Commentaar op Wetboek van Strafrecht art. 8c (Strafrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 16-05-2017 door mr. A. Verbruggen

Artikel 8c Tekst van de hele regeling

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld, indien deze vreemdeling zich in Nederland bevindt en:

  1. uitlevering ter zake van dit misdrijf is geweigerd op een grond die niet tevens inhoudt dat naar Nederlands recht geen vervolging kan plaatshebben, of

  2. uitlevering ter zake van dit misdrijf wegens het ontbreken van een verdragsrelatie niet mogelijk is, voor zover op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

A: Inleiding

Artikel 8c Sr is een bepaling die extraterritoriale rechtsmacht schept als een in Nederland verblijvende vreemdeling wordt verdacht van ernstige misdrijven, begaan in het buitenland, maar niet kan worden uitgeleverd of worden vervolgd of berecht als ingezetene. In de praktijk komt dit voor bij het ontbreken van een uitleveringsrelatie, als het land van herkomst onvoldoende medewerking verleent of andere belemmeringen zich voordoen. Grondslag voor rechtsmacht is niet zozeer de band met de Nederlandse rechtsorde, maar het gegeven dat zonder rechtsmacht — indien geen sprake is van een internationaal misdrijf en ook overigens geen rechtsmacht bestaat — deze delicten (mogelijk) straffeloos zouden blijven terwijl de vreemdeling ongehinderd het verblijf in Nederland voortzet. Te denken valt aan moord, drugshandel en verkrachting in het buitenland gepleegd. Voor deze gevallen is daarom een aparte voorziening getroffen. De theoretische grondslag voor de rechtsmacht moet worden gezocht in (een variant van) afgeleide rechtsmacht van (of zaakwaarneming voor) de vreemde staat waarnaar uitlevering niet mogelijk is.1

1

Zie Cleiren, Crijns en Verpalen (2016), aantekening 1 bij artikel 8c Sr.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

C.1: Wetswijziging

Per 1 juli 2014 is de rechtsmachtregeling in artikelen 2 – 8d herzien.2 Daarbij is artikel 8c Sr op advies van het College van Procureurs-Generaal en de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak nieuw ingevoegd.

De nieuwe rechtsmachtartikelen zijn per 1 juli 2014 onmiddellijk in werking getreden. Omdat artikel 8c Sr de Nederlandse rechtsmacht uitbreidt, is voorzien in een overgangsregeling. Ingevolge artikel IV van de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken is het nieuwe artikel 8c Sr mede toepasselijk op feiten die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn gepleegd, voor zover zij ten tijde van het handelen of nalaten strafbaar waren in het land waar zij zijn begaan of een misdrijf waren overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door beschaafde volkeren worden erkend.3

De lagere rechtspraak lijkt zich hier niet altijd van bewust. 4

C.2: Afgeleide rechtsmacht

De wetgever noemt ‘het voorkomen van straffeloosheid’ de ratio van artikel 8c Sr. Aansluiting bij een internationaal erkend aanknopingspunt voor vestiging van extraterritoriale rechtsmacht ontbreekt. In zoverre wijkt het artikel af van de overige artikelen die, alle ankeren in- en voortspruiten uit algemeen erkende beginselen voor het vestigen van rechtsmacht – in belangrijke mate geïnspireerd door het rapport van onderzoek uitgevoerd onder leiding van prof. mr. A.H. Klip ‘Communicerende grondslagen van extraterritoriale rechtsmacht’.5 De theoretische grondslag voor rechtsmacht op grond van het artikel kan gezocht te worden in een variant van afgeleide rechtsmacht, waarbij de Nederland rechtsmacht is afgeleid van de staat waarnaar uitlevering niet mogelijk is.6 Het verschil met gebruikelijke vormen van afgeleide rechtsmacht is echter dat de rechtsmacht krachtens dit artikel eenzijdig wordt gevestigd. Als de staat waarnaar uitlevering niet mogelijk is aan Nederland verzoekt om de strafvervolging over te nemen, zou immers reeds rechtsmacht bestaan op basis van artikel 8b Sr en zou de aanvullende regeling in artikel 8c Sr overbodig zijn. Aan het artikel ligt ook niet de fictie ten grondslag dat een afgewezen uitleveringsverzoek wordt beschouwd als een ingewilligd verzoek tot strafvervolging, zoals in artikel 552hh lid 1 Sv.7

