ECLI:NL:CRVB:2017:1260 Centrale Raad van Beroep , 04-04-2017 / 15/4383 WWB

Uitspraak

15 4383 WWB, 15/4386 WWB

Datum uitspraak: 4 april 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 juni 2015, 15/272 en 15/1679 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2017, gevoegd met de zaken 15/5294 WWB, 15/5295 WWB, 16/739 PW en 16/1378 PW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.M. Mol. Ter zitting is als getuige gehoord [naam moeder] (K), moeder van appellant.

In de zaken 15/5294 WWB, 15/5295 WWB, 16/739 PW en 16/1378 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 september 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans: basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [uitkeringsadres], op welk adres hij inwonend is bij K (uitkeringsadres).

1.2.

[Naam L.] (L) ontving sinds 15 januari 2012 bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, thans: dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat met haar twee kinderen, een tweeling die is geboren in 2004, in de BRP ingeschreven op het adres [adres]. De kinderen zijn door appellant erkend.

1.3.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 22 april 2014, die onder meer inhield dat L samen met appellant sinds tien jaar in haar woning een gezamenlijke huishouding zou voeren, hebben opsporingsambtenaren van de afdeling Toezicht en Handhaving, team Fraude en Samenleving van de directie Dienstverlening van de gemeente Breda (afdeling Toezicht en Handhaving), op verzoek van de gemeente Roosendaal, een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van L. In het kader van dit onderzoek heeft een opsporingsambtenaar onder meer dossieronderzoek verricht, diverse openbare registers geraadpleegd en in de periode van 23 juni 2014 tot en met 16 juli 2014 dagelijks meerdere waarnemingen verricht bij het adres van L. Tijdens deze waarnemingen is gezien dat appellant regelmatig in de vroege ochtend de woning van L via de voordeur verliet om daarna als bestuurder van een personenauto, merk [merk], voorzien van het kenteken [kenteken], die op zijn naam geregistreerd staat (personenauto), weg te rijden. Voorts is enkele malen waargenomen dat appellant later in de ochtend de personenauto nabij de woning van L parkeerde om daarna via de voordeur deze woning binnen te gaan. Tijdens de overige waarnemingen, die gedurende de voornoemde periode in de middag, in de avond of in de nacht hebben plaatsgevonden, werd de personenauto vrijwel altijd in de nabijheid van de woning van L aangetroffen. De opsporingsambtenaar heeft diverse malen waargenomen dat de ruiten van de personenauto in de vroege ochtenduren door ochtendnevel waren beslagen. Op 22 juli 2014 hebben de opsporingsambtenaren een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het adres van L en daarna heeft op kantoor een gesprek met L plaatsgevonden. L heeft tijdens dit gesprek onder meer verklaard dat zij de vader van haar twee dochters nooit ziet en dat hij nooit verblijft in haar woning. Op dezelfde datum hebben medewerkers van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal op verzoek van de Afdeling Toezicht en Handhaving een bezoek gebracht aan het uitkeringsadres en met K gesproken. K heeft onder meer verklaard dat appellant zes dagen in de week blijft slapen, op woensdag naar zijn vriendin in Roosendaal gaat en op donderdag weer terugkomt. Op 30 juli 2014 heeft een opsporingsambtenaar appellant gehoord, waarbij K ook aanwezig was. Tijdens dit gehoor heeft appellant aanvankelijk verklaard dat hij een latrelatie heeft met L, dat hij in het weekend en de nacht van woensdag op donderdag bij haar verblijft en dat hij altijd met zijn [merk] gaat. Nadat hij was geconfronteerd met de waarnemingen heeft appellant volgens het verslag van het gehoor het volgende verklaard:

“Ik wens op mijn verklaring terug te komen. Het klopt inderdaad dat ik vanaf 2008 het merendeel van de week op het adres van mijn vriendin, zijnde perceel [adres], verblijf. Dit was volgens mij ongeveer vanaf juli 2008. Met het merendeel van de week bedoel ik dat ik gemiddeld vijf à zes nachten op het adres van mijn vriendin bleef slapen. Op zondag verbleef ik steeds op het adres van mijn moeder.”

De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 5 augustus 2014.

1.4.

Naar aanleiding van het rapport van 5 augustus 2014 heeft een sociaal rechercheur, in dienst van de gemeente Bergen op Zoom, op 21 augustus 2014 een rapport opgemaakt. Hij is in dit rapport tot de conclusie gekomen dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van zijn hoofdverblijf buiten de gemeente Bergen op Zoom en het voeren van een gezamenlijke huishouding met L op het adres [adres].

1.5.

De onderzoeksresultaten, zoals neergelegd in het rapport van 5 augustus 2014, hebben het college aanleiding gegeven om bij besluit van 9 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2008 in te trekken. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 september 2008 geen woonplaats meer had in de gemeente Bergen op Zoom en daarom geen recht had op bijstand jegens het college.

1.6.

Bij besluit van 24 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2008 tot en met 30 juni 2014 tot een bedrag van € 66.549,02 van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort weergegeven, aangevoerd dat hij niet aan zijn verklaring van 30 juli 2014 kan worden gehouden omdat hij klaarblijkelijk onder invloed van medicijnen en druk van de rapporteur ten onrechte bevestigend heeft geantwoord op vragen. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2008 tot en met 9 september 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de

artikelen 1:10, eerste lid, en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40 van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Periode van 1 september 2008 tot en met 22 juni 2014

4.4.

De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van 5 augustus 2014, bieden, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 1 september 2008 tot en met 22 juni 2014 zijn woonplaats niet meer in de gemeente Bergen op Zoom had. Het college heeft zijn standpunt voor wat betreft deze periode gebaseerd op de in 1.3 weergeven verklaring van appellant van 30 juli 2014. Deze enkele verklaring is evenwel ontoereikend, omdat appellant niet specifiek en weinig gedetailleerd heeft verklaard. Concrete feiten en omstandigheden ontbreken. Zo is appellant in de aanduiding van de begindatum niet specifiek, omdat hij het over “ongeveer vanaf juli 2008” heeft. Het is onduidelijk waar die begindatum op is gebaseerd, terwijl uit het verslag ook niet blijkt op welke vraag dit een antwoord was. Evenmin heeft de sociaal rechercheur over bijvoorbeeld de nadere omstandigheden rond deze begindatum doorgevraagd. Dit klemt te meer, nu er geen andere gegevens zijn die de conclusie van het college ondersteunen. Zo bieden de gegevens over het watergebruik op het uitkeringsadres geen ondersteuning voor de conclusie dat appellant daar niet woonde. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden in de buurt van het uitkeringsadres. Ook overigens is geen nader onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant in deze periode. Voorts is van belang dat tijdens het huisbezoek in de woning van L, buiten wat scheergerei, geen kleding, schoeisel of toiletartikelen van appellant zijn aangetroffen of bijvoorbeeld poststukken op naam van appellant.

Periode van 23 juni 2014 tot en met 9 september 2014

4.5.

De onderzoeksbevindingen bieden wel een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 23 juni 2014 tot en met 9 september 2014 zijn woonplaats niet had in de gemeente Bergen op Zoom. Uit de onder 1.3 genoemde waarnemingen in deze periode blijkt dat appellant bijna dagelijks bij L in haar woning in Roosendaal aanwezig was en dat de personenauto van appellant vrijwel altijd in de nabijheid van de woning van L is aangetroffen. De beroepsgrond van appellant dat hij niet steeds degene kan zijn geweest die is waargenomen slaagt niet, nu de persoon die de woning van L verliet in de auto van appellant stapte en door de waarnemers als appellant is herkend. Bovendien heeft L bij de behandeling van haar beroepszaken op 30 april 2015 ter zitting van de rechtbank verklaard dat zij de juistheid van deze waarnemingen niet bestrijdt.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het college de bijstand van appellant over de periode van

1 september 2008 tot en met 22 juni 2014 ten onrechte heeft ingetrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden

besluit 1 wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2008 tot en met 22 juni 2014. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 9 september 2014 te herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 2008 tot en met 22 juni 2014, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan bestreden besluit 1 en dit gebrek niet kan worden hersteld.

4.7.

Gelet op 4.6 was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB slechts gehouden de kosten van teveel ontvangen bijstand van appellant over de periode van 23 tot en met 30 juni 2014 terug te vorderen. Ingevolge artikel 58, achtste lid, van de WWB kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (zie de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952). In de door appellant gestelde persoonlijke en financiële omstandigheden zijn geen dringende redenen gelegen, reeds omdat de terugvordering nog beperkt is tot een periode van een week.

4.8.

Omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal de Raad bestreden besluit 2 geheel vernietigen. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 23 tot en met 30 juni 2014. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Nu het daarbij nog slechts gaat om een financiële uitwerking, ziet de Raad geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal hij het college op dit punt een opdracht geven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.9.

Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.485,- in bezwaar, € 1.485,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 3.960,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 22 december 2014 voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand

over de periode van 1 september 2008 tot en met 22 juni 2014;

- herroept het besluit van 9 september 2014 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 december 2014;

- vernietigt het besluit van 25 februari 2015;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op

bezwaar te nemen wat betreft de terugvordering en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de wettelijke rente op de in 4.9 weergegeven

wijze;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 213,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.M. Overbeeke en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD