ECLI:NL:CRVB:2017:1776 Centrale Raad van Beroep , 09-05-2017 / 16/86 PW

Uitspraak

16/86 PW, 16/1742 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 november 2015, 15/3859 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 9 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kaouass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een besluit van 10 maart 2016 (nader besluit) ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaouass. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Mulders. Als tolk is verschenen H. Bassit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 23 juli 2002 bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 januari 2015 ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant heeft op 29 september 2014 gemeld dat hij van 4 oktober 2014 tot en met

29 oktober 2014 naar het buitenland gaat. Bij brief van 3 oktober 2014 heeft het college aan appellant meegedeeld hij deze periode met behoud van bijstand in het buitenland mag verblijven.

1.3.

Bij besluit van 18 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 2 november 2014 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant langer dan de toegestane periode van vier weken in het buitenland, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, heeft verbleven.

1.4.

Bij besluit van 25 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college vervolgens de over de periode van 2 november 2014 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.073,94 van appellant teruggevorderd.

1.5.

Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag heeft het college met ingang van

27 maart 2015 wederom aan appellant bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Bij het nader besluit heeft het college bestreden besluit 2 herzien in die zin dat het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2015 gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de periode van terugvordering wordt beperkt tot de periode van 2 november 2014 tot en met 20 januari 2015 en de hoogte van de terugvordering wordt vastgesteld op een bedrag van € 2.989,24. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant tijdens de zitting van de rechtbank heeft aangetoond dat hij op 21 januari 2015 naar Nederland is teruggekeerd. Op het moment dat hij in Nederland terugkeerde ontving hij nog steeds bijstand. Pas bij besluit van 18 maart 2015 heeft het college appellant op de hoogte gebracht van de intrekking van de bijstand met ingang van 2 november 2014 wegens een te lang verblijf in het buitenland. Daarop heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd waarna bijstand is toegekend aan appellant. De vermelding in het intrekkingsbesluit van 18 maart 2015 dat appellant in maart 2015 nog in het buitenland verbleef is onjuist. Daarom is besloten de periode van terugvordering te beperken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, nu het college daarin niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling in hoger beroep betrokken.

Intrekking

5.2.

Tussen partijen is in geschil of appellant in de periode van 2 november 2014 tot

21 januari 2015 (periode in geding) tijdens zijn verblijf buiten Nederland recht op bijstand heeft behouden.

5.3.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand.

5.4.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college, gelet op alle omstandigheden en in afwijking van onder meer artikel 13 van de WWB, bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

5.5.

Niet in geschil is dat appellant, die van 4 oktober 2014 tot 21 januari 2015 in Egypte verbleef, in 2014 de maximale termijn van vier weken aaneengesloten als genoemd in

artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB heeft overschreden en vanaf

2 november 2014 was uitgesloten van het recht op bijstand. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van zeer dringende redenen omdat hem geen enkel verwijt valt te maken van het feit dat hij langer in Egypte is verbleven. Hij had een vliegticket voor 29 oktober 2014, is op het vliegveld door de Egyptische autoriteiten tegengehouden en hem is verboden te vertrekken. Eerst na bemiddeling door de Nederlandse Ambassade mocht hij naar Nederland terugkeren. Door de terugvordering van de bijstand is appellant in een lastige financiële situatie terecht gekomen en zijn schulden ontstaan.

5.6.

In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen zeer dringende redenen gelegen als hiervoor vermeld. Nog daargelaten of appellant aansluitend op de hem toegestane vier weken door overmacht niet kon terugkeren naar Nederland, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in behoeftige omstandigheden is komen te verkeren. Tijdens zijn verblijf in Egypte is appellant opgevangen door familieleden. Overigens staat vast dat appellant tijdens zijn verblijf in Egypte ook bijstand heeft ontvangen. Eerst nadat appellant was teruggekeerd in Nederland heeft het college het recht op bijstand ingetrokken. De door appellant aangevoerde omstandigheden over de financiële gevolgen van de besluitvorming zijn geen zeer dringende redenen als hier bedoeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Terugvordering

5.7.

Aangezien het college bestreden besluit 2 bij het nader besluit heeft herzien en de periode en het bedrag van de terugvordering heeft beperkt, dient de aangevallen uitspraak reeds om die reden te worden vernietigd.

5.8.

Ter beantwoording van de vraag of het nader besluit in rechte in stand kan blijven overweegt de Raad het volgende.

5.9.

Appellant heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd ten aanzien van de berekening van de periode en het bedrag van de terugvordering. Voor zover appellant met wat hij ter zitting heeft aangevoerd over de financiële gevolgen van de terugvordering een beroep op dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de WWB heeft gedaan, slaagt deze beroepsgrond evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in zijn geval dringende redenen voordoen in de hiervoor bedoelde zin.

Slotsom

5.10.

Uit 5.2 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep van appellant, voor zover het bestreden besluit 1 betreft, niet slaagt. Uit 5.7 tot en met 5.9 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover het bestreden besluit 2 betreft, moet worden vernietigd, dat het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond moet worden verklaard, dat dit besluit moet worden vernietigd en dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond is.

6. Geen grond bestaat voor vergoeding van de door appellant in beroep en hoger beroep gemaakte kosten, omdat appellant eerst tijdens de zitting van de rechtbank de noodzakelijke gegevens heeft verstrekt op grond waarvan kon worden vastgesteld dat appellant reeds op

21 januari 2015 in Nederland was teruggekeerd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het betreft de terugvordering;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2015 (betreffende de terugvordering)

gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD