De omgekeerde discriminatie van de nationale juridische splitsing (1999.33.3329)


De doorschuiffaciliteit bij juridische splitsing (art. 14a Wet Vpb) geldt alleen voor vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd. Vennootschappen die in een EU-lidstaat zijn gevestigd hebben de mogelijkheid een beroep te doen op de doorschuiffaciliteit uit de Fusierichtlijn. Eventueel daaraan te verbinden voorwaarden zouden worden gepubliceerd, hetgeen tot op heden niet is gebeurd. De voorwaarden moeten in ieder geval voldoen aan de Fusierichtlijn. De bepalingen van art. 14a Wet Vpb zijn niet op de Fusierichtlijn gebaseerd en zijn stringenter dan deze richtlijn vereist. Er wordt daarom omgekeerd gediscrimineerd. Splitsingen waarbij een lichaam is betrokken dat is gevestigd in een EU-lidstaat worden gunstiger behandeld dan zuiver nationale situaties. Dit levert strijd op met art. 26 IVBPR juncto art. 14 EVRM indien er gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Wanneer een zuivere nationale splitsing wordt vergeleken met een splitsing waarbij een vennootschap is betrokken die is gevestigd in een andere lidstaat van de EU, met een vaste inrichting in Nederland, dan is dit een gelijk geval (de verschillen tussen een vaste inrichting en een vennootschap zijn slechts van juridische aard). Hiervoor is geen rechtvaardigingsgrond te vinden. Voorzichtigheid is geboden omdat de Hoge Raad een enkele keer een formele wet in strijd acht met het gelijkheidsbeginsel.

M. JakobsenF.P.G. Pötgens

WFR 1999/6349 blz. 984

Verder lezen