ECLI:NL:CRVB:2017:1779 Centrale Raad van Beroep , 09-05-2017 / 16/4321 PW

Uitspraak

16/4321 PW

Datum uitspraak: 9 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2016, 15/7036 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 4 september 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor “inrichtingskosten”, meer specifiek voor de kosten van een bed. Appellante heeft, voor zover van belang, toegelicht dat zij op een oud matras op de grond slaapt en daardoor erg veel last van haar rug heeft.

1.2.

Bij besluit van 18 september 2015 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 140,-.

1.3.

Bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2015 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het voor de gevraagde kosten van een bed op grond van een globaliseringstabel maximumbedragen hanteert van € 50,- voor een eenpersoons bedframe, € 30,- voor een eenpersoons lattenbodem en € 60,- voor een eenpersoons matras. Volgens het college kan voor het toegekende bedrag van in totaal € 140,- een bed worden gekocht. Dat appellante tevens een aanvraag voor beddengoed heeft gedaan is niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Inhoud aanvraag

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat zij met haar aanvraag niet alleen heeft beoogd een vergoeding te verkrijgen voor de kosten van een bedframe, een lattenbodem en een matras, maar ook voor beddengoed, en dat het aan het college is haar concreet te informeren en te bevragen over de reikwijdte van haar aanvraag. Als gevolg daarvan heeft het college niet volledig op de aanvraag beslist. Dat het voor het college niet duidelijk was dat appellante ook beddengoed nodig heeft en dat haar aanvraag ook daarop betrekking had, dient volgens appellante voor risico van het college te komen.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellante op het door haar ingediende aanvraagformulier met vermelding van “inrichtingskosten” uitsluitend heeft vermeld dat zij bijzondere bijstand vraagt voor een bed. Zoals volgt uit vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2010:BM1431), is appellante zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de door haar ingediende aanvraag om bijstand. Uit haar schriftelijke toelichting bij de aanvraag valt niet af te leiden dat zij met haar aanvraag tevens beoogde bijzondere bijstand aan te vragen voor de kosten van beddengoed.

Kosten bed

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de toegekende bijzondere bijstand niet toereikend is om een bed aan te schaffen.

4.4.

Het college hanteert voor de kosten van een bed de in 1.3 opgenomen bedragen als richtprijs.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7744) kan een bestuursorgaan niet de bevoegdheid worden ontzegd om, ter bepaling van de omvang van de noodzakelijke kosten respectievelijk de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening, forfaitaire bedragen of richtprijzen zodanig vast te stellen dat de betrokkene daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Dit laat onverlet dat het betrokkene vrijstaat aannemelijk te maken dat deze vergoeding in zijn geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke extra kosten. Dat daarvan in dit geval sprake was, is niet gebleken. De enkele stelling van appellante dat zij voor € 140,- niet een bed heeft kunnen aanschaffen, is daarvoor onvoldoende. Daarbij is nog van belang dat het college - onbestreden - heeft gesteld dat op “marktplaats” bedden worden aangeboden die met de aan appellante verstrekte bijzondere bijstand aan te schaffen zijn. De in 4.3 geformuleerde beroepsgrond slaagt dus niet.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD