Commentaar op Wetboek van Strafrecht art. 74 (Eindonderzoek), (Strafrecht) en (Strafvordering)


Commentaar is bijgewerkt tot 17-04-2017 door mr. T. de Vette en mr. E.M. Gremmen

Artikel 74 Tekst van de hele regeling

1.

De officier van justitie kan voor de aanvang van de
terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter
voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met
uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving
gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens
overtreding. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het
recht tot strafvordering.

2.

De volgende voorwaarden kunnen worden gesteld:

  1. betaling aan de staat van een geldsom, te bepalen op
    ten minste € 3 en ten hoogste het maximum van de
    geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;

  2. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en
    vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking
    aan het verkeer;

  3. uitlevering, of voldoening aan de staat van de
    geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn
    voor verbeurdverklaring;

  4. voldoening aan de staat van een geldbedrag of overdracht
    van inbeslaggenomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het
    ingevolge artikel 36e voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen
    voordeel;

  5. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het
    strafbare feit veroorzaakte schade;

  6. het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen
    van een leerproject gedurende ten hoogste
    honderdtwintig uren.

3.

De officier van justitie doet in geval van misdrijf aan de rechtstreeks
belanghebbende die hem bekend is, onverwijld
schriftelijk mededeling van de datum waarop hij die voorwaarden heeft gesteld.

4.

Op de in het tweede lid, onder f, bedoelde voorwaarde is het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 22b, 22c, eerste en vierde
lid
, 22e en
22k met betrekking
tot taakstraffen, van overeenkomstige toepassing. De
onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen een
termijn van zes maanden na instemming met de voorwaarde
voltooid. Het openbaar ministerie kan deze termijn eenmaal
met zes maanden verlengen. Het zendt hiervan zo spoedig
mogelijk een kennisgeving aan de betrokkene.

5.
Nadere regels

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent de nakoming van de voorwaarde,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Deze voorschriften
hebben in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van
betaling van de geldsom, de termijn waarbinnen die betaling
moet zijn geschied en de verantwoording van de ontvangen
geldbedragen. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de
nakoming van de overige in het tweede lid bedoelde voorwaarden.

A: Inleiding

In Boek I, titel VIII: ‘Verval van het recht tot strafvordering en van de straf’, zijn bepalingen opgenomen die het Openbaar Ministerie en opsporingsambtenaren de bevoegdheid geven zaken buitengerechtelijk af te doen door een transactie aan te bieden. Het transactieaanbod is een aanbod tot voorkoming van vervolging. Door te voldoen aan de transactievoorwaarden komt het recht tot strafvervolging te vervallen. Transactiebepalingen zijn sinds de 19e eeuw in de Wetboeken van Strafvordering en Strafrecht te vinden. Door de inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening 1 zullen de transactiebepalingen uiteindelijk komen te vervallen. Deze wet treedt gefaseerd in werking, zodat de transactie en de strafbeschikking nog enige tijd naast elkaar zullen blijven bestaan. Artikel 74 Sr regelt de bevoegdheid voor de officier van justitie transacties aan te bieden. In het artikel zijn ook begrenzingen aan die bevoegdheid opgenomen. Daarnaast zijn de voorwaarden die kunnen worden gesteld limitatief opgesomd en worden nadere voorschriften voor het opleggen van die voorwaarden gegeven. Ook is een mededelingsverplichting aan rechtstreeks belanghebbenden opgenomen.

Met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, die ertoe strekt de huidige wetgeving rondom de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te herzien (
Stb. 2017, 82
), zal artikel 74 aangepast worden. Zie hierna in onderdeel C.7.

1

Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten,
Stb. 2006, 330
.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij
Artikel 74.

C: Kernproblematiek

C.1: Wetsgeschiedenis en algemene bepalingen

Een bepaling met de strekking van het huidige artikel 74 Sr is sinds 1921 in het Wetboek van Strafrecht te vinden.2 Voor die tijd bestond reeds de mogelijkheid van submissie (artikel 74a Sr). In 1983 is artikel 74 Sr ingrijpend uitgebreid door de Wet vermogenssancties.3 De transactie is een door het Openbaar Ministerie zeer vaak gebruikt instrument. Definitie van de transactie is ‘in formeel opzicht een publiekrechtelijke overeenkomst die door het afleggen van twee eenzijdige rechtshandelingen (het aanbod en de acceptatie) tot stand komt’.4

C.1.1: De Wet OM-afdoening

Door de Wet OM-afdoening zullen de transactiebepalingen uiteindelijk komen te vervallen en wordt de transactie geheel omgevormd in de strafbeschikking. Deze wet is op 1 februari 2008 in werking getreden, maar bij Koninklijk Besluit is bepaald dat artikel II, onderdelen O tot en met R, nog niet geheel in werking treedt; dit zijn de artikelen die alle transactiebepalingen laten vervallen.5 De wet treedt gefaseerd in werking, zodat de transactie en de strafbeschikking nog enige tijd naast elkaar blijven bestaan. In de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen,6 is opgenomen voor welke feiten nog een transactie kan worden aangeboden.

Wanneer de transactie geheel zal komen te vervallen, wordt bij Koninklijk Besluit bekendgemaakt. Voor de laatste stand van zaken met betrekking tot de gefaseerde inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening wordt verwezen naar de Aanwijzing OM-strafbeschikking van het College van procureurs-generaal.7 Een uitgebreid overzicht van de verschillen en overeenkomsten tussen de transactie en de strafbeschikking is te vinden in Crijns (2010). Een overzicht van de verschillen tussen sancties is te vinden in Kessler en Keulen (2008). De bepalingen in artikel VIII van de Wet van 26 april 2007 tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet OM-afdoening en enige andere wetten in verband met het wegnemen van enkele technische onvolkomenheden8 en in artikel 5.1 Besluit OM-afdoening
9 regelen dat bepalingen die door de Wet OM-afdoening zijn gewijzigd of vervallen, blijven gelden voor transacties die zijn of nog na inwerkingtreding worden aangeboden.10

C.1.2: Vrijwilligheid/Consensualiteit

Een belangrijk element in de transactieprocedure is de vrijwilligheid, ook wel consensualiteit genoemd. De vrijwilligheid is voor het EHRM voorwaarde om de buitengerechtelijke afdoening aan de eisen van artikel 6 EVRM te kunnen laten voldoen.11 De verdachte moet zijn keuze in vrijheid hebben kunnen maken en mag geen onredelijke druk hebben ervaren. In de literatuur wordt overigens getwijfeld aan deze vrijwilligheid: die is er in theorie, maar in de praktijk zou de verdachte weinig keuzevrijheid ervaren.12 Hij wil vaak zo snel mogelijk van de zaak af zijn en voorkomen dat hij in het openbaar terecht moet staan. Daarnaast wordt de transactie door de verdachte meestal niet als overeenkomst, maar als oplegging van een straf ervaren. Deze ervaring is door de wetgever ook als argument gebruikt voor de onderbouwing van het voornemen de transactie om te vormen in een strafbeschikking.13 Op grond van het Besluit justitiële en strafvordelijke gegevens
14 worden transacties aangeboden voor overtredingen met een geldboete onder de honderd euro, niet als justitieel gegeven aangemerkt. Transacties voor overtredingen met een hogere boete of voor misdrijven, worden wel opgenomen op de justitiële documentatie en kunnen dus in aanmerking worden genomen bij de aanvraag van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG).

C.1.3: Schulderkenning

Een verdachte die aan het transactieaanbod voldoet, erkent daarmee geen schuld. De transactieprocedure is immers gebaseerd op vrijwilligheid. Toch zal het Openbaar Ministerie bij het aanbieden van de transactie overtuigd moeten zijn van de schuld van de verdachte. De strafbeschikking die de transactie gaat vervangen, behelst wel een schulderkenning.15

C.1.4: Mandaat

Op basis van artikel 126 Wet RO kunnen bevoegdheden van de officier van justitie worden gemandateerd aan andere bij het parket werkzame ambtenaren. Het aanbieden van een transactie wordt in de praktijk dan ook door parketsecretarissen gedaan. Zie het commentaar bij artikel 257a Sv, onder C.1.3.

C.1.5: Openbaarheid

De buitengerechtelijke afdoening van strafzaken speelt zich buiten de openbaarheid af. Voor veel verdachten is dit een reden met het transactieaanbod in te stemmen, om zo niet op een openbare terechtzitting onder het oog van de aanwezigen op de publieke tribune terecht te hoeven staan. Het gebrek aan externe openbaarheid bij buitengerechtelijke procedures is niet strijdig met artikel 6 EVRM als een openbare berechting door een rechter mogelijk blijft. De procedure als geheel dient openbaar te zijn.16 Op basis van de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties 17 worden bepaalde transacties openbaar gemaakt, zie onder C.6. Door de richtlijnen van het Openbaar Ministerie is enig inzicht te krijgen in de transactiepraktijk omdat de burger zo na kan gaan welke transactie hij aangeboden kan krijgen als hij een bepaald strafbaar feit begaat.18 Verschillende schrijvers vinden de onzichtbaarheid van de buitengerechtelijke afdoening een onwenselijke situatie. 19 Wettelijk gezien is voor de openbaarmaking van transacties niets geregeld. Voor de strafbeschikking, die de transactie uiteindelijk zal gaan vervangen, bepaalt artikel 257h Sv dat anderen dan de verdachte of zijn raadsman bij de officier van justitie om een afschrift kunnen verzoeken. Daarnaast vereist de wet dat een algemene maatregel van bestuur wordt opgesteld, waarin wordt opgenomen welke strafbeschikkingen actief openbaar moeten worden gemaakt.

