval was het bestuursorgaan, de korpsbeheerder van de politieregio Midden- en West-Brabant, van mening dat de Wet politieregisters (vervallen met ingang van 1 januari 2008) in de weg stond aan verstrekking van een rapport over ongeregeldheden in de Turkse gemeenschap te Bergen op Zoom, zodat een beroep op de Wob moest worden afgewezen. Hoewel de Wet politieregisters door de Afdeling was aangemerkt als een uitputtende regeling waarop de Wob niet van toepassing was (uitspraak van 4 maart 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AN:6856, AB 2002, 39 (m.nt. SZ onder AB 2002, 41)) zag de Afdeling bij uitspraak van 11 februari 2004 ‘geen grond voor het oordeel dat het rapport uitsluitend of grotendeels persoonsgegevens bevat in de zin van de Wpolr, gelezen in samenhang met de Wet bescherming persoonsgegevens. De korpsbeheerder heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het in het geding zijnde rapport integraal onder het regime van de Wpolr valt. Naar het oordeel van de ABRvS heeft de korpsbeheerder in dit geval de werking van de Wobmiskend.’ Zie ABRvS 11 februari 2004, «JB» 2004/143, ECLI:NL:RVS:2004:AO3393. De korpsbeheerder moest een nieuw besluit nemen, waarbij het verzoek aan de Wob zou worden getoetst.

C.4.6: Voorbeelden niet-uitputtende regelingen

De volgende regelingen zijn – in alfabetische volgorde – op grond van wetsgeschiedenis of jurisprudentie aangemerkt als niet-uitputtende regelingen.

C.4.6.1: Algemene wet bestuursrecht, artikel 2:5

Artikel 2:5 Awb geldt in het bijzonder voor diegenen die bij de uitvoering van overheidstaken zijn betrokken, maar die geen ambtenaar zijn of voor wie niet reeds op een andere wijze een geheimhoudingsplicht geldt. Uit artikel 2:5 van de Awb volgt dat de plicht tot geheimhouding niet geldt voor zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht. De Wob kan blijkens de parlementaire geschiedenis van de Awb als zo’n wettelijke bepaling worden beschouwd (naast bijvoorbeeld de verplichting om in rechte te getuigen), zie Memorie van Toelichting, PG Awb I, p. 181. Daarmee is de geheimhoudingsbepaling van artikel 2:5 van de Awb geen uitputtende uitzondering op de Wob. De bepaling is bij invoering van de Awb in de plaats getreden van ongeveer veertig soortgelijke bepalingen in verschillende wetten.

C.4.6.2: Algemene wet bestuursrecht, artikelen 7:4 en 7:18

Artikel 7:4 Awb is niet aan te merken als een uitputtende regeling. Wel bestaat de mogelijkheid om wegens gewichtige redenen stukken niet ter inzage te leggen. Uit het zevende lid blijkt dat van gewichtige redenen in ieder geval geen sprake is als het betreffende stuk op grond van de Wob openbaar zou moeten worden gemaakt. Anderzijds is inzage op grond van artikel 7:4 van de Awb mogelijk, terwijl bij een belangenafweging op grond van artikel 10 van de Wob het betreffende stuk niet openbaar zou worden gemaakt. Artikel 7:4 van de Awb biedt belanghebbenden in de bezwaarfase derhalve een recht op informatie dat verder gaat dan het recht op informatie dat op grond van de Wob kan worden uitgeoefend. In artikel 7:18 Awb is een vergelijkbare regeling opgenomen inzake administratief beroep.

De Afdeling overwoog in haar uitspraak van 3 maart 1998: ‘Artikel 7:4 (in bezwaar), artikel 7:18 (in administratief beroep) en artikel 8:29 (in de rechterlijke fase) van de Awb hebben betrekking op de kennisneming van gedingstukken door partijen/belanghebbenden in een bezwaar- of beroepsprocedure. Anders dan de Wob, regelen zij niet de publieke toegang tot informatie, doch de partijtoegang; er is sprake van een processuele functie.

2.2.4. Aan een belanghebbende kan niet, op grond van zijn betrokkenheid in een procedure tegen de overheid, het recht worden ontzegd op kennisneming van gegevens die voor andere burgers openbaar zijn. Het recht van een belanghebbende op kennisneming van gedingstukken is dus minimaal gelijk aan de aanspraak op publieke openbaarheid die aan eenieder toekomt. De mate van publieke toegang is de ondergrens voor de partijtoegang. Bepalingen zoals artikel 7:4, zevende lid, van de Awb geven uitdrukking aan dit beginsel.

Omgekeerd rechtvaardigt een weigering van publieke openbaarheid nog geen geheimhouding in de Awb-procedure. Daartoe is een afzonderlijke toets op “gewichtige redenen” vereist. (Aldus ook de Memorie van Toelichting bij artikel 8:29 van de Awb, PG Awb 11, p. 417).’ Zie ABRvS 3 maart 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5803, AB 1998, 435 (m.nt. I. C. van der Vlies).

C.4.6.3: Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:29

Voor artikel 8:29 Awb geldt een vergelijkbare lijn, die door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 4 december 2002. Anders dan appellant stelt, behelst artikel 8:29 van de Awb geen uitputtende openbaarmakingsregeling die de Wob opzijzet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9473, AB 2002, 41 (m.nt. S.E. Zijlstra)) wijkt de Wob als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Zo’n regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van materiële bepalingen in de bijzondere wet.

Artikel 8:29 van de Awb heeft betrekking op de kennisneming van de gedingstukken door partijen in een gerechtelijke procedure. Anders dan de Wob, strekt die bepaling niet tot openbaarmaking van informatie en is zij naast de Wob toepasselijk. Zie Afdeling 4 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF1476, AB 2003, 406 (m.nt. Sew), «JB» 2003/34 (m.nt. BvM) .

C.4.6.4: Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst

In de toelichting bij deze regeling ( Stcrt. 2004, 47 rectificatie in Stcrt. 2004, 49) is aangegeven dat, ondanks het onderwerp, geen sprake is van een van de Wob afwijkende regeling. ‘Het aanwijzen van informatie als “bijzonder” betekent dat het beveiligingsregime van dit voorschrift op deze informatie moet worden toepast. Dit betekent uiteraard niet dat als dergelijke informatie op grond van de Wob wordt opgevraagd, dit verzoek zonder meer kan worden geweigerd. In dat geval wordt bezien of tot openbaarmaking kan worden overgegaan. Van openbaarmaking kan slechts worden afgeweken indien daarvoor een grond aanwezig is als bedoeld in artikel 10 of 11 van de Wob.’

C.4.6.5: Burgerlijk Wetboek

De Rechtbank Almelo overwoog op 9 november 2001 dat een in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen verplichting tot openbaarmaking van een rechtspersoon geen aan de Wob derogerende uitputtende regeling betreft. Zie Rb. Almelo 9 november 2001, ECLI:NL:RBALM:2001:AE1215, «JB» 2001/330 .

C.4.6.6: Wet bescherming persoonsgegevens

De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is geen bijzondere wet ten opzichte van de Wob, maar artikel 10 lid 2, onderdeel e, van de Wob – waar het gaat om gewone persoonsgegevens – is een bijzondere wet ten opzichte van de Wbp. Als de afweging op grond van artikel 10, tweede lid, onderdeel e, van de Wob leidt tot openbaarmaking van persoonsgegevens, is die openbaarmaking een vorm van verwerking van persoonsgegevens die uit hoofde van een wettelijke plicht op grond van artikel 8, onderdeel c, Wbp is toegestaan. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 42. De Memorie van Toelichting bij de Wbp sluit op dit punt aan op de jurisprudentie van de Afdeling betreffende artikel 11 Wet persoonsregistraties, de voorganger van de Wbp. Zie ABRvS 7 augustus 1997, no. R03.93.3586.

De voorrang van de Wob op de Wbp is bedoeld voor verzoeken om persoonsgegevens van derden. Indien een verzoeker om inzage in op hemzelf betrekking hebbende persoonsgegevens vraagt, kan hij aan een dergelijk verzoek beter niet de Wob, maar artikel 35 Wbp ten grondslag leggen. Toewijzing van een verzoek op grond van de Wob betekent dat de persoonsgegevens openbaar worden voor eenieder en niet alleen voor verzoeker. Een bestuursorgaan doet er verstandig aan om het verzoek op grond van artikel 10 lid 2, onderdeel e, van de Wob af te wijzen en het op grond van artikel 35 van de Wbp te honoreren (tenzij artikel 43 Wbp aan toewijzing van het verzoek in de weg staat). De Afdeling beschouwt een dergelijke conversie als een afwijzing van het Wob-verzoek en toetst die afwijzing aan artikel 10 van de Wob. Zie ABRvS 24 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO8477, «JB» 2004/234 (m.nt. Overkleeft-Verburg). Met name artikel 10, derde lid, van de Wob kan aan een dergelijke conversie in de weg staan.

De samenloop tussen artikel 10 lid 1, onderdeel d, van de Wob en artikel 16 Wbp, betreffende bijzondere persoonsgegevens, is van een ander karakter. Artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wob is ingevoerd om te waarborgen dat de Wob geen sluiproute wordt voor de openbaarmaking van de bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in de artikelen 16-24 van de Wbp. De verwerking van die gegevens is in de Wbp immers niet toegestaan en de Wob moet niet tot een ander resultaat leiden. Zie verder de toelichting over artikel 10, eerste lid, onderdeel d in Sdu Commentaar Openbaarheid van bestuur, artikel 10 van de Wob.

C.4.6.7: Wet op de administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Artikel 11 lid 4 Wet op de administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (betreffende het recht op inzage in stukken inzake een beroepschrift) is geen uitputtende regeling, nu uit de tekst of totstandkomingsgeschiedenis dat niet blijkt. Zie ABRvS 15 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7485, «JB» 2005/230 (m.nt. Overkleeft-Verburg) .

C.4.6.8: Wet bescherming staatsgeheimen

De aanwijzing als verboden plaats in de zin van artikel I Wet bescherming staatsgeheimen heeft slechts strafrechtelijke betekenis en behelst geen regeling betreffende het verlenen van inzage in op een verboden plaats berustend dossier. Zie ABRvS 2 januari 1986, ECLI:NL:RVS:1986:AM8767, AB 1986, 216 (m.nt. HJdR).

C.4.6.9: Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

In de artikelen 8, 8a en 9 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) is uitputtend geregeld in welke gevallen justitiële gegevens kunnen worden verstrekt. In de artikelen 18, 19 en 22 Wjsg is een regeling voor de kennisname en verbetering van deze gegevens door betrokkene opgenomen. In de artikelen 39e en 39f Wjsg is uitputtend geregeld aan welke personen en in welke gevallen strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt. In de artikelen 39i, 39j en 39m Wjsg is een regeling voor de kennisname en verbetering van deze gegevens door betrokkene opgenomen. Hoewel deze bepalingen grote overeenkomsten vertonen met het stelsel van de Wet politieregisters (vervallen met ingang van 1 januari 2008), heeft de Afdeling in haar uitspraak van 7 november 2007 overwogen dat titel 2A (de artikelen 39a tot en met 39r) van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens geen uitputtende regeling is die voorgaat op de Wob, omdat de wetgever bij het treffen van de bijzondere regeling in titel 2A van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens niet voor ogen heeft gestaan te voorkomen dat door (afzonderlijke) toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Zie ABRvS 7 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7311. ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5104: ´de regeling in artikel 39b, eerste lid, van de Wjsg (is) geen aan de Wob derogerende regeling´. In de uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0488, lijkt ABRvS terug te komen op deze jurisprudentie door te overwegen dat «slechts is beoogd dat de Wob van toepassing is op het geven van persvoorlichting over een strafzaak en van andere opsporingsberichtgeving». Deze uitspraak betrof echter artikel 365 van het WvSv.

C.4.6.10: Wetboek van Strafvordering, artikel 12f

ABRvS 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:537: daargelaten of, zoals de minister betoogt, artikel 12f, tweede lid, Sv een speciale regeling inhoudt die aan die van de Wob derogeert, ziet die bepaling uitsluitend op de fase van de beklagprocedure. Nu die ten tijde van het besluit van 12 juli 2011 inmiddels was geëindigd, heeft de minister die bepaling ten onrechte aan dat besluit ten grondslag gelegd.

Evenmin is er grond om te oordelen dat een andere bepaling van Sv, dan wel enige andere wettelijke regeling van toepassing is, waarin een bijzondere en uitputtende openbaarmakingsregeling, die aan de Wob derogeert, is vervat. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het niet op juiste gronden, geoordeeld dat de minister ten onrechte niet met toepassing van de Wob op het verzoek van [verzoeker] heeft beslist.

C.5: Uitputtende bijzondere regelingen

De navolgende wettelijke regelingen zijn – in alfabetische volgorde – blijkens wetsgeschiedenis of jurisprudentie aan te merken als uitputtende bijzondere regeling.

C.5.1: Aanbestedingswet 2012

Aanbestedingswet 2012: in de memorie van toelichting is 2.57, eerste lid, voor zover het door de ondernemer als vertrouwelijk aangemerkte informatie betreft, 2.57, tweede lid, voor zover de informatie kan worden gebruikt om de mededinging te vervalsen, aangemerkt als een uitputtende regeling, die ook de toetsing aan het Verdrag van Tromsø kan doorstaan (Kamerstukken II, 32440, nr. 3, p. 70). De artikelen 2:53, tweede lid, voor zover openbaarmaking van informatie schade zou toebrengen aan de gerechtvaardigde economische belangen van een onderneming, 2.138, onderdelen b, c en d, en 2.163, dienen als een uitputtende regeling aangemerkt te worden, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan het «effet utile» van de aanbestedingsrichtlijnen (Kamerstukken II, 32440, nr. 3, p. 69).

C.5.2: Advocatenwet

In haar uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:715, overwoog de Afdeling: "De rechtbank is de Deken terecht gevolgd in diens standpunt dat het in de Advocatenwet geregelde toezicht op advocaten, het tuchtrechtelijke systeem en de wijze van geheimhouding en openbaarmaking van tuchtrechtelijke maatregelen van dien aard is, dat het dient te worden aangemerkt als een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter, waarmee openbaarmaking van documenten die daarop betrekking hebben via de Wob niet verenigbaar is. Ingevolge het eerste lid van artikel 8a van de Advocatenwet zijn alle over een advocaat op het tableau verwerkte gegevens slechts in te zien voor een beperkte kring van gerechtigden. In beginsel zijn alleen de onherroepelijke zware tuchtrechtelijke maatregelen over een advocaat, te weten schorsing in de uitoefening van de praktijk voor maximaal een jaar en de schrapping van het tableau, voor een ieder openbaar, zo volgt uit de artikelen 8a, tweede lid, en 8b. De wetgever heeft "voorzien in een gedifferentieerd openbaarmakingregime. Hiermee wordt bereikt dat de openbaarmaking van persoonsgegevens van advocaten niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen van derden en een zuiverende werking binnen de beroepsgroep". De wetgever heeft het disproportioneel geacht om de lichtere tuchtrechtelijke maatregelen voor een ieder openbaar te maken (Kamerstukken II 2010/11, 32 382, nr. 8, p. 7, 9). Indien klachtdossiers op basis waarvan al dan niet een tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd onder de Wob zouden vallen, zou afbreuk worden gedaan aan de Advocatenwet nu de wetgever daarin de belangen die bij openbaarmaking zijn gediend en het belang van de advocaat bij geheimhouding uitdrukkelijk heeft afgewogen. Bovendien is sinds de wetswijziging per 1 januari 2015 ter bescherming van de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt in artikel 11a van de Advocatenwet een geheimhoudingsplicht voor de advocaat en in artikel 45a een afgeleide geheimhoudingsplicht voor de Deken neergelegd. Alleen in door de wetgever bepaalde gevallen kan deze geheimhoudingsplicht worden doorbroken. In het kader van zijn toezichthoudende taak naar aanleiding van een klacht kan onder de Deken informatie komen te berusten waarop de geheimhoudingsplicht van de advocaat van toepassing is. Indien op deze informatie de Wob van toepassing zou zijn, zou dat ertoe kunnen leiden dat informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt voor een ieder openbaar zou moeten worden gemaakt. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de goede werking van de Advocatenwet."

Opgemerkt zij dat artikel 8a, eerste lid, van de Advocatenwet bepaalt dat van het tableau de algemene gegevens betreffende advocaten en gegevens over de op grond van de Advocatenwet op te leggen zwaardere tuchmaatregelen openbaar zijn voor een ieder. Artikel 8b van de Advocatenwet voorziet bovendien in de verplichting voor de secretaris van de algemene raad schriftelijk een lijst van gegevens over advocaten openbaar te maken ten aanzien van wie een beslissing tot het onvoorwaardelijk opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder d of e, van de Advocatenwet onherroepelijk is geworden.

C.5.3: Algemene wet bestuursrecht

In de Memorie van Toelichting bij artikel 3:11 Awb (oud) stelt de regering dat de terinzagelegging een uitwerking is van de actieve openbaarmakingsplicht van de Wob. Zie PG Awb I, p. 225. Daaruit volgt dat ter inzage gelegde documenten openbaar zijn en derhalve sprake is van een bijzondere openbaarheidregeling. Door vervolgens artikel 10 van de Wob van overeenkomstige toepassing te verklaren, is de regeling uitputtend voor wat betreft de toetsing aan de vraag of een document openbaar kan worden gemaakt. Het recht op inzage is niet beperkt tot degenen die een zienswijze naar voren kunnen brengen, maar geldt de facto voor eenieder.

De Memorie van Toelichting bij de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure gaat ervan uit dat artikel 3:11 Awb een uitputtende regeling is, gedurende de voorbereidingsprocedure. De onverkorte toepassing van de Wob als algemeen afwegingskader tijdens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorts van belang omdat de Wob ook al van toepassing is na afloop van de voorbereidingsprocedure. Het komt de eenheid en inzichtelijkheid van het recht ten goede als in beide fasen voor dezelfde vragen hetzelfde afwegingskader geldt. Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 023, nr. 3, p. 15.

In artikel 8:79, tweede lid, is bepaald dat anderen dan partijen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak kunnen verkrijgen. Uit een uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2180) volgt dat deze bepaling zo moet worden gelezen dat een bestuursorgaan geen stukken mag verstrekken die de griffier op grond van artikel 8:79, tweede lid, zou moeten weigeren. De Afdeling overweegt: Het zou afbreuk doen aan de bedoeling van deze bepaling als anderen dan partijen de processtukken die de griffier niet mag verstrekken, kunnen verkrijgen, indien zij op grond van de Wob een daartoe strekkend verzoek doen aan een bestuursorgaan dat als partij aan het geding heeft deelgenomen. De Wob is derhalve op deze stukken uit het procesdossier niet van toepassing. Dit laat onverlet dat zich onder de stukken in het procesdossier documenten kunnen bevinden die betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid en als zodanig op grond van de Wob, onder vermelding van de desbetreffende bestuurlijke aangelegenheid, bij een bestuursorgaan kunnen worden opgevraagd. Het enkele feit dat een stuk ook deel uitmaakt van een procesdossier, doet dan aan de toepasselijkheid van de Wob niet af". Het bestuursorgaan kan dus geen documenten die het reeds in het bezit heeft aan de openbaarheid onttrekken door ze op te nemen in een procesdossier. Ook op documenten die in een procesdossier zitten en die nadien uit andere hoofde worden ontvangen, is de Wob van toepassing als zij vallen onder de bestuurlijke aangelegenheid waarop een verzoek ziet.

C.5.4: Algemene wet inzake rijksbelastingen

Met artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt in algemene bewoordingen aan een ieder geheimhouding opgelegd van alles wat hij te weten komt bij de uitvoering van de belastingwet. In vergelijking met bijvoorbeeld het hiervoor behandelde artikel 2:5 Awb, valt op dat artikel 67 van de Awr niet is beperkt tot vertrouwelijke gegevens. In de jurisprudentie wordt artikel 67 van de Awr aangemerkt als een uitputtende bijzondere openbaarheidsregeling. Reeds onder de wet Arob was ter zake van artikel 67 van de Awr niet de belastingrechter, maar de Arob-rechter bevoegd, omdat dit artikel niet is aan te merken als een wettelijk voorschrift inzake belastingen, maar als een voorschrift inzake geheimhouding. Thans is de gewone bestuursrechter bevoegd. Zie artikel 8:4, onderdeel g, Awb. In het tweede lid is een aantal gevallen opgenomen, waarin de geheimhoudingsplicht niet geldt. Van de geheimhoudingsplicht kan de minister van Financiën op grond van artikel 67, derde lid, van de Awr ontheffing verlenen. Omdat deze ontheffingsbevoegdheid niet nader is genormeerd, dient op grond van de jurisprudentie het toetsingskader van de Wob te worden gehanteerd bij de invulling van deze ontheffingsbevoegdheid.

Zo overwoog de Afdeling: ‘De Staatssecretaris heeft dan ook terecht gesteld dat artikel 67, eerste lid, van de AWR van toepassing is ten aanzien van deze passages en stukken. De Staatssecretaris heeft vervolgens bezien of redenen aanwezig waren om van zijn in het tweede (thans: derde lid, red.) lid gegeven bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing gebruik te maken. Hij heeft daarbij de maatstaven van de WOB als toetsingskader gehanteerd. Deze handelwijze is in overeenstemming met hetgeen de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, te weten dat bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 67 lid 2 AWR zoveel mogelijk met toepassing van de in de WOB neergelegde maatstaven dient te worden beslist.’ Zie ABRvS 16 december 1997, no. H01.96.0519.

Uit onderstaand citaat uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 1994 blijkt dat toetsing aan artikel 10 van de Wob kan leiden tot de conclusie dat de ontheffing van artikel 67 lid 2 (oud) van de Awr ten onrechte niet was verleend.

‘Ter motivering van de weigering om in dit geval een zodanige ontheffing te verlenen, heeft verweerder aangevoerd dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de met geheimhouding gemoeide belangen die zich daartegen verzetten en die worden beschermd door artikel 10, eerste lid, onder c van de Wet en artikel 10, tweede lid, onder b, en g van de Wet.

De Afdeling overweegt dat verweerder er niet in is geslaagd haar ervan te overtuigen dat de door hem in dit kader aangevoerde belangen zwaarder wegen dan het belang van appellanten bij een ontheffing van het verbod van artikel 67 van de Awr. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen, dat haar is gebleken dat de gevraagde stukken, indien de daarin vermelde bedrijfs- en fabricagegegevens, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c van de Wet, worden geschrapt, zich zeer wel lenen voor openbaarmaking in een niet tot personen of bedrijven herleidbare vorm. De Afdeling ziet niet in, dat in dat geval sprake kan zijn van een onevenredige benadeling van de betrokken belastingplichtigen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat openbaarmaking op de hiervoor genoemde wijze grote economische of financiële nadelen voor de Staat meebrengt, zoals door verweerder is betoogd, en evenmin acht de Afdeling aannemelijk geworden dat er sprake zal zijn van onevenredige benadeling aan de kant van verweerder in verband met zijn procespositie bij afwijzingen van rulingaanvragen.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder met betrekking tot dit onderdeel bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.’ Zie ABRvS 7 juli 1994, no. R01.92.3076.

Deze jurisprudentie is gewezen op grond van het oude artikel 67 van de Awr. Per 1 januari 2008 is het huidige tweede lid in artikel 67 ingevoegd. Met deze invoeging kwam de regering tegemoet aan kritiek van de Registratiekamer, die vond dat het beleid inzake de verlening van ontheffing van de geheimhoudingsplicht een nadere wettelijke grondslag behoefde. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 12 e.v. De ontheffingsbevoegdheid van het huidige derde lid kreeg daarmee een beperktere reikwijdte. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat daarmee werd beoogd de toepassing van de Wob bij ontheffingsverzoeken in de toekomst te voorkomen: ‘Doordat de voorgestelde ontheffingsbepaling van het derde lid van artikel 67 nog slechts een beperkt aantal verstrekkingen betreft, te weten bepaalde verstrekkingen aan belastingplichtigen zelf, verstrekkingen aan bestuursorganen die (nog) niet zijn opgenomen in de ministeriële regeling en verstrekkingen in incidentele of onvoorziene gevallen, is geen sprake meer van een ruime, onbeperkte ontheffingsbepaling die ruimte laat voor verschillende uitleg. De voorgestelde ontheffingsbepaling ziet enkel op de hiervoor genoemde situaties. De verwachting is daarom dat de toepassing van de Wob op informatie over individuele belastingplichtigen wordt uitgesloten.’ Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 20 e.v.

Uit de Nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de regering verwacht dat Wob-verzoeken achterwege zullen blijven, omdat een verzoek op grond van artikel 67 Awr meer kans van slagen heeft en bovendien meebrengt dat de verstrekte gegevens niet openbaar zijn voor een ieder, zie Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, p. 26 e.v. Strikt genomen betekent dit dat de verhouding tussen de Wob en de Awr niet principieel is gewijzigd.

C.5.5: Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 7 Arbeidsomstandighedenwet bevat onder het kopje Informatie aan het publiek een verplichting tot actieve openbaarmaking, waarbij een groot deel van artikel 10 lid 2 van de Wob buiten werking wordt gesteld. Naast de uitzonderingen van artikel 10, eerste lid, van de Wob, worden alleen de uitzonderingen betreffende het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van sabotage gehandhaafd.

C.5.6: Archiefwet 1995

De artikelen 14-17 Archiefwet 1995 regelen de openbaarheid van archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten. Deze regeling is uitputtend. Hoofdregel is dat deze archiefbescheiden openbaar zijn. In die zin is de Archiefwet als algemene openbaarheidswet aan te merken. Het beginsel van openbaarheid van archiefmateriaal volgt uit de wettelijke veronderstelling dat het betrokken materiaal zodanig gedateerd is dat beperking van de openbaarheid niet of nauwelijks meer noodzakelijk moet worden geoordeeld. De Archiefwet is naast de Wob gepositioneerd, in die zin dat ze ziet op archiefbescheiden die niet bij een bestuursorgaan, maar in een archiefbewaarplaats berusten. Onder archiefbewaarplaatsen wordt niet verstaan de archiefruimte bij een bestuursorgaan, maar de plaatsen die zijn ingericht voor de blijvende bewaring van archieven op grond van de Archiefwet 1995. Uitsluitend met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, het belang van de staat of zijn bondgenoten of het voorkomen van onevenredige bevoor- of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden voorziet artikel 15 Archiefwet 1995 in de mogelijkheid bij de overbrenging van de archiefbescheiden beperkingen aan de openbaarheid te stellen. De beperkingsgronden van artikel 15 zijn aan artikel 10 lid 2 van de Wob ontleend. Bij de toepassing ervan zal de Wob-praktijk terzake als referentiekader moeten worden gebruikt.

Omdat de gronden die in artikel 15 Archiefwet 1995 worden genoemd op een aantal punten niet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Aarhus, is een nieuw artikel 15a ingevoegd. Voor artikel 15, eerste lid, onderdeel c, van de Archiefwet 1995 dat overeenkomt met artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de Wob wordt bepaald dat deze uitzonderingsgrond niet geldt voor milieu-informatie. Aan de Memorie van Toelichting bij de Wet uitvoering Verdrag van Aarhus is de volgende passage ontleend: ‘Het voorgestelde artikel 15a, eerste lid, van de Archiefwet 1995 strekt ertoe artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995 niet van toepassing te verklaren in gevallen waarin in de archiefbescheiden milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a Wet milieubeheer is neergelegd. Dit houdt in dat voor zover sprake is van milieu-informatie, noch bij het overbrengen van archiefbescheiden noch na de overbrenging beperkingen kunnen worden gesteld aan de openbaarheid met het oog op het (anderszins) voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Aan de openbaarheid van archiefbescheiden waarin milieu-informatie is neergelegd en die zich thans al in een archiefbewaarplaats bevinden, kunnen reeds bij de overbrenging beperkingen zijn gesteld op eerdergenoemde grond. In dat geval is de zorgdrager verplicht deze beperkingen ten aanzien van een verzoeker buiten toepassing te laten. Dit is neergelegd in artikel 15a, tweede lid, van de Archiefwet 1995.’ Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 835, nr. 3, p. 35.

C.5.7: Gemeentewet

De artikelen 23, vierde en vijfde lid, 25, 55, 60, derde lid, 61c, 86 en 185, vijfde lid, Gemeentewet (Gemw) bevatten uitputtende bijzondere regelingen, en wel in de meeste gevallen van het type geheimhoudingsregeling.

Ten aanzien van artikel 25 Gemw heeft de Afdeling in een zaak betreffende de gemeente Alphen-Chaam overwogen: ‘De ABRvS deelt het oordeel van de rechtbank dat artikel 25 van de Gemeentewet moet worden aangemerkt als een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding, welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob. De rechtbank heeft voorts terecht vastgesteld dat ten aanzien van het rapport waarvan openbaarmaking was verzocht, een geheimhoudingsplicht op grond van het tweede lid van artikel 25 van de Gemeentewet gold die aan de toepassing van de Wob in de weg stond.’ Zie ABRvS 11 september 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7453, «JB» 2002/320.

In een uitspraak van 23 novmber 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3140, overwoog de Afdeling in een zaak waarin artikel 25 Gemeentwet was toegepast: de Afdeling is thans van oordeel dat de indiener van een verzoek om openbaarmaking van documenten waarvan geheimhouding is opgelegd, als belanghebbende in deze zin moet worden aangemerkt. Daartoe wordt overwogen dat, zoals de Afdeling eveneens thans van oordeel is, een verzoek om openbaarmaking van documenten waarvan geheimhouding is opgelegd, altijd tevens moet worden opgevat als verzoek om opheffing van die geheimhouding. Dit betekent dat de indiener van het verzoek zowel belanghebbende is bij het besluit op het verzoek om openbaarmaking als bij het besluit op het verzoek om opheffing van de geheimhouding. Het vorenstaande betekent voorts dat voor zover het verzoek om opheffing van de geheimhouding bij een ander bestuursorgaan moet worden ingediend, op de ontvanger van het verzoek een doorzendplicht rust. In afwachting van het besluit van het andere bestuursorgaan wordt de beslistermijn op het verzoek om openbaarmaking opgeschort.

Artikel 55 Gemw, betreffende het college van burgemeester en wethouders, en artikel 86 Gemw, betreffende gemeentelijke commissies, komen in grote lijnen overeen met artikel 25 Gemw, zodat mag worden aangenomen dat ook deze bepalingen als uitputtende bijzondere openbaarmakingsregeling moeten worden aangemerkt.

Voor wat betreft artikel 55 Gemw trekt de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen eveneens deze conclusie. De rechter besteedt aandacht aan het verschil tussen de artikelen 25 en 55 van de Gemw: ‘Artikel 55 van de Gemeentewet gaat over stukken die zijn voorgelegd aan verweerder (ter bespreking of besluitvorming) of over het behandelde tijdens een vergadering van verweerder. Dit verklaart ook het verschil tussen de ingevolge artikel 25, derde lid, van de Gemeentewet vereiste bekrachtiging en de daartoe ontbrekende noodzaak ingevolge artikel 55 van deze wet. De stukken die worden bedoeld in artikel 25 van de Gemeentewet vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de gemeenteraad, waardoor dit orgaan het laatste woord heeft omtrent het opleggen van een geheimhouding. Deze bevoegdheid en verantwoordelijkheid ontbreekt bij de onder artikel 55 van de Gemeentewet vallende stukken (dan wel informatie), waardoor ‘slechts’ het laatste woord is gegeven aan de raad door de mogelijkheid te bieden de geheimhouding op te heffen, waarmee (alsnog) acht wordt geslagen op de bestaande bestuurlijke verhouding tussen verweerder en de raad.’ Zie Rb. Assen 3 april 2003, ECLI:NL:RBASS:2003:AF7010.

Artikel 23, vierde en vijfde lid, en artikel 60, derde lid, regelen de openbaarheid van verslagen en besluitenlijsten op grond van de artikelen 25 en 55 niet-openbare vergaderingen.

Artikel 61c, derde lid, beperkt de openbaarheid van de benoemingsprocedure voor een nieuwe burgemeester. Alleen de gegevens over de eerste door de raad voorgedragen kandidaat zijn openbaar.

Artikel 185, derde lid, betreft de openbaarheid van het rapport van de rekenkamer. Deze bepaling stelt artikel 10 van de Wob buiten werking.

C.5.8: Gerechtsdeurwaarderswet

Het gerechtsdeurwaardersregister van artikel 1a van de Gerechtsdeurwaarderswet is een openbaar register, waarvan enkele persoonsgegevens en lichte tuchtrechtelijke maatregelen niet openbaar voor een ieder zijn. Naar analogie van artikel 8 van de Advocatenwet moet worden aangenomen dat artikel 1a Gerechtsdeurwaarderswet dient te worden aangemerkt als een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter, zodat de Wob niet van toepassing is. Zie ook hetgeen later in de tekst wordt opgemerkt over artikel 5 van de Wet op het Notarisambt.

C.5.9: Gezondheidswet

Artikel 39, eerste lid, onderdeel b, van de Gezondheidswet is toegevoegd met de Wet uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidswetgeving. Het betreft een geheimhoudingsbepaling voor toezichthoudende ambtenaren die kennis hebben gekregen van onder het medisch beroepsgeheim vallende patiëntengegevens. In de behandeling in de Eerste Kamer is van de zijde van de regeling aangegeven dat deze regeling geldt als een speciale regeling ten opzichte van de Wob. Zie Kamerstukken I 2008/09, 31 122, C, p. 11.

C.5.10: Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie

De artikelen 10, vierde lid, en 11 van de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie beperken de toepassing van artikel 10 (en 11) van de Wob en bevatten daarmee een ruimer openbaarheidsregime dan de Wob. In lijn met de richtlijn wordt de toegankelijkheid van de aan het netwerk gekoppelde verzamelingen ruimtelijke gegevens en diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens voor eenieder geregeld. Afzonderlijke toepassing van de Wob zou afbreuk hebben gedaan aan de correcte implementatie van de richtlijn.

In de artikelen 10, vierde lid, en 11 van de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie, welke artikelonderdelen betrekking hebben op het beperken van de toegang tot de verzamelingen ruimtelijke gegevens en diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens die aan het netwerk zijn gekoppeld, is artikel 10 van de Wob voor de verschillende diensten die via het netwerk beschikbaar zijn, gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 771, nr. 3, p. 8.

C.5.11: Instellingswet Autoriteit Consument en Markt

Met de Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht (Stb. 2014, 247) onder meer de nieuwe artikelen 12u, 12v en 12w aan de Instellingswet Autoriteit Consument en markt toegevoegd. Deze artikelen zijn blijkens de memorie van toelichting bedoeld als uitputtende regeling ten opzichte van de Wob (Kamerstukken II, 33622, nr. 3, p. 62-63). De artikelen 12u en 12v bevatten een verplichte actieve openbaarmakingsverplichting. De informatie waarop die verplichting niet van toepassing is (informatie die op grond van artikel 10 van de Wob niet openbaar is en informatie die in strijd kan komen met het doel van het aan de Autoriteit Consument en Markt opgedragen toezicht op de naleving), dient uit de aard der zaak niet via een verzoek alsnog openbaar te kunnen worden. Artikel 12w bevat een facultatieve openmaarmakingsverplichting. Niet is geregeld wat het gevolg is van een verzoek om informatie die op grond van artikel 12w openbaar gemaakt kan worden, maar niet openbaar gemaakt is. Op openbaarmakingsbesluiten op grond van de Instellingswet staat beroep open bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het CBb. Artikel 7 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt regelt dat gegevens die bij de uitvoering van een taak zijn verkregen alleen voor de uitoefening van die taak mogen worden gebruikt. De toelichting bij artikel 7 meldt niet dat deze regeling uitputtend is bedoeld. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet van 25 juni 2014 is echter vastgesteld dat artikel 7 uitputtend bedoeld is (Kamerstukken II, 33622, nr. 7, p. 24).

C.5.12: Invorderingswet 1990

De overeenkomst van artikel 67 Invorderingswet met artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (zie hiervoor) springt in het oog. De Afdeling hanteert dezelfde maatstaf als zij doet bij artikel 67 van de Awr, zie ABRvS 12 maart 1998, no. H01.96.0225.

C.5.13: Kieswet

ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2509: “Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6667), regelt de Kieswet de voor de verkiezingen noodzakelijke openbaarmaking van kandidatenlijsten uitputtend. Uit die wet vloeit voort dat de Wob gedurende de verkiezingsperiode niet op kandidatenlijsten van toepassing is. Na afloop ervan staat de Kieswet niet aan toepassing van de Wob in de weg. Dit geldt ook voor de verklaringen van ondersteuning.

Niet in geschil is dat het verzoek door [appellant] is gedaan na afloop van de betrokken verkiezingsperiode en de kandidatenlijsten en de lijsten van ondersteuning op het moment van het verzoek niet ter inzage lagen.

Dat de kandidatenlijsten en de verklaringen van ondersteuning, als gesteld, tijdens de verkiezingsperiode ter uitvoering van de Kieswet ter inzage hebben gelegen, betekent derhalve niet dat die documenten openbaar zijn. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden en het verzoek van [appellant] niet tot het nemen van een voor bezwaar vatbaar besluit strekt.”

ABRvS 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6667: “Onmiddellijk nadat de kandidatenlijsten in overeenstemming met artikel I 1, eerste lid, van de Kieswet door het hoofdstembureau zijn onderzocht, moeten deze lijsten ingevolge artikel I 3 van de Kieswet ter inzage worden gelegd ter secretarie van de gemeente. Vervolgens moet het hoofdstembureau ingevolge artikel I 4 van de Kieswet beslissen over de geldigheid van de lijsten, over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten en over het handhaven van de daarboven geplaatste aanduiding. Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep is ingesteld of indien uitspraak is gedaan op een ingesteld beroep, moeten de geldig verklaarde lijsten ingevolge artikel I 17 van de Kieswet openbaar worden gemaakt door terinzagelegging ter secretarie van de gemeente. De Kieswet regelt aldus uitputtend de voor de verkiezingen noodzakelijke openbaarmaking van kandidatenlijsten. Uit dit systeem van de Kieswet vloeit voort dat gedurende de verkiezingsperiode de Wob niet van toepassing is op kandidatenlijsten. Deze verkiezingsperiode vangt aan op de dag waarop de kandidatenlijsten overeenkomstig artikel I 3 van de Kieswet ter inzage worden gelegd en eindigt met ingang van de dag na die waarop overeenkomstig artikel V 4, eerste lid, van de Kieswet omtrent de toelating van alle gekozen leden is beslist. Na afloop van de verkiezingsperiode staat de Kieswet niet in de weg aan toepassing van de Wob.

Nu het verzoek van [appellant sub 1] is gedaan gedurende de voormelde verkiezingsperiode, is de Wob niet van toepassing op dat verzoek. Aangezien voorts de Kieswet niet voorziet in besluiten tot verstrekking van kopieën van kandidatenlijsten, moet het verzoek van [appellant sub 1] worden aangemerkt als te zijn gericht op het verrichten van een feitelijke handeling. De als reactie op dat verzoek gevolgde brief van het college van 18 februari 2010 is daarom niet op rechtsgevolg gericht, zodat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college het tegen die brief gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.”

C.5.14: Kwaliteitswet zorginstellingen

Artikel 7, derde lid, is toegevoegd met de Wet uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidswetgeving. Het betreft een geheimhoudingsbepaling voor toezichthoudende ambtenaren die kennis hebben gekregen van onder het medisch beroepsgeheim vallende patiëntengegevens. Bij de behandeling in de Eerste Kamer is van de zijde van de regeling aangegeven dat deze regeling geldt als een speciale regeling ten opzichte van de Wob. Zie Kamerstukken I, 2008/09, 31 122, C, p. 11.

C.5.15: Provinciewet

De artikelen 23, vierde en vijfde lid, 25, 55, 60, derde lid, 61c, 91 en 186, vijfde lid, van de Provinciewet komen overeen met de hierboven genoemde artikelen van de Gemeentewet.

C.5.16: Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid

Artikel 57 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid kent een van artikel 10 van de Wob afgeleide regeling voor opname van informatie in het rapport van de onderzoek door de Onderzoeksraad. Dat rapport is op grond van artikel 59, eerste lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid vervolgens openbaar. De afweging over niet-openbare informatie heeft immers al plaatsgehad. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid zijn concept-versies van het rapport en niet in het rap port opgenomen informatie, alsmede informatie die de raad ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde, gedurende het onderzoek aan anderen heeft verstrekt, niet openbaar. Deze regeling maakt deel uit van de maatregelen die in de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid zijn getroffen ter bescherming van getuigen die de Onderzoeksraad informatie verschaffen.1

Artikel 59, vijfde lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid strekt blijkens de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 tevenstot geheimhouding van bij een bestuursorgaan berustende gegevens die dat bestuursorgaan ten behoeve van het onderzoek van nde Onderzoeksraadheeft verzameld , zodat i.c. de minister van Justitie terecht een beroep op die bepaling had gedaan. Artikel 59, vijfde lid, is blijkens die uitspraak niet van toepassing op aan de Onderzoeksraad verstrekte informatie die het bestuur niet voor het onderzoek heeft verzameld.2

C.5.17:  Waterschapswet

De artikelen 37 en 43 van de Waterschapswet komen overeen met de hierbovengenoemde artikelen uit de Gemeentewet, zodat moet worden aangenomen dat ook deze artikelen een uitputend regime ten opzichte van de Wob bevatten.

C.5.18: Wet basisregistraties adressen en gebouwen

Artikel 32, tweede lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen is met ingang van 1 juli 2011 aangevuld met een van de Wob afwijkende uitputtende regeling met de Wet van 2 december 2010 tot wijziging van regels omtrent de basisregistraties adressen en gebouwen (aanvullingen in verband met Europese richtlijnen) ( Stb. 2011, nr. 2). Deze wijziging strekt ertoe het regime voor het verlenen van inzage in en het verstrekken van gegevens uit de adressenregistratie en de gebouwenregistratie alsmede de landelijke voorziening nader af te stemmen op het regime van de richtlijn Inspire, zoals geïmplementeerd bij de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie. Hiermee wordt voorkomen dat de toegankelijkheid van de desbetreffende gegevens op nationaalrechtelijk niveau op een ruimer aantal gronden kan worden ingeperkt dan via het Europeesrechtelijke netwerk tot het oprichten waarvan de richtlijn Inspire verplicht. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 297, nr. 3.

C.5.19:  Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 20 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) bepaalt dat het Bureau Bibob aan derden geen persoonsgegevens verstrekt die het heeft verkregen in het kader van zijn taak. Daaraan is toegevoegd dat deze bepaling geldt, voor zoveel nodig in afwijking van hetgeen in de Wet openbaarheid van bestuur en andere wetten is bepaald ten aanzien van verstrekking van gegevens. Hiermee is de voorang van de Wet Bibob boven de Wob uitdrukkelijk vastgelegd.

Andere bestuursorganenArtikel 28, tweede lid, van de Wet Bibob kent een geheimhoudingsbepaling die uitsluit dat een bestuursorgaan op grond van de Wob ggevens uit een Bibob-advies verstrekt.

C.5.20:   Wet financiering politieke partijen

Artikel 25, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet financiering politieke partijen bevat een regeling over het openbaar maken van gegevens die de minister heeft over de opgegeven inkomsten van politieke partijen. Het finacieel verslag is openbaar, maar de niet in het verslag genoemde bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties berustende gegevens niet. De Wob is expliciet buiten toepassing verklaard.

C.5.21:   Wet handhaving consumentenbescherming

Artikel 2.24 Wet handhaving consumentenbescherming kent een aanvullende bepaling over de openbaarmaking van bij de Autoriteit Consument en Markt berustende stukken. Gegevens worden slechts openbaar gemaakt met instemming van de instelling die de gegevens aan de Autoriteit Consument en Markt heeft verstrekt. Op deze wijze blijft een openbaarheidsregel die voor de verstrekkende instelling geldt voor de betreffende gegevens in stand.

De Memorie van Toelichting bij dit artikel luidt als volgt: ‘In de verordening is weliswaar opgenomen dat in het kader van wederzijdse bijstand bepaalde gegevens moeten worden uitgewisseld tussen de samenwerkende instanties van de lidstaten, maar ook dat dergelijke gegevens niet zonder toestemming van de gegevensverstrekker mogen worden openbaar gemaakt (artikel 13, derde lid, van de verordening). De gegevensverstrekkers (bijv. de Autoriteit Financiële Markten) kunnen derhalve hun eigen geheimhoudingsregime behouden voor wat betreft uiteindelijke openbaarmaking van door hen in dit kader verstrekte gegevens. Voor de ConsumentenAutoriteit (thans: Autoriteit Consument en Markt) geldt op grond hiervan dat zij gegevens die zij van andere bestuursorganen ontvangt niet openbaar mag maken zonder toestemming van deze bestuursorganen. Dit vereiste van toestemming heeft tevens voorrang op verplichtingen van de ConsumentenAutoriteit (thans: Autoriteit Consument en Markt) tot openbaarmaking van deze gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dit is overigens slechts relevant voor zover de uitzonderingsgronden van artikel 10 van de Wob niet van toepassing zouden zijn.’ Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 411, nr. 3, p. 29 e.v.

In de Memorie van Toelichting bij dit artikel wordt niet ingegaan op de verhouding tussen de Consumentenautoriteit en de minister van Economische Zaken. Op grond van artikel 2.1 Wet handhaving consumentenbescherming is de Consumentenautoriteit een ambtenaar van de minister. In het stelsel van de Wob betekent dit dat de bij de Consumentenautoriteit berustende informatie geacht wordt bij deze minister te berusten. Onduidelijk is of de minister bij een aan hem gericht Wob-verzoek een beroep kan doen op artikel 2.24 Wet handhaving consumentenbescherming.

C.5.22: Wet Huis voor klokkenluiders

Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Huis voor klokkenluiders (Kamerstukken II 2014/15, 34 105, 3) volgt dat de artikelen 3i, 3j, 3k, vierde lid, 6, tweede lid en 17, zevende en achtste lid, van die wet als een uitputtende regeling moet worden beschouwd ten opzichte van de Wob. De uitzondering geldt voor zover de informatie berust bij het Huis voor de klokkenluiders. Indien informatie aan het Huis is verstrekt door een bestuursorgaan, kan het bestuursorgaan zich niet beroepen op deze bepaling.

C.5.23:  Wet luchtvaart

In artikel 7.2 van de Wet luchtvaart is bepaald dat gegevens betreffende de melding van een voorval niet openbaar zijn. Een voorval is gedefinieerd als een operationele onderbreking, defect, fout of andere onregelmatigheid, waardoor de vliegveiligheid wordt of kan worden beïnvloed, zonder dat sprake is van een ongeval of ernstig incident. Naar zijn aard is dit een uitputtende, de Wob opzij zettende bepaling. In artikel 10.19 van de Wet luchtvaart is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens inzake militaire vliegvelden over de geluidsbelasting, het externe-veiligheidsrisico en de lokale luchtverontreiniging niet openbaar zijn. In de parlementaire behandeling is deze bepaling aangewezen als een lex specialis ten opzichte van de Wob (Kamerstukken II, 30452, nr. 3, p. 103).

C.5.24:   Wet op de jeugdzorg

De artikelen 49 tot en met 51 van de Wjz bevatten een regeling voor de inzage in de dossiers van cliënten of hun wettelijk vertegenwoordigers. De ABRvS heeft bij uitspraak van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3368, AB 2013, 141 (m.nt. P.J. Stolk), «JB» 2013/79 (m.nt. G. Overkleeft-Verburg)) artikel 50, tweede lid, van de Wjz aangemerkt als uitputtende regeling, omdat dat artikel een belangenafweging voorschrijft die krachtens de Wob achterwege blijft. Genoemde annotatoren achten deze uitspraak onjuist, nu de artikelen 49 tot en met 51 van de Wjz aangemerkt dienen te worden als een concretisering van de Wet bescherming persoonsgegevens (zie ook Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr. 3, p. 42). Met name gaat het bij artikel 50, tweede lid, niet om een belangenafweging, maar om een norm die geldt bij de vraag of in dit geval verstrekking aan de wettelijk vertegenwoordiger in het belang van de minderjarige is. Een Wob-verzoek door de wettelijk vertegenwoordigers dient derhalve op grond van artikel 10, tweede lid, onderdeel e, te worden geweigerd.

Deze bepaling vervalt bij de volledige inwerkingtreding van de Jeugdwet, naar verwachting met ingang van 1 januari 2015. De Jeugdwet voorziet niet in een gelijksoortige bepaling.

C.5.25:   Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Artikel 87, eerste lid, van de Wet BIG is toegevoegd met de Wet uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidswetgeving. Het betreft een geheimhoudingsbepaling voor toezichthoudende ambtenaren die kennis hebben gekregen van onder het medisch beroepsgeheim vallende patiëntengegevens. In de behandeling in de Eerste Kamer is van de zijde van de regeling aangegeven dat deze regeling geldt als een speciale regeling ten opzichte van de Wob. Zie Kamerstukken I 2008/09, 31 122, C, p. 11.

C.5.26:  Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) bevat een uitputtende regeling inzake de kennisneming van informatie die bij de diensten, te weten de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), berust. Ten aanzien van verzoeken om informatie geldt de Wiv als een uitputtende regeling die voorrang heeft boven de Wob. Op grond van artikel 51 Wiv kan een aanvraag worden gedaan voor andere gegevens dan persoonsgegevens. Het toetsingskader van een dergelijke aanvraag is neergelegd in artikel 55 Wiv. Het eerste en tweede lid komen overeen met artikel 10 lid 1 en 2 van de Wob. Zo komt ook artikel 56 Wiv overeen met artikel 11 van de Wob. Artikel 47 Wiv geeft eenieder recht op inzage in hemzelf betreffende persoonsgegevens. Kinderen en ouders van overleden personen hebben daarbij op grond van artikel 50 Wiv dezelfde rechten op inzage als die personen bij leven hadden. In artikel 53 Wiv zijn de criteria opgenomen waaraan een aanvraag op grond van de artikel 47 worden getoetst. Met dit artikel is beoogd informatie betreffende de modus operandi van de betreffende diensten te beschermen. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 69. Op grond van artikel 54 Wiv is artikel 53 Wiv van overeenkomstige toepassing op aanvragen betreffende overledenen van nabestaanden op grond van artikel 50 Wiv. Zie de uitspraak van de Afdeling, waarin zij de weigering van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gegevens over de overleden zoon van verzoekers te verstrekken in stand liet, omdat sprake was van actuele gegevens, ABRvS 18 mei 2005, «JB» 2005/279, ECLI:NL::RVS:2005:AT5662.

In artikel 81 is voorts bepaald dat de gegevens die de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ontvangt van de ministers, hoofden van diensten en andere ambtenaren niet openbaar zijn en dat verzoeken om kennisneming of openbaarmaking van die gegevens worden geweigerd. Dit artikel valt te beschouwen als een uitputtende regeling, hoewel hier in de memorie van toelichting niet op wordt ingegaan. Overigens is de commissie van toezicht in artikel 1:1, tweede lid, van de Awb uitgezonderd van de definitie van bestuursorgaan, zodat de Wob ook om die reden niet op de commissie van toepassing is.

C.5.27:   Wet op de Raad van State

Artikel 26 Wet op de Raad van State (Wet RvS) bevat sinds 1 september 2010 een van de Wob afwijkende bepaling over de publicatie van door de Raad van State uitgebrachte adviezen over wetgeving, verdragen, algemene maatregelen van bestuur en andere Koninklijke Besluiten. De openbaarmaking van deze adviezen is gekoppeld aan de openbaarmaking van de voorstellen waarover wordt geadviseerd. De regeling is ingevoerd als artikel 25a dat aan de Wet RvS is toegevoegd bij de invoering van de eerste Wob van 1978. Blijkens de Memorie van Toelichting was het voornaamste motief het voorkomen van ‘een ontwikkeling in de richting van een politisering van dit college’. Zie Kamerstukken II 1974/1975, 13 418, nr. 3, p. 22. Het achterwege laten van het openbaar maken van louter instemmende adviezen of alleen op redactionele wijzigingen gerichte adviezen (artikel 25a lid 3 onderdeel b Wet RvS) geschiedt ter voorkoming van ‘openbaarmakingen zonder reële betekenis’. Zie Kamerstukken II 1974/1975, 13 418, nr. 3, p. 23. Door de Raad van State is dit artikel uitgelegd als een uitputtende bepaling over de openbaarheid van nog niet bij de Tweede Kamer ingediende voorstellen van wet. De Voorzitter van de Afdeling overwoog ter zake: ‘Deze regeling is blijkens de geschiedenis van de totstandkoming daarvan onder meer aldus in het leven geroepen omdat het onjuist werd geacht indien de tekst van een ontwerp van wet waarover in de Ministerraad overeenstemming is bereikt maar waarover de RvS nog moet adviseren zou worden gepubliceerd. Bij het instellen van appellant’s beroep diende de RvS nog advies uit te brengen alvorens voornoemde ontwerpen van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal konden worden gezonden. Verweerder heeft derhalve terecht het verzoek van appellant om toezending van afschriften van de onderhavige ontwerpen van wet afgewezen.’ Zie ABRvS 18 juli 1983, AB 1983, 527 (m.nt. De Ru).

In het oude artikel 25a lid 5 Wet RvS was bepaald dat openbaarmaking achterwege blijft in de gevallen, bedoeld in artikel 10 van de Wob en bij instemmende (blanco) adviezen of adviezen met enkel opmerkingen van redactionele aard. In het nieuwe artikel 26 Wet RvS is dat voor de gevallen, bedoeld in artikel 10 van de Wob gehandhaafd, maar is in het vijfde lid voor blanco adviezen of adviezen met enkel opmerkingen van redactionele aard niet langer bepaald dat openbaarmaking achterwege blijft, maar dat actieve openbaarmaking achterwege kan worden gelaten. Desgevraagd kan een minister een blanco advies verstrekken. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 585, nr. 3, p. 11.

C.5.28:   Wet op het financieel toezicht

De Wet op het financieel toezicht (Wft) kent een eigen regime voor de openbaarheid van gegevens. Daarnaast zijn de toezichthouders op grond van deze wet, de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) in artikel 1, onderdeel c respectievelijk onderdeel b, Besluit bestuursorganen WNo en Wob van de werking van de Wob uitgezonderd, onder meer voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet op het financieel toezicht.

In Afdeling 1.5.1 onder het kopje Geheimhoudingsplicht en uitzonderingen dienaangaande is in artikel 1:89 lid 1 Wft een geheimhoudingsregeling opgenomen. De geheimhoudingsregeling richt zich tot eenieder, inclusief de toezichthouders. Vervolgens bevatten de artikelen 1:89 lid 2-1:93b Wft voor de toezichthouders geldende uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 1:89 Wft (in het voorstel van wet artikel 1:72, zie: Kamerstukken II 2003/04, 29 708, nr. 3, p. 46 e.v.) blijkt dat de geheimhouding volgt uit diverse Europese financiële toezichtrichtlijnen. In Afdeling 1.5.2 zijn de publicatiemogelijkheden van de toezichthouders opgenomen (artikelen 1:94-1:101 Wft). Deze openbaarmakingen dienen ter waarschuwing van het publiek en kennen daarom andere criteria dan de artikelen 8 en 10 van de Wob. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 417 e.v. Artikel 1:42 van de Wet op het financieel toezicht heeft betrekking op informatie die de minister van Financiën of diens gemachtigde bij een toezichthouder kan opvragen. Voor zover deze informatie vertrouwelijk is, geldt een geheimhoudingsplicht. In artikel 1:42, zevende lid, is onder meer de Wob buiten toepassing verklaard ten aanzien van informatie die de minister of diens gemachtigde met toepassing van artikel 1:42, zevende lid, onder zich heeft. In artikel 1:93c is artikel 1:42, zevende lid, van overeenkomstige toepassing verklaard op informatie van de Nederlandsche Bank uit eigen beweging aan de Minister verstrekt.

C.5.29: Wet op het onderwijstoezicht

Bij uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:224, heeft de Afdeling bepaald dat de persoonsgegevens uit het Basisregister Onderwijs (BRON) op grond van de hierop betrekking hebbende regeling in de Wet op het onderwijstoezicht als bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter moet worden gekwalificeerd. Deze uitzondering is eveneens van toepassing op geanonimiseerde persoonsgegevens, omdat personen op basis van deze gegevens mogelijk toch kunnen worden geïdentificeerd. Het BRON is geregeld in de artikelen 24b tot en met 24g van de Wot. Aangenomen mag worden dat de uitspraak van de Afdeling dezelfde betekenis heeft voor persoonsgegevens uit het meldingsregister relatief verzuim (artikelen 24h tot en met 24k1 Wot), het register vrijstellingen en vervangende leerplicht (artikelen 24k2 tot en met 24k5 Wot) en het diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, NT2 en inburgering (artikelen 24l tot en met 24u Wot). 

C.5.30: Wet op het notarisambt

Het door de als bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter aangemerkte artikel 8 van de Advocatenwet is blijkens de parlementaire stukken van die bepaling (Kamerstukken II 2010/11, 32 382, nr. 8) ontleend aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit artikel, zowel voor het openbare deel van het register voor het notariaat als het niet-openbare deel eveneens als een uitputtende regeling moet worden aangemerkt.

