ECLI:NL:CBB:2017:210 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 24-05-2017 / 15/687

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/687

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2017 in de zaak tussen


[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mevrouw mr. C. Billen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld-van den Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor toelating en registratie als dierenfysiotherapeut in het diergeneeskunderegister, afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 15 september 2016 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder opgedragen een adviesaanvraag te overleggen.

Bij brief van 29 september 2016 heeft verweerder het College bericht dat de betreffende adviesaanvraag niet schriftelijk is vastgelegd.

Bij brief van 31 oktober 2016 heeft het College verweerder een aantal vragen gesteld.

Hierop heeft verweerder bij brief van 21 november 2016 antwoord gegeven.

Bij brief van 30 november 2016 heeft appellante gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft in de periode 2011-2014 de opleiding “Fysiotherapie bij huisdieren, modules paard en hond” aan het Instituut voor Recyclage- en Specialisatiecursussen - Wetenschappelijk Instituut voor Navorming in de Gezondheids Sector (IRSK-WINGS) te België, met een diploma afgerond.

1.2

Bij formulier ondertekend op 9 september 2014 heeft appellante een aanvraag ingediend bij verweerder voor toelating en registratie als dierenfysiotherapeut in het diergeneeskunderegister. Bij besluit van 3 december 2014 heeft verweerder medegedeeld de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat een kopie van het paspoort ontbreekt.

1.3

Bij brief van 3 december 2014 heeft appellante een kopie van haar paspoort bij verweerder ingediend en verzocht haar aanvraag in behandeling te nemen.

1.4

Verweerder heeft het CDB verzocht te komen tot een oordeel inzake de vergelijking van het Diploma “Fysiotherapie bij dieren – module hond en paard” zoals verzorgd door IRSK-WINGS te België en de opleiding “Fysiotherapie bij dieren” zoals verzorgd door het CDB te Nederland. Bij brief van 4 december 2014 heeft het CDB verweerder als volgt bericht:

“Naar aanleiding van uw verzoek te komen tot een oordeel inzake de vergelijking van het Diploma “Fysiotherapie bij dieren – module hond en paard”, zoals verzorgd door het IRSK-WINGS te België, en de opleiding “Fysiotherapie bij dieren”, zoals verzorgd door het CDB te Nederland, wil ik u het volgende berichten.

Alvorens tot een oordeel te komen, allereerst het volgende:

Het feit dat eerstgenoemde instantie (IRSK-WINGS) inmiddels failliet is, heeft ertoe geleid dat het vergelijk gemaakt moest worden met slechts beperkte informatie met betrekking tot lesmateriaal, lesprogramma, examinering, stage etc. Om die reden hebben wij, in samenspraak met de NVFD, een tweetal dierenfysiotherapeuten benaderd, die beide inhoudelijk op de hoogte zijn van zowel de opleiding in Nederland als ook van de opleiding in België. Van hen mag aangenomen worden dat zij in staat zijn een onafhankelijk en reëel vergelijk te maken.

Voor zover mogelijk heb ik daarnaast een vergelijk gemaakt ten aanzien van het lesprogramma, en ben tot de volgende conclusie gekomen:

Het theoretische onderdeel van de opleiding is qua opzet vergelijkbaar, al is het uiteraard zonder lesmateriaal niet mogelijk een vergelijk te maken op inhoud en diepgang. Opvallend is wel dat het theorie examen op één moment wordt afgenomen. Iets wat in onze opleiding niet haalbaar zou zijn (qua hoeveelheid), aangezien het in zijn totaliteit gaat om 3 theoretische examens.

Het praktische onderdeel van de opleiding is duidelijk veel beperkter qua opzet dan de opleiding in Nederland. De lessen zijn per onderdeel veel minder frequent en lijken daarnaast behoorlijk minder diepgang te hebben. Bovendien is er geen sprake van een aparte stage periode waarin studenten op een onafhankelijke locatie in aanraking komen met patiënten en deze volledig en zelfstandig (uiteraard onder toezicht) moeten onderzoeken/behandelen. Dit in tegenstelling tot de situatie in Nederland.

Deze bevindingen zijn samen met de 2 docenten verklaringen kort gesloten met de overkoepelende beroepsorganisatie (NVFD). De NVFD deelt de mening dat met name op basis van de beperkte praktijkervaring het bovengenoemde diploma niet zonder meer erkend kan worden en recht geeft op inschrijving in het diergeneeskundigen register.

De enige manier om aantoonbaar te maken of aanvrager voldoet aan het niveau van de Opleiding Dierfysiotherapie in Nederland, zoals vast ligt in het Besluit en Regeling diergeneeskundigen en het Besluit opleidingseisen en deskundigheid dierenfysiotherapeut, is middels het afleggen van het ‘Nederlandse’ praktijkexamen hond en paard. Wanneer aanvrager nadere informatie wil hebben over deze mogelijkheid kan aanvrager zich tot het Cursuscentrum Dierverzorging Barneveld wenden.”,

1.5

Bij brief van 11 december 2014 heeft verweerder appellante meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag te weigeren.

1.6

Bij het primaire besluit heeft verweerder het advies van het CDB gevolgd en onder verwijzing naar het voornemen van 11 december 2014, de aanvraag tot toelating en registratie als dierenfysiotherapeut in het diergeneeskunderegister afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Gelet op het advies van het CDB kan de door appellante gevolgde opleiding volgens verweerder niet als gelijkwaardig aan de Nederlandse opleiding tot dierenfysiotherapeut worden gekwalificeerd. Op grond van artikel 4.5 in verbinding met artikel 3.4 van het Besluit diergeneeskundigen kan appellante daarom niet worden geregistreerd als dierenfysiotherapeut in het diergeneeskunderegister. Het advies van het CDB is zorgvuldig tot stand gekomen en verweerder ziet geen reden om daarvan af te wijken. Gelet op het feit dat sprake is van een toets naar gelijkwaardigheid van een buitenlandse opleiding met een Nederlandse opleiding, ziet verweerder niet in dat de onafhankelijkheid van het CDB in geding is. Verweerder is van mening dat van concurrerende instellingen geen sprake is. Verweerder twijfelt niet aan de door appellante overgelegde verklaring van

[naam 2] dat appellante is geslaagd voor het praktijkexamen. Dit zegt echter niets over het niveau van de opleiding, zowel voor wat betreft de theorie als de praktijk en de inhoud van het afsluitende praktijkexamen. Overigens is deze professor volgens verweerder dierenarts, maar niet gespecialiseerd in dierenfysiotherapie.

3. Appellante stelt dat de aanvraag ten onrechte is geweigerd. Volgens appellante gaat verweerder ten onrechte uit van de onafhankelijkheid van de commissie die de aanvraag heeft beoordeeld. De commissie is samengesteld uit medewerkers van het CDB. Op de website van het CDB is te lezen dat alleen op deze locatie in Nederland de post-hbo-opleiding “Fysiotherapie bij dieren” te volgen is. Volgens appellante is het verkeerd om deze monopolist, die zichzelf als enig opleidingsinstituut ter zake ziet, te vragen een opleiding van een buitenlands, concurrerend, cursuscentrum te beoordelen. Appellante vraagt zich af waarom verweerder bijvoorbeeld de Nuffic niet heeft ingeschakeld, die volgens appellante bij uitstek de organisatie is om gelijkwaardigheid van buitenlandse opleidingen en diploma’s te beoordelen.

Appellante voert verder aan dat geen sprake is van een objectief, verifieerbaar advies van de commissie. IRKS-WINGS was een particuliere instelling die de cursus verzorgde met docenten van de Universiteit Gent en ook in het gebouw van deze universiteit. Na het faillissement heeft de universiteit de opleiding onder haar eigen hoede genomen, met nog steeds dezelfde docenten. Verweerder noch de commissie laten merken enige moeite te hebben gedaan om in contact te komen met medewerkers of docenten van IRSK-WINGS en/of de Universiteit van Gent, terwijl diverse Belgische docenten zich hebben aangeboden om met de commissie in contact te treden. Voor een ‘objectieve’ vergelijking is dit toch wel een van de allereerste eisen, aldus appellante.

De commissie verwijst naar de bevindingen van twee docenten van het CDB, G. Blom (Blom) en H. Verton (Verton), die beiden gastdocent zijn geweest bij het IRSK-WINGS. Volgens appellante zijn zij niet in staat een onafhankelijk en reële vergelijking te maken, omdat zij slechts enkele dagen per cursusjaar aanwezig waren.

Dat de NVFD de mening deelt van de commissie, is geen ondersteuning van de mening van de commissie. De NVFD had namelijk geen kennis genomen van de zienswijze van appellante over het oordeel van de commissie. De NVFD heeft dus maar één kant van het verhaal gehoord en het is logisch dat de NVFD dan daarmee instemt. Maar van enige waarde van deze instemming kan dan volgens appellante niet gesproken worden.

Volgens appellante staan er ook onjuistheden in de verklaringen van Blom en Verton nu appellante wel in aanraking is gekomen met echte patiënten en er meerdere malen door haar theorie-examens zijn afgelegd. Ten slotte betoogt appellante dat in het bestreden besluit ten onrechte niet zoveel waarde wordt gehecht aan de verklaringen van [naam 2] . Volgens appellante is iedere dierenarts ook gemachtigd om werkzaamheden als dierenfysiotherapeut te verrichten.

4.1

De Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties (Algemene wet) luidde als volgt:

“Artikel 1. Definities

(…)

gereglementeerd beroep:

1°. beroepswerkzaamheid of geheel van beroepswerkzaamheden waarvoor geldt dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan, waaronder het voeren van een beroepstitel, bij of krachtens wet direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, of

(…);

(…)

migrerende beroepsbeoefenaar:

1°. onderdaan van een betrokken staat;

2°. onderdaan van een derde land die houder is van een door een lidstaat van de Europese Unie afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016);

3°. familielid van een onderdaan van een betrokken staat dat onderdaan is van een derde land en dat uit hoofde van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229), gerechtigd is een betrokken staat binnen te komen en er te verblijven;

(…)

Hoofdstuk 2. Erkenning van beroepskwalificaties

Artikel 6. Vereisten erkenning beroepskwalificaties

1 Onze minister die het aangaat verleent erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een opleidingstitel die of een door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattest dat blijk geeft van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het eerste niveau onder het in Nederland vereiste niveau, met toepassing van de onderscheiding in niveaus, bedoeld in artikel 9.

2 Onze minister die het aangaat verleent eveneens erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar het beroep in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag gedurende twee jaar voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds heeft uitgeoefend in een andere betrokken staat dan Nederland waar dat beroep niet is gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een of meer opleidingstitels of door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattesten die:

a. blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het eerste niveau onder het in Nederland vereiste niveau, met toepassing van de onderscheiding in niveaus, bedoeld in artikel 9, en

b. aantonen dat de migrerende beroepsbeoefenaar op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid.”

4.2

De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 4.1. Toelating dierenartsen en andere personen

1. Tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen zijn toegelaten dierenartsen en andere personen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.

(…)

Artikel 4.3. Register

1. Onze Minister houdt een openbaar register bij van personen die een opleiding op het gebied van de diergeneeskunde als bedoeld in artikel 1.1 met goed gevolg hebben voltooid en andere personen die worden toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen.

(…)

4.3

Het Besluit diergeneeskundigen luidt voor zover van belang als volgt.

“Artikel 3.4. Voorwaarden voor de toelating

1. Onze Minister laat tot het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handeling, toe, degene die:

a. in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg,

b. een opleiding heeft gevolgd ter verkrijging van de noodzakelijke theoretische kennis en praktische vaardigheid om dierfysiotherapie uit te kunnen oefenen, en

c. met goed gevolg een examen heeft afgelegd na de opleiding, bedoeld in onderdeel b, waaruit blijkt van voldoende theoretische kennis en praktische vaardigheden om dierfysiotherapie te kunnen uitoefenen.

2. De in het eerste lid bedoelde handeling is het uitoefenen van dierfysiotherapie.

3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:

a. de eisen waaraan een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dient te voldoen;

b. de inrichting van een examen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en

c. de voorwaarden waaraan is voldaan teneinde een examen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, te mogen afleggen.

4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het uitoefenen van dierfysiotherapie wordt verricht.

Artikel 4.5. Registratie

Onze Minister draagt er zorg voor dat degene die krachtens de artikelen 3.1, eerste lid, 3.4, eerste lid, 3.6, eerste lid, of 3.11, eerste lid, is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen wordt ingeschreven in het openbaar register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet.”

5.1

In antwoord op de door het College bij brief van 31 oktober 2016 gestelde vragen heeft verweerder aangegeven dat hij bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen als dierenfysiotherapeut en registratie in het diergeneeskunderegister waarin de aanvrager, zoals in het geval van appellante, met het oog op die toelating een in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) behaald diploma overlegt, in het kader van de Algemene wet tevens beoordeelt of, gelet op dat diploma, sprake is van een beroepskwalificatieniveau dat gelijkwaardig is aan het Nederlandse niveau. Verweerder heeft daarom bij het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit, na daartoe advies te hebben gevraagd aan het CDB, beoordeeld of de door appellante in België gevolgde en met een diploma afgesloten opleiding “Fysiotherapie bij huisdieren, modules hond en paard” kan worden erkend als gelijkwaardig aan het diploma van de Nederlandse post-hbo-opleiding “Fysiotherapie bij dieren”, zoals verzorgd door het CDB. Verweerder gaat er derhalve van uit dat de Algemene wet in dit geval van toepassing is ten aanzien van appellante.

5.2

Het College is van oordeel dat het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de Algemene wet van toepassing is ten aanzien van appellante. Appellante moet worden aangemerkt als een migrerend beroepsbeoefenaar in de zin van deze bepaling in verbinding met de in artikel 1 van die wet neergelegde definitie van dit begrip. Het College wijst in dit verband op de volgende passage in de memorie van toelichting bij de Algemene wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31059, nr. 3, blz. 22):

“Het begrip migrerende beroepsbeoefenaar betreft de volgende categorieën personen:

Onderdanen van de EU die in Nederland een gereglementeerd beroep willen uitoefenen en beschikken over in andere lidstaten dan Nederland behaalde beroepskwalificaties. De werking van de wet strekt zich dus ook uit over Nederlanders. Het is immers mogelijk dat een Nederlander in een andere lidstaat een opleiding heeft gevolgd en vervolgens in Nederland aan de slag wil in het desbetreffende beroep.

(…).”

Verder is hierbij van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat het beroep van dierenfysiotherapeute in België geen gereglementeerd beroep is als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet. Dit betekent dat appellante moet voldoen aan de vereisten van artikel 6, tweede lid, van de Algemene wet, zoals ook blijkt uit de volgende passage uit de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31059, nr. 3, blz. 25):

“Artikel 6, tweede lid, heeft betrekking op de situatie dat het beroep in de lidstaat van herkomst niet is gereglementeerd, maar de migrerende beroepsbeoefenaar wel beschikt over opleidingstitels waaruit blijkt dat hij een opleiding heeft gevolgd die hem op het desbetreffende beroep heeft voorbereid. Als aanvullend vereiste geldt dan dat de migrerende beroepsbeoefenaar moet aantonen in de tien jaar voorafgaande aan de aanvraag om toegang of uitoefening van het gereglementeerde beroep in Nederland, in een andere lidstaat minstens twee jaar voltijds het beroep te hebben uitgeoefend.”

