Duitsland hoeft geen verrekening te geven van de Spaanse erfbelasting over banktegoeden


Samenvatting

Mevr. Block, inwoner van Duitsland, is de enige erfgenaam van een persoon die in 1999 overleed. Op het moment van overlijden is de erflater inwoner van Duitsland. Tot de nalatenschap behoren banktegoeden waarvan DEM 144.255 in Duitsland is geïnvesteerd en DEM 994.494 bij Spaanse financiële instellingen. Over dit laatste bedrag betaalde mevr. Block in Spanje DEM 207.565 aan erfbelasting, omdat de schuldenaars in Spanje zijn gevestigd. Volgens de Duitse regeling is er geen verrekening van de Spaanse erfbelasting met de in Duitsland verschuldigde erfbelasting, omdat de Spaanse tegoeden niet kunnen worden aangemerkt als buitenlandse vermogensbestanddelen in de zin van de Duitse regeling. Na bezwaar is het Finanzamt wel bereid de Spaanse erfbelasting als schuld op de nalatenschap in aftrek te accepteren. Het Bundesfinanzhof stelt vragen aan het Hof van Justitie EG over de verenigbaarheid van de Duitse regeling met de vrijheid van kapitaalverkeer. Het Hof van Justitie EG bevestigt dat de voorgelegde situatie onder het vrije kapitaalverkeer van art. 56 EG valt. Het Hof van Justitie EG stelt vast dat de Duitse regeling niet anders uitwerkt dan wanneer de financiële instellingen in Duitsland of in een andere lidstaat zouden zijn gevestigd. Wel leidt de situatie tot een hogere belastingdruk. Het fiscale nadeel wordt veroorzaakt doordat, op grond van de soevereiniteit die er is, beide staten hun recht kunnen uitoefenen om belasting te heffen volgens verschillende aangrijppunten. Bij de huidige stand van het Europese recht is er geen oplossing voor deze dubbele belasting. Zou de erflater in een andere lidstaat hebben gewoond, dan zou de Duitse regeling wel in verrekening voorzien van de erfbelasting geheven door de…

Verder lezen
Terug naar overzicht