Duitse regeling voor pensioensparen onverenigbaar met vrij verkeer van personen


Samenvatting

De Duitse Wet op de inkomstenbelasting faciliteert het afsluiten van privépensioenverzekeringen, meestal Riester-pensioenen of Riester-uitkeringen genoemd. De reden om het opbouwen van deze vrijwillige pensioenen te bevorderen, was gebaseerd op demografische wijzigingen en verhoogde druk op het nationale stelsel van wettelijke pensioenvoorzieningen. De Riester-pensioenen beogen derhalve de nationale wettelijke ouderdomspensioenen aan te vullen.

Volgens de Europese Commissie zijn drie aspecten van de Riester-pensioenregeling in strijd met art. 39 EG, art. 7 Vo. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, art. 18 EG en art. 12 EG voor zover:

  1. grensarbeiders (en hun echtgenoten) de pensioentoelage (onderdeel van de faciliteit) wordt geweigerd, wanneer zij niet onbeperkt belastingplichtig zijn;

  2. het niet is toegestaan dat het opgebouwde kapitaal wordt gebruikt voor een voor eigen woondoeleinden dienende woning, wanneer deze niet in Duitsland is gelegen;

  3. de ontvangen toelage bij beëindiging van de onbeperkte belastingplicht moet worden terugbetaald.

De Commissie, ontevreden met de reactie van Duitsland op het met reden omkleed advies als bedoeld in art. 226 EG, heeft Duitsland voor het Hof van Justitie EG gedaagd.

A-G Mazák is in de eerste plaats van mening dat de pensioentoelage een sociaal voordeel is in de zin van art. 7, lid 2, Vo. 1612/68.

In de tweede plaats meent hij dat het vereiste dat een grensarbeider onbeperkt belastingplichtig moet zijn discriminatoir van aard is en inbreuk maakt op art. 39 EG en art. 7, lid 2, Vo. 1612/68.

Verder lezen
Terug naar overzicht