C.3: Vreemdeling

Rechtsmacht op basis van dit artikel bestaat ongeacht de verblijfsduur van de vreemdeling in Nederland. Een vreemdeling hoeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben of enige tijd rechtmatig in Nederland te verblijven (vgl. artikel 86b Sr en artikel 7 lid 3 Sr). Bij de totstandkoming van dit artikel is in het bijzonder gedacht aan vreemdelingen aan wie in het kader van een toelatingsprocedure artikel 1F van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 is of kan worden tegengeworpen.

Aan het uitoefenen van de rechtsmacht is geen minimum of maximum termijn gekoppeld, zodat vervolging binnen een week maar ook na een verblijf van tien jaar nog kan worden ingesteld. Of het enkel op doorreis zijn of een (zeer) kort verblijf in Nederland echter vol-doende is voor rechtsmacht op basis van dit artikel is nog onduidelijk. Hoewel de formulering van het artikel hiervoor ruimte biedt, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat is beoogd te voorkomen dat ‘betrokkenen ongehinderd (en straffeloos) in Nederland kunnen verblij-ven door het ontbreken van mogelijkheden om hen uit te zetten of uit te leveren.’ Tegen die achtergrond vestigt artikel 8c Sr rechtsmacht ‘ten aanzien van in Nederland verblijvende vreemdelingen (…) indien uitlevering niet mogelijk is.’8 Deze zinsneden in onderling verband en samenhang bezien lijken te duiden op een verblijf van enige duur in Nederland , zodat de vrees voor straffeloosheid op langere termijn gerechtvaardigd is. Bovendien behelst de wetsgeschiedenis aanknopings-punten die erop duiden dat de mogelijkheden voor uitlevering moeten zijn onderzocht voordat tot strafvervolging wordt overgegaan. Vergelijk Cleiren, Crijns en Verpalen9 die menen dat de ratio van het artikel een beperkte uitleg met zich meebrengt.]

C.4: Strafbaarstelling minimaal 8 jaar

Voorwaarde voor rechtsmacht is dat op het misdrijf naar de (Nederlandse) wettelijke om-schrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaar is gesteld. De wetgever stelt hieromtrent: ‘Vanwege de zwakke band tussen feit en dader enerzijds en de Nederlandse rechtsorde anderzijds wordt daarom de mogelijkheid tot het uitoefenen van rechtsmacht beperkt tot de zwaardere categorie van misdrijven.’10 Aanvankelijk was de grens vier jaar, maar bij behandeling van het wetsvoorstel is de drempel voor het kunnen uitoefenen van rechtsmacht op grond van dit artikel gelijkgetrokken met de grens voor het uitoefenen van rechtsmacht over ernstige misdrijven in artikel 5 lid 1 Sr.

C.5: Dubbele strafbaarheid

Uit het vereiste dat op het feit ‘straf is gesteld’, volgt dat sprake moet zijn van dubbele strafbaarheid. Zie hierover artikel 7 Sr, C. 6. Niet vereist is dat het feit in het land waar het is begaan, (eveneens) bedreigd is met een gevangenisstraf van acht jaar.

C.6: Opportuniteit

Uitoefening van rechtsmacht is geen verplichting. De mogelijkheid over te gaan tot strafvervolging laat andere voorzieningen, uitzetting of uitlevering onverlet. Ook op basis van opportuniteitsoverwegingen kan worden besloten dat geen (verdere) vervolging zal plaatsvinden.

