ECLI:NL:CRVB:2017:1778 Centrale Raad van Beroep , 09-05-2017 / 16/4281 PW

Uitspraak

16/4281 PW

Datum uitspraak: 9 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 juni 2016, 16/144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Voor appellant is verschenen mr. Boomstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 23 april 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Appellant stond tot en met 21 april 2015 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba, thans basisregistratie personen) ingeschreven op het adres van zijn ouders. Van 31 juli 2014 tot en met 21 oktober 2014 heeft appellant in detentie gezeten. Appellant heeft zich op 22 april 2015 ingeschreven op het adres van de Stichting [naam stichting] , waar hij feitelijk al vanaf 26 januari 2015 verbleef. Appellant is in september 2015 op zichzelf gaan wonen.

1.2.

Op 18 september 2015 heeft appellant, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Hierbij heeft hij op het aanvraagformulier vermeld dat hij de bijzondere bijstand naar een “nog door DWI te bepalen maximaal en graag als gift in verband met schulden” ontvangt (eerste aanvraag).

1.3.

Bij besluit van 22 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 november 2015 (bestreden besluit), heeft het college de eerste aanvraag afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanuit een situatie dat hij inwonend was bij zijn ouders op zichzelf is gaan wonen en dat het hierdoor gaat om voorzienbare kosten, waarvoor appellant had moeten reserveren.

1.4.

Op 26 januari 2016 heeft appellant opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting (tweede aanvraag).

1.5.

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college appellant bijzondere bijstand toegekend voor huisraad of inrichtingskosten tot een bedrag van € 2.500,-. Hierbij is vermeld dat dit bedrag wordt verstrekt in de vorm van een gift.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is eerst sprake van een voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de eerste aanvraag gelijkluidend was aan de tweede aanvraag, maar dat de tweede aanvraag beter was onderbouwd, waardoor het college meer alert was op het risico van radicalisering bij appellant en dat het college appellant daarom uit coulance alsnog bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting heeft verleend. Voorts heeft het college ter zitting desgevraagd bevestigd dat ook in het geval de eerste aanvraag tot het toekennen van bijzondere bijstand zou hebben geleid, een bedrag van € 2.500,- zou zijn verstrekt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij nog wel procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Ter zitting heeft appellant dit nader toegelicht en gesteld dat hij voor de onderhavige kosten geen geld had behoeven te lenen van derden indien het college hem in een eerder stadium bijzondere bijstand had verleend.

4.4.

Nu het college appellant uit coulance alsnog de gevraagde bijzondere bijstand heeft toegekend voor de kosten van woninginrichting, heeft een uitspraak van de Raad over deze kosten al geen feitelijke betekenis meer voor appellant. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat hij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming, geldt naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU2037) dat een dergelijke stelling niet op voorhand onaannemelijk mag zijn. Aan dit vereiste is niet voldaan. Appellant heeft de niet onderbouwde stelling dat hij geld heeft moeten lenen van derden op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, zodat al daarom niet aannemelijk is dat hij als gevolg van het na bezwaar gehandhaafde afwijzingsbesluit schade heeft geleden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellant onvoldoende procesbelang heeft. Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) A. Mansourova

HD