Commissie Gelijke Behandeling 28-03-2000, JAR 2000, 87


Gelijke behandeling (indirect onderscheid naar ras).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 87.

Twee tuinbouwbedrijven hanteren een bedrijfsreglement op grond waarvan buitenlandse werknemers bij aanwezigheid van Nederlandse collega's of de werkgever de Nederlandse taal dienen te spreken. De vakvereniging is van oordeel dat deze taaleis in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) en geen geschikt middel is om een goede communicatie te bewerkstelligen. Bovendien gaat het hier niet om een functie-eis, omdat de taaleis niet direct te maken heeft met de uitvoering van de werkzaamheden. De Commissie Gelijke Behandeling is van oordeel dat door het hanteren van de taaleis geen direct onderscheid op grond van ras wordt gemaakt omdat deze zich richt op alle werknemers van de bedrijfssector tuinbouw. De bepaling heeft echter wel indirect onderscheid tot gevolg omdat zij in overwegende mate personen van niet-Nederlandse nationaliteit treft en in de glastuinbouwsector veel allochtonen werkzaam zijn. Met betrekking tot de vraag of dit indirecte onderscheid objectief gerechtvaardigd is, stelt de commissie vast dat aan het doel van optimale productie discriminatie vreemd is en dat de taaleis als middel beantwoordt aan het doel. Het middel is echter niet noodzakelijk om het doel te bereiken. De taaleis is namelijk geformuleerd als een algemene verplichting. Het algemeen verplicht stellen van een voertaal voor werknemers die hieraan niet kunnen voldoen, terwijl de Nederlandse taalvaardigheid bij aanstelling geen functie-eis is, is disproportioneel. De Commissie stelt dat de productiewerkzaamheden in de glastuinbouw, die hoofdzakelijk door allochtonen worden verricht, overwegend eenvoudige handelingen zijn waarvoor nauwelijks scholing is vereist. Bij aanstelling van de werknemers worden dan ook geen opleidingseisen gesteld. Indien voor de bedrijfssector als geheel een taaleis wordt gesteld, dient rekening te worden gehouden met de minst taalvaardigen in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Dit neemt niet weg dat individuele bedrijven een op hun eigen omstandigheden toegesneden taaleis kunnen stellen. Ten aanzien van de twee tuinbouwbedrijven is de commissie van oordeel dat de wijze waarop zij de taaleis hanteren niet in strijd is met de AWGB.

Verder lezen
Terug naar overzicht