C.7: Verwijdering naar land van herkomst

Bij de behandeling van het wetsontwerp heeft de Minister gesteld dat, zo mogelijk, het rechtmatig verblijf van een vreemdeling in ons land wordt beëindigd als de vreemdeling ingevolge dit artikel in Nederland onherroepelijk is veroordeeld. De vreemdeling kan dus eventueel ongewenst worden verklaard en worden verwijderd naar het land van herkomst.

C.8: Toepasselijkheid binnen de EU / Overlevering

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikel geen betekenis heeft voor feiten die in een EU-lidstaat zijn gepleegd.11 Als de verdachte zich in Nederland bevindt, geschiedt de terbeschikkingstelling van personen via de regels van het Kaderbesluit betreffende het Europees Aanhoudings-bevel en de Overleveringswet. Hiermee wordt voorbijgegaan aan het feit dat overlevering van een persoon in zeldzame gevallen niet mogelijk kan zijn omdat dit een ‘flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon zou opleveren’ (artikel 11 Overleveringswet). In dat geval zou Nederland geen rechtsmacht hebben, terwijl de reden om overlevering te weigeren in dit geval niet aan een strafvervolging in Nederland in de weg staat. In de praktijk zullen dergelijke gevallen zich overigens niet snel voordoen.

2

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken),
Stb. 2013, 484
(inwerkingtreding op 1 juli 2014,
Stb. 2014, 103
).

3

Zie ook
Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3
, p. 23.

4

De Rechtbank Rotterdam van 2 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4798.

5

Klip, A.H., en Massa, A.-S., Communicerende grondslagen van extraterritoriale rechtsmacht - onderzoek naar de grondslagen van extrater-ritoriale rechtsmacht in België, Duitsland, Engeland en Wales en Nederland met conclusies en aanbevelingen voor de Nederlandse (wetgevings-)praktijk: WODC, Universiteit Maastricht - Faculteit der Rechtsgeleerdheid 2010.

6

Zie over afgeleide rechtsmacht Sdu commentaar Strafrecht bij artikel 8b, c.2.

7

Cleiren, Crijns en Verpalen (2016), aantekening 5 bij artikel 8c Sr.

8


Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3
, p. 6.

9

Cleiren, Crijns en Verpalen (2016) aantekening 4 bij artikel 8c Sr.

10


Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3
, p. 22.

11

Vgl. Cleiren, Crijns en Verpalen (2016), aantekening 7 bij artikel 8c Sr.

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Wetboek van Strafrecht artikel 8c.

F: Literatuurverwijzing

  • Cleiren, C.P.M., J.H. Crijns en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar: Strafrecht, Deventer: Kluwer 2016.
  • Mok, M.R. en R.A.A. Duk, Preadvies: Toepassing van Nederlands strafrecht op bui-ten Nederland begane delicten, Handelingen 1980 der Nederlandse Juristen-Vereniging, deel 1, tweede stuk, Zwolle: Tjeenk Willink 1984.
  • Noyon, T.J., G.E. Langemeijer en J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, voortgezet door J.W. Fokkens en A.J.M. Machielse (losbl.), Deventer: Gouda Quint.
  • Remmelink, J., Mr. D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1996, p. 505-582.
  • Sliedregt, E. van, J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Handboek Internationaal Strafrecht, Strafmachtrecht, Deventer: Kluwer 2008, p. 29-91.
  • Smidt, H.J., Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1881/1882, deel I, p. 110-136.
  • Strien, A.L.J. van, ‘De rechtsmacht van Nederland ten aanzien van rechtspersonen’, in: Grensoverschrijdend strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1990.
  • Strijards, G.A.M., Internationaal strafrecht, strafmachtsrecht, algemeen deel, Arnhem: Gouda Quint 1984.
  • Wolswijk, H.D., Locus delicti en rechtsmacht, Deventer: Gouda Quint 1998.