5.3

Nu uit de motivering van het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, blijkt dat verweerder daarbij met het oog op de toelating van appellante tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen als dierenfysiotherapeut en registratie in het Diergeneeskunderegister de gelijkwaardigheid van de in 5.1 genoemde Belgische en Nederlandse opleidingen heeft beoordeeld, gaat het College ervan uit dat verweerder de aanvraag van appellante mede heeft opgevat als een aanvraag tot erkenning van het Belgische diploma van appellante op grond van de Algemene wet en dat verweerder bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft beoogd mede afwijzend te beslissen op deze aanvraag. Evenmin als in het primaire besluit, heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat daarbij mede is beslist op grond van de Algemene wet. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook op een ondeugdelijke motivering en dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen ziet het College geen aanleiding om aan dit gebrek voorbij te gaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

5.4.1

Met betrekking tot het advies van het CDB overweegt het College als volgt.

5.4.2

Verweerder heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat niet krachtens artikel 7.7 van de Wet dieren is voorzien in de verplichting voor verweerder om zich te laten adviseren over een besluit als hier in geding door een commissie als bedoeld in dat artikel.

5.4.3

Dit neemt niet weg dat het verweerder vrijstond om een deskundig te achten instantie te raadplegen over de hier aan de orde zijnde gelijkwaardigheid van de betreffende opleidingen. In het enkele feit dat het CDB in Nederland de enige instelling is die de post-hbo-opleiding “Fysiotherapie bij dieren” verzorgt, ziet het College onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder zich niet voor advies tot het CDB mocht wenden.

5.4.4

Het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsvereiste brengt met zich dat verweerder zal moeten nagaan of het door het CDB ter zake uitgebrachte advies naar wijze van totstandkoming en inhoud niet zodanige gebreken bevat dat het bestuursorgaan bij zijn besluitvorming hiervan geen gebruik mag maken. Het College is van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot het advies van het CDB onvoldoende rekenschap heeft gegeven van dit vereiste. Hiertoe overweegt het College als volgt.

5.4.5

In zijn brief aan het College van 29 september 2016 heeft verweerder meegedeeld dat het CDB destijds telefonisch om advies is gevraagd en dat deze aanvraag niet schriftelijk is vastgelegd. Het College acht dit uit een oogpunt van zorgvuldigheid niet aanvaardbaar. Hierdoor is immers niet duidelijk en voor appellant en het College niet controleerbaar wanneer verweerder zich precies tot het CDB heeft gewend, aan welk orgaan of functionarissen van het CDB verweerder heeft gevraagd advies uit te brengen, welke vraag of vragen verweerder daarbij heeft gesteld en welke informatie verweerder het CDB daarnaast eventueel nog heeft verstrekt. In dit verband is het opmerkelijk dat het advies van 4 december 2014 niet alleen is ondertekend door mevrouw [naam 3] ( [naam 3] ), Sectorcoördinator Dierverzorging van het CDB, maar ook door mevrouw [naam 4] , voorzitter van de NVFD, een overkoepelende beroepsorganisatie. Verweerder stelt echter advies te hebben gevraagd aan het CDB. Voorts lijkt het advies te zijn opgesteld door [naam 3] persoonlijk, maar wordt er daarin ook melding van gemaakt dat “wij, in samenspraak met de NVFD”, twee fysiotherapeuten hebben benaderd. Hoe dit zich verhoudt tot de adviesaanvraag is onduidelijk.

Voorts is in het advies van 4 december 2014 ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt op welke gegevens de hierin vermelde opvatting van de NVFD is gebaseerd.

5.4.6

Ook in ander opzicht is het advies naar het oordeel van het College gebrekkig. Uit het advies van het CDB blijkt niet van welke objectieve feitelijke gegevens het CDB bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de betrokken opleidingen precies is uitgegaan. Met betrekking tot de Belgische opleiding is in dit verband slechts vermeld dat het feit dat het IRSK-WINGS inmiddels failliet is ertoe heeft geleid dat de vergelijking moest worden gemaakt met slechts beperkte informatie met betrekking tot lesmateriaal, lesprogramma, examinering, stage etc. Welke informatie het CDB wel ter beschikking stond is niet inzichtelijk gemaakt. Kennelijk onder meer wegens het ontbreken van bedoelde informatie heeft het CDB twee dierenfysiotherapeuten, namelijk Blom en Verton, die op de hoogte zijn van zowel de Belgische als de Nederlandse opleiding, benaderd. Het College stelt vast dat deze docenten in hun verklaringen uitsluitend feitelijke gegevens hebben vermeld over de aard en inhoud van hun eigen, beperkte werkzaamheden als docent voor het IRSK-WINGS in het kader van de opleiding dierenfysiotherapie. Deze verklaringen bevatten derhalve evenmin een overzicht van het totale lesprogramma en andere relevante gegevens met betrekking tot de Belgische opleiding. Het College ziet niet in dat het CDB niet langs andere weg dan via deze beide docenten aan objectieve feitelijke gegevens had kunnen komen over de inrichting van de Belgische opleiding. Appellante heeft reeds in bezwaar de naam genoemd van

[naam 2] , oud-coördinator van het IRSK-WINGS. Verweerder heeft naar het oordeel van het College geen valide argumenten gegeven waarom deze oud-medewerker van het IRSK-WINGS wat dit betreft niet had kunnen worden benaderd. Uit het feit dat het IRSK-WINGS inmiddels failliet is verklaard, volgt op zichzelf niet dat het voor het CDB onmogelijk was om uit andere bron dan genoemde docenten nader gegevens over het lesprogramma, lesmateriaal, examinering e.d. te vergaren. Hierbij is van belang dat appellante onweersproken heeft gesteld dat de opleiding is voortgezet door de Universiteit Gent, met medewerking van personen die werkzaam waren bij IRSK-WINGS. Het CDB had daarvoor derhalve contact kunnen opnemen met de Universiteit Gent en/of die personen. Het College stelt voorts vast dat het advies van het CDB evenmin gestructureerde, objectieve informatie bevat over de inrichting van de Nederlandse opleiding tot dierenfysiotherapeut. Gelet op al het vorenstaande ontbreekt in het advies een deugdelijke vaststelling van de feiten die nodig zijn voor de vergelijking van de Belgische en Nederlandse opleiding. Hieruit volgt dat uit het advies van het CDB niet op objectieve en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de daarin getrokken conclusies ten grondslag zijn gelegd.

5.4.7

Door het bestreden besluit te baseren op het advies van het CDB van 4 december 2014 heeft verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 5.4.4 tot en met 5.4.6, dit besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd waarom de door appellante in België gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding en de beroepskwalificatie van appellante niet voor erkenning in aanmerking komt en appellante niet kan worden toegelaten en geregistreerd als dierenfysiotherapeute in het diergeneeskunderegister.

5.6

Mede gelet op hetgeen is overwogen in 5.3 is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

6. Het College ziet aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven, omdat vast staat dat appellante niet voldoet aan het in haar geval voor erkenning van haar haar beroepskwalificatie geldende aanvullende en dwingende vereiste van artikel 6, tweede lid, van de Algemene wet dat de migrerende beroepsbeoefenaar het beroep in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag gedurende twee jaar voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds heeft uitgeoefend in een andere betrokken staat dan Nederland waar dat beroep niet is gereglementeerd. Het College verwijst hierbij naar de hiervoor in 5.2 weergegeven passage uit de memorie van toelichting, (Kamerstukken II, 2006/07, 31059, nr. 3, blz. 25). Dit betekent dat rechtens geen andere beslissing mogelijk is dan afwijzing van de aanvraag van appellante om toelating en registratie als dierenfysiotherapeute in het diergeneeskunderegister.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg