Naar de inhoud

De unierechtelijke houdbaarheid van de 
Nederlandse renteaftrekbeperkingen (deel 1)

De in de artikelen 10a, 10b, 13l en 15ad Wet VPB 19691 neergelegde renteaftrekbeperkingen ontlenen in essentie hun bestaan aan de grensoverschrijdende transacties en activiteiten van Nederlandse belastingplichtigen. In de regel is handhaving van die bepalingen namelijk weinig zinvol indien in relatie tot een lening naast de kredietnemer ook de kredietgever in Nederland belastingplichtig is, of als de door de kredietnemer aangetrokken lening dienstbaar is aan het behalen van in Nederland belastbare winst; de Nederlandse belastinggrondslag blijft dan ruwweg in evenwicht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft in zijn jurisprudentie echter unie­rechtelijke grenzen gesteld aan in lidstaten vigerende rentaftrekbeperkingen. Deze tweedelige bijdrage past die jurisprudentie toe op de artikelen 10a, 10b, 13l en 15ad Wet VPB 1969. Dit eerste deel behandelt binnen de reikwijdte van welke verkeersvrijheid art. 10a valt (par. 1.2). Het in MBB 2016 nr. 4 verschijnende tweede deel analyseert of art. 10a Wet VPB 1969 die vrijheid belemmert (par. 1.3), onderwerpt art. 10a aan de proportionaliteitstoets (par. 1.4), en toetst de artikelen 10b, 13l en 15ad Wet VPB 1969 aan hetzelfde beoordelingskader als waaraan art. 10a Wet VPB 1969 is onderworpen (resp. par. 2, 3 en 4). De afsluitende opmerkingen dragen bouwstenen aan voor een unierechtconforme renteaftrekbeperking (par. 5).

1. Art. 10a Wet VPB 1969

1.1. Inleiding

Paragraaf 1 van deze bijdrage beargumenteert dat op basis van jurisprudentie van het HvJ (i) art. 10a Wet VPB 1969 zowel in intra- als in extra-unitaire…