Conclusie A-G Kokott 12 maart 2009, zaak C-566/07


Samenvatting

De Hoge Raad stelde het Hof van Justitie EG op 30 november 2007 (NTFR 2007/2205) twee prejudiciële vragen betreffende de uitleg van art. 21, lid 1, letter c van de Zesde richtlijn (art. 203 Btw-richtlijn en art. 37 Wet OB 1968). Met de eerste vraag wenst de Hoge Raad te vernemen welke lidstaat heffingsbevoegd is terzake van de ten onrechte gefactureerde btw. De tweede vraag is of teruggave van de belasting afhankelijk kan worden gemaakt van de voorwaarde dat de onjuiste factuur wordt vervangen door een herstelfactuur. In casu ging het om ten onrechte gefactureerde btw door Stadeco BV aan de EVD, een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. De EVD heeft geen recht op aftrek van voorbelasting, zodat geen gevaar van verlies van belastinginkomsten bestaat.

A-G Kokott komt tot de conclusie dat op grond van art. 21, punt 1, sub c, slechts een belastingschuld ontstaan tegenover de staat waarvan de btw in de factuur is vermeld. De opsteller van een factuur is de daarin vermelde btw van een lidstaat ook dan in deze staat verschuldigd wanneer de dienst daar in feite niet belastbaar was. Met betrekking tot de tweede vraag concludeert de advocaat-generaal dat het gemeenschapsrecht de lidstaten niet verbiedt om herziening van de bij vergissing in rekening gebrachte afhankelijk te maken van de voorwaarde dat de belastingplichtige alsnog een herstelfactuur uitreikt aan zijn afnemer. Dit geldt volgens de advocaat-generaal tevens wanneer de ontvanger van de factuur geen recht op aftrek van de voorbelasting heeft.

Feiten

5. Stadeco BV verhuurt stands voor beurzen en tentoonstellingen en zorgt ook…

Verder lezen
Terug naar overzicht