C.2: Begrenzing bevoegdheid

In artikel 74 lid 1 Sr is de bevoegdheidsbepaling voor de officier van justitie opgenomen. Aan die bevoegdheid zijn grenzen gesteld, die hieronder afzonderlijk worden toegelicht.

C.2.1: Termijnen

De officier van justitie mag conform lid 1 zijn transactieaanbod doen tot aanvang van de terechtzitting. In de praktijk zal de officier van justitie zijn aanbod ruim voor de terechtzitting doen, omdat hij door het aanbieden van een transactie juist de gang naar de rechter zal willen voorkomen. Op basis van HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 27 kan gesteld worden dat het aanbod voor de terechtzitting moet zijn gedaan, maar omtrent het voldoen aan de voorwaarden kan de termijn ook na de zitting doorlopen.20

C.2.2: Feiten

Sinds de inwerkingtreding van de Wet vermogenssancties is een transactieaanbod mogelijk voor alle overtredingen en voor misdrijven waarop een maximale strafbedreiging van zes jaar staat. De Commissie Vermogenssancties 21 stelde aanvankelijk voor de bevoegdheid open te stellen voor alle misdrijven, maar de minister wilde niet dat de transactie zou worden ingezet bij zaken waarvoor de rechter een vrijheidsstraf op zou gaan leggen.22 De zesjaarsgrens is gebaseerd op de Wet op de economische delicten (WED), waarin de hoogste strafbedreiging destijds zes jaar bedroeg. Deze grens is in de literatuur als ‘arbitrair’ bestempeld en het feit dat deze voor de strafbeschikking in de Wet OM-afdoening is overgenomen, heeft ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet voor vragen gezorgd.23 In de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen,24 is opgenomen voor welke feiten in de praktijk door het Openbaar Ministerie nog een transactie mag worden  aangeboden.

C.2.3: Verval van recht tot strafvordering

Artikel 74 lid 1 Sr bepaalt dat het voldoen aan de voorwaarden het recht tot strafvervolging doet vervallen. Het stellen van voorwaarden als bedoeld in artikel 74 Sr is geen daad van vervolging als bedoeld in artikel 72 Sr, zodat de verjaring hierdoor niet wordt gestuit (HR 19 november 1991, NJ 1992, 65). De HR heeft echter wel geoordeeld dat de voorwaarden die bij transactie kunnen worden vastgesteld, sancties zijn die gelijk kunnen worden gesteld met de sanctie die de rechter oplegt (HR 17 december 1963, NJ 1964, 385 (Joyriding II)).

C.3: Voorwaarden, algemeen

De voorwaarden gesteld in artikel 74 lid 2 Sr zijn limitatief.25 In de praktijk worden de voorwaarden taakstraf en geldboete het meeste gehanteerd.

C.3.1: Geldsom

De meest gehanteerde transactievoorwaarde is de geldsom. De grenzen aan de hoogte van de geldboete uit artikel 23 Sr zijn van overeenkomstige toepassing. Doordat de maximumboete mag worden aangeboden en de transactiebepalingen gelden voor misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf is gesteld, kan een transactieaanbod zeer hoge boetes bevatten. Bij het aanbieden moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de verdachte (artikel 24 Sr). Ook artikel 24a Sr, dat ziet op betalingsregelingen, is op de transactie van overeenkomstige toepassing verklaard. In de praktijk worden veel geldsomtransacties door het CJIB verstuurd. In principe treft het CJIB zelf geen betalingsregelingen, aldus de Aanwijzing executie.26 Als de zaak door het Openbaar Ministerie of de rechter naar het CJIB is gestuurd met mededeling van een afgesproken betalingsregeling, wordt deze als zodanig geëxecuteerd. Voor de in de praktijk veel gehanteerde automatische betaling is HR 8 maart 1977, NJ 1987, 228 van belang. Hierin is bepaald dat voor het vaststellen of op tijd is betaald de ontvangsttheorie wordt gehanteerd. Niet het moment waarop de verdachte een opdracht tot overboeking gaf, maar het moment waarop het bedrag op de rekening van het CJIB is bijgeschreven, is bepalend.27

C.3.2: Afstand voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking

Om welke voorwerpen het gaat, blijkt uit de artikelen 33a, 33c en 36c Sr. Deze voorwaarde is overgenomen in de regeling van de strafbeschikking, maar is daar opgenomen als aanwijzing (artikel 257a lid 3 onderdeel a Sv). Daarnaast is de onttrekking aan het verkeer als zelfstandige sanctie opgenomen (257a lid 1 onderdeel c Sv).

C.3.3: Uitlevering voorwerpen verbeurdverklaring

Bij deze voorwaarde gaat het nadrukkelijk om voorwerpen die niet in beslag zijn genomen. Deze bepaling is afgeleid van die uit artikel 34 Sr. Net als de rechter zal de officier van justitie het bedrag moeten schatten en kan hij alleen een van de twee mogelijkheden aanbieden.28 Voor de strafbeschikking is deze voorwaarde in de vorm van een aanwijzing opgenomen (artikel 257a lid 2 onderdeel b Sv).

C.3.4: Ontneming

Deze voorwaarde is in 1983, gelijk met de invoering van de ontnemingsmaatregel uit artikel 36e Sr, als transactievoorwaarde in artikel 74 Sr opgenomen. Deze voorwaarde moet worden onderscheiden van de ontnemingsschikking uit artikel 511c Sv. Die schikking voorkomt de vervolging namelijk niet, maar komt in plaats van de ontneming wanneer de hoofdzaak wel wordt vervolgd.29 Bij de strafbeschikking is de ontnemingsvoorwaarde als aanwijzing opgenomen (artikel 257 lid 2 onderdeel c Sv).

C.3.5: Schadevergoeding

In de Aanwijzing slachtofferzorg30 van het College van procureurs-generaal is bepaald dat zo veel mogelijk dient te worden gestreefd naar het tot stand brengen van een schaderegeling tussen verdachte(n) en slachtoffer(s), bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium van het strafproces in ruime zin. Daarnaast stelt de Aanwijzing slachtofferzorg dat wanneer besloten wordt de verdachte een (taakstraf)transactie aan te bieden, daarbij zo veel mogelijk rekening moet worden gehouden met de belangen van het slachtoffer en zo nodig vergoeding van de schade als bijkomende voorwaarde bij het transactieaanbod moet worden gesteld. Hieruit is onder meer op te maken dat wanneer de schade is geregeld, korting plaatsvindt op de te stellen voorwaarde. In een strafbeschikking kan een schadevergoedingsmaatregel gebaseerd op artikel 36f Sr worden opgelegd. Hierdoor kan de schade worden geïnd zonder medewerking van de verdachte; het CJIB kan dwangmiddelen toepassen om het geld bij de verdachte te innen (artikel 257a lid 1 onderdeel d Sv).

C.3.6: Taak- en leerstraf

Sinds 1 februari 2001 is de voorwaarde tot het verrichten van een taak- dan wel leerstraf in artikel 74 Sr opgenomen.31 Aan de verdachte kan maximaal 120 uur een taak- of leerstraf worden aangeboden. Deze voorwaarden worden meestal aangeboden op zittingen gevormd naar het officiersmodel, binnen het Openbaar Ministerie over het algemeen aangeduid als TOM-zittingen. In de Aanwijzing Taakstraffen van het College van procureurs-generaal zijn bepalingen opgenomen betreffende – onder andere – het aanbieden van transacties inhoudende een taak- of leerstraf.32 Artikel 74 lid 4 Sr bepaalde dat de bepalingen omtrent de inhoud en de tenuitvoerlegging van taakstraffen, opgenomen in de artikelen 22c lid 1 en 4 Sr, 22e Sr en 22k Sr, ook op de taakstraftransactie van toepassing zijn. Door de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven,
Stb. 2012, 1
, is een nieuw artikel 22b Sr in het leven geroepen, dat nadere bepalingen stelt over het soort delicten waarvoor een taakstraf mag worden aangeboden. Hiertoe is het vierde lid van artikel 74 Sr gewijzigd door het toevoegen van een verwijzing naar het nieuwe artikel 22b Sr. De taakstraf (of het leerproject) die als transactievoorwaarde wordt aangeboden, dient binnen zes maanden voltooid te zijn. De officier van justitie kan deze termijn eenmalig met zes maanden verlengen, aldus lid 4. Door de Wet OM-afdoening is het mogelijk in een strafbeschikking 180 uur taakstraf op te leggen. Deze is in artikel 257a lid 1 onderdeel a Sv opgenomen als straf. Op basis van artikel 77f Sr kan aan minderjarigen bij strafbeschikking zestig uur taakstraf worden opgelegd, bij transactie kan veertig uur taakstraf worden aangeboden.

C.4: Mededeling rechtstreeks belanghebbende

Artikel 74 lid 3 Sr bevat een mededelingsplicht aan de rechtstreeks belanghebbende. Op basis hiervan is de officier van justitie verplicht de hem bekende rechtstreeks belanghebbende bij een misdrijf, schriftelijk op de hoogte te stellen van het feit dat hij een transactie heeft aangeboden. Dit is in de wet opgenomen om te verzekeren dat het klachtrecht van de rechtstreeks belanghebbende uit artikel 12k Sv niet verloren gaat.33 De termijn voor het doen van beklag is in dat artikel gesteld op drie maanden na de datum waarop de rechtstreeks belanghebbende met het transactieaanbod bekend is geworden. Een rechtstreeks belanghebbende bij een overtreding kan op basis van artikel 12k Sv eveneens beklag doen, maar een mededelingsplicht in het geval van een transactieaanbod voor overtredingen is niet in artikel 74 Sr opgenomen. De vrees bestond dat een dergelijke uitbreiding een te grote werklastverzwaring zou veroorzaken.34

C.5: Algemene maatregel van bestuur

Artikel 74 lid 5 Sr bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur verdere voorschriften worden gesteld met betrekking tot nakoming van de transactievoorwaarde inhoudende een geldsom. Het Transactiebesluit 1994 zal uiteindelijk geheel vervangen gaan worden door het Besluit OM-afdoening; op dit moment is het nog gedeeltelijk van kracht.35 Het Transactiebesluit Milieudelicten is sinds 1 mei 2012 vervallen vanwege de inwerkingtreding van de bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten. Hierin is artikel 15a Transactiebesluit 1994 opgenomen, dat regels stelt over het innen van gelden door het CJIB voor OM-transacties. Artikel 74 lid 5 Sr bepaalt eveneens dat voor de andere voorwaarden een algemene maatregel van bestuur kan worden opgesteld, maar deze is niet tot stand gekomen.

C.6: Richtlijnen Openbaar Ministerie

De transactiebevoegdheid van artikel 74 Sr is sterk genormeerd door richtlijnen. In de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen,36 is het beleid voor het aanbieden van OM-transacties opgenomen en wordt in de bijlage verwezen naar de Tekstenbundel. Daarnaast zijn in andere richtlijnen voor strafvordering algemene uitgangspunten opgenomen voor het bepalen van de strafeis of de hoogte van het transactieaanbod voor bepaalde misdrijven en over het aanbieden van OM-transacties terug te vinden.37 In verschillende arresten is de vraag aan de orde geweest of het Openbaar Ministerie verplicht is zich aan de eigen strafvorderingsrichtlijnen te houden. In onder meer HR 31 oktober 2006,
NbSr 2006/478

38 is bepaald dat een verzuim niet volgens de geldende richtlijnen een transactie aan te bieden of te dagvaarden, niet altijd tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hoeft te leiden.

C.6.1: Requireerbeleid na transactie

Wanneer in een zaak een transactieaanbod niet is nagekomen, kan ter zitting een hogere straf worden geëist, aldus de Aanwijzing Kader voor Strafvordering: ‘In geval van een niet betaalde transactie of als een taakstraftransactie niet of onvolledig is uitgevoerd dient gedagvaard te worden. De relatieve aantrekkelijkheid op een transactieaanbod in te gaan dient bij de formulering van de eis ter terechtzitting bevestigd te worden. De eis zal daartoe 20% hoger dienen te zijn dan de aangeboden transactie of – bij een gedeeltelijke uitgevoerde taakstraf – 20% hoger dan het aantal niet uitgevoerde uren.’39 Deze verhoging hoeft niet te leiden tot het oordeel dat de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie onder onrechtmatige druk tot stand is gekomen, aldus Osinga.40 De wetgever heeft tijdens de behandeling van de Wet OM-afdoening aangegeven dat ‘dit beleid onder het regime van de strafbeschikking onverkort kan worden voortgezet’.41 Zie voor een verdere uitwerking van dit standpunt Sdu Commentaar Strafvordering, artikel 257f Sv.

C.6.2: Hoge en bijzondere transacties

De Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties van het College van procureurs-generaal stelt regels voor het aanbieden van transacties met een hoge geldsom en in bijzondere zaken.42 In deze beleidsregel worden definities van dergelijke zaken gegeven. Hoge transacties zijn kortgezegd (specifieke) transacties boven de € 50.000 en een bijzondere transactie is bijvoorbeeld een transactie in een zaak die grote maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt. Ook wordt de procedure voor het aanbieden daarvan beschreven, waarbij een belangrijk element is dat in beginsel het uitbrengen van een persbericht noodzakelijk is. In HR 13 mei 2005, NJ 2005, 41443 is bepaald dat dit persbericht geen voorwaarde oplevert als bedoeld in artikel 74 lid 2 Sr. Met de inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening is in artikel 257h Sv bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën strafbeschikkingen kunnen worden aangewezen die volgens de in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen regels actief openbaar moeten worden gemaakt.

C.7: Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen

Na de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (
Stb. 2017, 82
) wordt artikel 74 als volgt gewijzigd: onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

'4. Artikel 6:1:1 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het eerste lid gestelde voorwaarden.'

Lid 5 (nieuw) komt als volgt te luiden:

'5. Op de in het tweede lid, onder f, bedoelde voorwaarde is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 22b, 22c, eerste lid, en de artikelen 6:1:9, 6:3:1, tweede lid, en 6:3:6 van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot taakstraffen, van overeenkomstige toepassing. Bij het verrichten van de onbetaalde arbeid of het leerproject wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen een termijn van negen maanden na instemming met de voorwaarde voltooid.'

Ter toelichting44: Met de nieuwe Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen komt de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen bij de Minister van Veiligheid en Justitie te liggen (voorgesteld artikel 6:1:1 Sv). In dat kader is hij ook verantwoordelijk voor de inning van transactiebedragen en voor de uitvoering van de andere transactievoorwaarden die door het Openbaar Ministerie kunnen worden gesteld ter voorkoming van strafvervolging (artikel 74 Sr). Deze verantwoordelijkheid voor de transactie wordt nu expliciet geregeld in artikel 74 lid 4 Sr.

Het nieuwe lid 5 strekt tot correctie voor de verplaatsing van de desbetreffende bepalingen naar Boek 6 Sv. Bij de Wet adolescentenstrafrecht (Stb. 2013, 485) was de termijn voor leerprojecten verlengd van zes naar negen maanden. Dit heeft ook zijn doorwerking gehad in dit wetsvoorstel.

2

In artikel 74c Sr was de transactiebevoegdheid voor opsporingsambtenaren opgenomen, ook de militaire transactie viel hieronder. Deze is sinds 1 april 2013 vervallen (
Stb. 2013, 107
. Tot 1 mei 2012 was in artikel 37 WED de economische transactie opgenomen. Deze is echter bij inwerkingtreding van de bestuurlijke strafbeschikking vervallen (Besluit van 24 april 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, en artikel VI van de Wet OM-afdoening, en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 5 april 2012, houdende wijziging van het Besluit OM-afdoening en enkele andere besluiten in verband met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking (
Stb. 2012, 150
) Tot 1 juli 2011 was eveneens in artikel 76 AWR een transactiebepaling opgenomen, deze is echter door de in 2008 in werking getreden Wet OM-afdoening gewijzigd in een strafbeschikking. Zie Besluit van 20 juni 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen IV en X van de Wet OM-afdoening,
Stb. 2011, 308
. Volgens verschillende schrijvers valt de bevoegdheid een transactie voor een fiscaal delict aan te bieden nu toe aan het Openbaar Ministerie, zie onder andere Lammers (2010) en Rosing (2010).

3

Wet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153.

4

Osinga (1992), p. 199.

5


Stb. 2008, 4
.

6

Te vinden via www.om.nl.

7

Te vinden via www.om.nl.

8


Stb. 2007, 160
.

9


Stb. 2007, 255
, laatstelijk gewijzigd bij
Stb. 2015, 500

10

Kessler en Keulen (2008).

11

Zie onder meer EHRM 27 februari 1980, ECHR, Series A, vol. 35, NJ 1980, 561 (Deweer).

12

Zie onder andere Kelk (2004), p. 97, Crijns (2002), p. 39 en Groenhuijsen en Simmelink (2005), p. 172-173.

13

Kamerstukken II
2004/05, 29849, nr. 3, p. 2 (MvT).

14


Stb. 2004, 130
, laatstelijk gewijzigd bij
Stb. 2015, 223
.

15

Zie artikel 257h lid 1 Sv, Kamerstukken II
2004/05, 29849, nr. 23, p. 1-2 en Kamerstukken II
2004/05, 29 849, nr. 17, p. 42.

16

Hartmann 2002 en Kamerstukken I
2005/06, 29849, C, p. 32.

17

Te vinden via www.om.nl.

18

Crijns (2002), p. 39.

19

Crijns (2002), Kelk 2002, Malsch (2005), Noyon e.a., aant. 5 bij artikel 74 Sr.

20

Zie Noyon e.a., aant. 5 bij artikel 74 Sr.

21

Ingesteld bij Besluit van de Minister van Justitie d.d. 9 mei 1966. Het interimrapport van de Commissie verscheen in 1969, het eindrapport in 1972.

22

Van den Biggelaar (1994), p. 81.

23

Zie onder andere Van den Biggelaar (1994), p. 81-82 en Crijns (2006), p. 66-67.

24

Te vinden via www.om.nl.

25

Osinga (1992), p. 225.

26

Te vinden via www.om.nl.

27

Osinga (1992), p. 188.

28

Noyon e.a., aant. 7 bij artikel 74 Sr.

29

Kelk (2004), p. 110 en Noyon e.a., aant. 7 bij artikel 74 Sr.

30

2010A029,
Stcrt. 2010, 20476
, eveneens te vinden via www.om.nl.

31

Wet taakstraffen van 7 september 2000,
Stb. 2000, 365
.

32

Te vinden via www.om.nl.

33

Zie ook Sdu Commentaar Strafrecht, artikel 74b Sr, onder C.2.

34

Noyon e.a., aant. 9 bij artikel 74 Sr en Kamerstukken II
1998/99, 26436, nr. 3, p. 9.

35


Stb. 2007, 255
, laatstelijk gewijzigd bij
Stb. 2013, 107
.

36

Te vinden via www.om.nl.

37

De verschillende richtlijnen voor strafvordering zijn te vinden via www.om.nl.

38

HR 31 oktober 2006,
NbSr 2006/478
, RvdW 2006, 1048, JOL 2006, 656, ECLI:NL:HR:2006:AY0107.

39

Te vinden via www.om.nl.

40

Osinga (1992), p. 214.

41

Kamerstukken II
2004/05, 29849, nr. 3, p. 42 (MvT).

42

Te vinden via www.om.nl.

43

HR 13 mei 2005, NJ 2005, 414 (m.nt. JR), RvdW 2005, 73, JOL 2005, 292, ECLI:NL:HR:2005:AS4179.

44

Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3 (MvT).

D: Jurisprudentie uitgebreid

EHRM 24 november 1993, ECHR, Series A, vol. 275, NJ 1994, 459 (m.nt. Kn), ECLI:NL:PHR:2012:BU8773 (Imbroscia);

de procedure van buitengerechtelijke afdoening moet uit zichzelf ook aan de voorwaarden van artikel 6 EVRM voldoen.

EHRM 21 februari 1984, ECHR, Series A, vol. 73, NJ 1988, 937 (m.nt. EAA), ECLI:NL:PHR:2012:BW5166 (Özturk), EHRM 25 augustus 1987, ECHR, Series A, vol. 123, NJ 1988, 938 (m.nt. EAA), ECLI:NL:XX:1987:AC9955 (Lutz) en EHRM 24 februari 1994, ECHR, Series A, vol. 284, NJ 1994, 496 (m.nt. EAA), ECLI:NL:PHR:2013:BY2814 (Bendenoun);

buitengerechtelijke afdoening is in overeenstemming met artikel 6 EVRM, mits de verdachte de mogelijkheid behoudt een beroep op de rechter te doen.

HvJ EG 11 februari 2003, zaak C-18/01 en zaak C-385/01, «EHCR» 2003/30 (m.nt. Mols), NbSr 2003/92, ECLI:NL:XX:2003:AF7599;

het ne bis in idem-beginsel is mede toepasselijk op procedures tot beëindiging van strafvervolging waarbij het Openbaar Ministerie zonder rechterlijke tussenkomst een einde maakt aan een strafprocedure, nadat de verdachte heeft voldaan aan bepaalde voorwaarden – met name een door het Openbaar Ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald.

HR 15 november 2005, NbSr 2005/474, ECLI:NL:HR:2005:AU9450;

het verzuim om in strijd met de geldende richtlijnen geen transactie aan te bieden, maar te dagvaarden, leidt niet in alle gevallen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

HR 13 mei 2005, NJ 2005, 414, m.nt. Riphagen, JOL 2005, 292, RvdW 2005, 73, ECLI:NL:HR:2005:AS4179;

het persbericht dat over het algemeen door het Openbaar Ministerie wordt opgesteld wanneer een hoge of bijzondere transactie wordt aangeboden, levert geen voorwaarde op als bedoeld in artikel 74 lid 2 Sr.

HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 65, NbSr 2002/271, JOL 2002, 537, VR 2002, 196, ECLI:NL:HR:2002:AE3565;

het Openbaar Ministerie mag in afwijking van de vervolgingsrichtlijn een transactieaanbod achterwege laten en overgaan tot dagvaarden, indien zich naar zijn oordeel omstandigheden voordoen op grond waarvan niettemin gedagvaard behoort te worden.

HR 19 november 1991, NJ 1992, 265 (m.nt. ThWvV), ECLI:NL:PHR:2012:BW1361;

het door de officier op basis van artikel 74 Sr stellen van een of meer voorwaarden ter voorkoming van vervolging, is geen daad van vervolging als bedoeld in artikel 72 Sr.

HR 3 oktober 1972, NJ 1973, 18, VR 1973,1 (m.nt. Bredius), ECLI:NL:HR:1972:AB3640;

wanneer de officier van justitie heeft verzuimd een termijn mee te geven, kan de verdachte de zaak altijd nog door voldoening aan de transactievoorwaarden afdoen.

Hof Den Haag 2 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3275;

de bevoegdheid tot strafvervolging ter zake van het strafnaar feit waarop het transactieaanbod betrekking heeft, herleeft indien de verdachte dit aanbod niet aanvaardt (vgl. HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 65 r.o. 3.4). Voorts overweegt het hof dat nu er geen strafbeschikking is uitgevaardigd artikel 255a Wetboek van Strafvordering niet aan dagvaarden in de weg staat.

Rb. Alkmaar 4 oktober 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BX9484 (tussenvonnis);

beroep op richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen. OM zou niet-ontvankelijk zijn, omdat een strafbeschikking mogelijk was geweest. Rechtbank verwerpt het verweer; bij een vervolging wegens artikel 6 WVW 1994 is de toepassing van de Wet OM-afdoening niet ‘aangewezen’. In richtlijn niet opgenomen dat strafbeschikking in deze gevallen moet worden uitgevaardigd.

ABRvS 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1078;

uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II
2004/05, 29849, nr. 3, p. 6) blijkt dat de wetgever heeft beoogd de wettelijke bepalingen houdende de transactiebevoegdheid op het moment waarop de eerste bepalingen van de Wet OM-afdoening in werking treden, vooralsnog te handhaven. De wettelijke bepalingen waarin de verdere procedure van de transactie was neergelegd of waarin aan de transactie nadere gevolgen waren verbonden, zijn wel met ingang van 1 februari 2008 aangepast aan de wettelijke regeling inzake de strafbeschikking. Met het bepaalde in artikel XI Wet OM-afdoening heeft de wetgever voorzien in overgangsrecht. Deze bepaling strekt er blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II
2004/05, 29 849, nr. 3, p. 87) toe dat aan een transactie dezelfde rechtsgevolgen verbonden blijven en dat op deze wijze ook buiten twijfel wordt gesteld dat transacties onverkort vermeld blijven in de justitiële documentatie.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Wetboek van Strafrecht artikel 74.

F: Literatuurverwijzing

  • Biggelaar, G.J.M. van den, De buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten door het openbaar ministerie, Arnhem: Gouda Quint 1994.
  • Brants, C.H. en B. Stapert, ‘Buitengerechtelijke afdoening: discretie en macht’, in: Boone, M. e.a., Discretie in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004, p. 249-266.
  • Crijns, J.H., ‘De strafrechter buitenspel. Buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten in heden en toekomst’, Ars Aequi 2002, p. 513-521.
  • Crijns, J.H., ‘Rationaliteiten achter de Wet OM-afdoening’, in: Cleiren, C.P.M (red.), Op zoek naar samenhang: het Algemeen kader herziening strafvordering nader beschouwd, Deventer: Kluwer 2006, p. 51-70.
  • Crijns, J., ‘Efficiëntie in het kwadraat. Over de lotgevallen van de kleine strafzaak na invoering van de strafbeschikking en het verlofstelsel’, Proces 2010, p. 392-405.
  • Groenhuijsen, M.S. en J.B.H.M. Simmelink, ‘Het wetsvoorstel OM-afdoening op het grensvlak van juridische technieken strafprocessuele uitgangspunten’, in: Jordaans, A.H.E.C. (red.), Praktisch strafrecht: liber amicorum J.M. Reijntjes (Reijntjes-bundel), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 171-196.
  • Kelk, C., ‘Consensualiteit: rechtdoen in beslotenheid’, in: Beijer, A., C.H. Brants e.a., Openbare strafrechtspleging, Deventer: Kluwer 2002, p. 96-120.
  • Kessler, M. en B.F. Keulen, De strafbeschikking, Deventer: Kluwer 2011.
  • Koopmans, F.A.J. en W.C.A. Valkenburg, ‘Commentaar op artikel 74 Wetboek van Strafrecht’, in: Cleiren, C.P.M. en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar: Strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 517-522.
  • Lammers, M.H.W.N., ‘De fiscale strafbeschikking’, FTV 2010, 27.
  • Malsch, M., ‘Geregisseerde openbaarheid’, Justitiële Verkenningen, Den Haag: WODC/Boom Juridische uitgevers 2005, p. 113-127.
  • Noyon, T.J., G.E. Langemeijer en J. Remmelink, Het Wetboek van strafrecht (losbl.), Deventer: Kluwer.
  • Osinga, P., Transactie in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1992.
  • Rosing, M., ‘Wet OM-afdoening en de (fiscale) transactie: tijdsbesparing?’, Strafblad 2011, p. 48-53.
  • Wijkerslooth, J.L. de en J. Simonis, ‘Mag het strafrecht een beetje consensueel blijven?’, Trema 2002, p. 437-443.
  • Zijl, J. van, ‘Het OM beschikt tot straf’, Justitiële Verkenningen, Den Haag: WODC/Boom Juridische uitgevers 2005, p. 97-112.