C.5.31:  Wet personenvervoer 2000

Artikel 46, derde lid, Wet personenvervoer regelt dat gegevens over de verlening van een vervoersconcessie openbaar kunnen worden gemaakt in het programma van eisen, voor zover het belang van openbaarmaking opweegt tegen het belang van het voorkomen van een onevenredige benadeling van de concessiehouder. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard.

C.5.32:   Wet politiegegevens

Met ingang van 1 januari 2008 is de Wet politiegegevens in werking getreden. De wet vervangt de Wet politieregisters, die in de jurisprudentie was aangemerkt als een uitputtende openbaarheidsregeling. De Wet politiegegevens is opgezet als een uitputtende regeling voor de verwerking van persoonsgegevens door de politie, zodat de Wet bescherming persoonsgegevens niet van toepassing is.

Artikel 3 van de Wet politiegegevens bevat een uitputtende bepaling met betrekking tot de verwerking van politiegegevens. In artikel 3, derde lid, van de Wet politiegegevens is bepaald dat verwerking van politiegegevens voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verkregen, slechts is toegestaan voor zover de Wet politiegegevens dat toestaat. Daarmee is verstrekking van politiegegevens op grond van een andere wet (zoals de Wob) niet toegestaan. Artikel 3 van de Wet politiegegevens dient te worden aangemerkt als een uitputtende regeling inzake openbaarheid en geheimhouding, die als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob. Artikel 3 is een lex specialis van de Wob. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling over de verhouding van de Wob en de bijzondere openbaarheidsregelingen is de Wob uitsluitend van toepassing op de gevraagde informatie voor zover die geen politiegegevens inhoudt. De Afdeling toetst Wob-verzoeken voor zover ze betrekking hebben op politiegegevens uitsluitend aan de Wet politiegegevens.3 ABRvS, 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5104: voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens.

De Rechtbank Zwolle is van oordeel dat de Wob van toepassing is op de documenten waarin de gegevens zijn opgenomen waarop de Wet politiegegevens van toepassing is. Het verstrekkingenregime van de Wpolg is uitsluitend van toepassing op persoonsgegevens en – anders dan de Wob – niet op de documenten waarin ze zijn vervat. De omstandigheid dat een document persoonsgegevens bevat brengt niet met zich dat het gehele document als zodanig onder de werking van de Wpolg valt, ook voor zover dit document andere dan persoonsgegevens in voormelde zin bevat. Nu de niet aan eiser verstrekte documenten waar de rechtbank kennis van heeft genomen naast persoonsgegevens ook gegevens bevatten van feitelijke aard die niet zonder meer tot bepaalde personen zijn te herleiden, heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de Wob niet van toepassing is op deze documenten. Bovendien is de rechtbank niet gebleken waarom de gegevens waar eiser om heeft verzocht niet geanonimiseerd kunnen worden.4

C.5.33:  Wet toezicht accountantsorganisaties

Artikel 43 van de Wet toezicht accountantsorganisaties komt sterkt overeen met artikel 1:42 van de Wet op het financieel toezicht. Ook hier is onder meer de Wob niet van toepassing op de informatie die de minister van Financiën of diens gemachtigde op grond van dit artikel heeft opgevraagd bij de Autoriteit Financiële Markten.

C.5.34:  Wet veiligheidsregio’s

Artikel 49 Wet veiligheidsregio’s komt overeen met het bij de invoering op 1 oktober 2010 vervallen artikel 10c Wet rampen en zware ongevallen. In artikel 49 wordt de voorlichting aan het publiek bij rampen en zware ongevallen verzekerd door expliciete beperking van de toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 10 lid 2 Wob. Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 117, nr. 3, p. 81-82.

C.5.35:  Wetboek van Strafvordering, artikel 365

ABRvS, 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5104: De rechtbank heeft, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010, met juistheid overwogen dat artikel 365 van het WvSv een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking bevat, die aan de Wob derogeert. Artikel 365 van het WvSv geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt.

ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0488: de Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de korpsbeheerder geen beroep kan doen op artikel 365 van het WvSv omdat die bepaling zich uitsluitend richt tot de rechtbank. In de door hem genoemde andere artikelen van het WvSv, waarin het openbaar ministerie wordt genoemd als verstrekker van informatie, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel, omdat deze artikelen geen betrekking hebben op zaken die leiden tot een vervolging dan wel omdat ze uitsluitend voorzien in de verstrekking van informatie aan de verdachte of zijn raadman. Een interpretatie van dit artikel zoals [appellant] voorstaat, zou met zich brengen dat tegen de strekking van artikel 365 van het WvSv in via de korpsbeheerder stukken behorende tot het strafdossier zouden kunnen worden verstrekt aan derden. Dat de regeling in artikel 39b, eerste lid, van de Wjsg geen aan de Wob derogerende regeling is, doet geen afbreuk aan het uitputtende karakter van de regeling in artikel 365 van het WvSv inzake de verstrekking van de stukken waarop ze betrekking heeft.

C.6: Inspanningsverplichting kwaliteit verstrekte informatie

Het tweede lid is ingevoerd per 8 juli 2005 als onderdeel van de Implementatiewet EG-richtlijnen eerste en tweede pijler Verdrag van Aarhus en strekt tot implementatie van artikel 8 lid 1 van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad, waarin eisen zijn neergelegd ten aanzien van de kwaliteit van informatie. De werking is echter niet beperkt tot milieu-informatie, omdat dat zou kunnen leiden tot ongewenste a-contratioredeneringen.

De bepaling legt aan bestuursorganen een inspanningsverplichting op bij de vergaring van informatie een bepaalde kwaliteit te waarborgen in het kader van een goede uitoefening van de publieke taak.

Uit de inspanningsverplichting vloeit geen bewerkingsverplichting voort. De Wob geeft op grond van artikel 3 lid 1 van de Wob slechts recht op in documenten neergelegde informatie. De invoering van artikel 2 lid 2 brengt hierin geen verandering.

De bepaling betreffende vergelijkbaarheid moet worden gezien als een inspanningverplichting om informatie in een voor de burger toegankelijke vorm te verstrekken. Te denken valt aan een vergelijkbare wijze van rubricering van informatie binnen een bepaalde overheidslaag, alsook het koppelen van een abstract milieurisico aan concrete, bij de beleving van de burger aansluitende, risico’s. Met name op deze laatste wijze kan de betrokkenheid van de burger bij het overheidsbeleid verder worden vergroot. Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 877, nr. 3, p. 5.

1
Kamerstukken II 2002/03, 28 634 (R 1727), nr. 3.
2
ECLI:NL:RVS:2009:BK7488.
3
Zie uitspraak van 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8578.
4
Uitspraak 17 maart 2009, ECLI:NL:RBZLY:2009:BH6275.

D: Jurisprudentie uitgebreid

ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:181;

“De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op een verzoek om kennisneming van gegevens die bij de AIVD berusten de Wiv van toepassing is (en niet slechts op gegevens die bij de AIVD berusten ter uitvoering van haar taak, zoals appelanten betoogden, Red). Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wiv wordt onder het verwerken van gegevens onder meer het bewaren ervan verstaan. Ingevolge artikel 45 van de Wiv kan van de gegevens, verwerkt door of ten behoeve van een dienst, slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 van die wet. Die bepaling ziet op alle gegevens die door of ten behoeve van de AIVD worden verwerkt, ongeacht ter uitvoering van welke taak dat gebeurt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 april 2008 in zaak nr. 200705930/1), is met artikel 45 van de Wiv blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1997-1998, 25 877, nr. 3, blz. 63) bedoeld dat de Wob niet van toepassing is in geval wordt verzocht om de verstrekking van gegevens, verwerkt door of ten behoeve van een dienst. Daarnaast valt uit de Memorie van Toelichting (blz. 64) af te leiden dat de persoonsgegevens die bij de AIVD worden verwerkt niet het karakter hebben van een persoonsregistratie, als bedoeld in de Wbp, zodat die wet op persoonsgegevens die worden verwerkt door of ten behoeve van een dienst niet van toepassing is.”

ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1054, AB 2010, 166 (m.nt. Stolk), «JB» 2010/135 (m.nt. Bots)

; de Afdeling bevestigde dat niet bij algemene maatregel van bestuur (i.c. het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten) van de Wob kan worden afgeweken, zelfs niet als de algemene maatregel van bestuur strekt tot implementatie van een Europese richtlijn.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Wet openbaarheid van bestuur artikel 2.

F: Literatuurverwijzing

Bij dit artikel is nog geen belangrijke literatuur aanwezig.

Verder lezen
Terug naar overzicht