ECLI:NL:CRVB:2017:1780 Centrale Raad van Beroep , 09-05-2017 / 16/4550 PW

Uitspraak

16/4550 PW

Datum uitspraak: 9 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 juni 2016, 15/8215 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Voor appellant is verschenen mr. Kuijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.B.H. Fijneman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 23 februari 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand heeft het college appellant bij brief van 24 juli 2015, die persoonlijk bij appellant is bezorgd, uitgenodigd voor een gesprek op

28 juli 2015 en hem verzocht om een aantal in die brief genoemde gegevens over te leggen. Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college het recht op bijstand opgeschort vanaf diezelfde datum op de grond dat appellant zonder bericht van verhindering geen gehoor heeft gegeven aan de oproep van 24 juli 2015. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen door te verschijnen op een gesprek op 31 juli 2015 om 09.00 uur en daarbij de eerder gevraagde gegevens over te leggen. Hierbij heeft het college appellant meegedeeld dat de bijstand wordt beëindigd indien hij geen gehoor geeft aan deze oproep. Ook op deze afspraak is appellant zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.2.

Bij besluit van 31 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 28 juli 2015 ingetrokken en de over de periode van 28 tot en met 31 juli 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 118,- van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna weergegeven gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 28 juli 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Niet in geschil is dat de door het college aan appellant gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Verder staat vast dat appellant niet is verschenen op het gesprek op 31 juli 2015 om 09.00 uur en de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn, te weten 31 juli 2015 om 09.00 uur, heeft ingeleverd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. In dit verband heeft hij aangevoerd dat hij ten tijde hier van belang kampte met rugklachten waardoor hij niet drie trappen naar beneden kon lopen om zijn brievenbus te legen. Appellant heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Uit de door appellant overgelegde verklaring van zijn huisarts van

3 augustus 2015 volgt niet dat hij ten tijde hier van belang buiten staat was om trap te lopen. Daarbij ligt het op de weg van appellant om in geval van de door hem gestelde rugklachten een derde in te schakelen om te bewerkstelligen dat hij toch kennis kan nemen van zijn post. Uit de gedingstukken volgt dat appellant hierin eerst na het bestreden besluit heeft voorzien.

4.4.

Verder heeft appellant aangevoerd dat hij op 31 juli 2015 na 09.00 uur kennis heeft genomen van de oproep, een medewerkster van het college heeft gebeld, de gevraagde gegevens heeft verzameld en een bezoek heeft gebracht aan de gemeente. Ook dit betoog treft geen doel. Vaststaat dat appellant niet is verschenen op het tijdstip waarop hij was uitgenodigd en dat hij de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd, zodat was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Van het telefonisch gesprek met de medewerkster is geen telefoonnotitie opgemaakt. Het bezoek van appellant aan het kantoor van het college op de Blaak is niet verifieerbaar. Ervan uitgaande dat dit gesprek en bezoek hebben plaatsgevonden kan dan ook niet worden vastgesteld wat de inhoud is geweest van wat toen met appellant is besproken.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand. De stelling van appellant dat het college in plaats van een schriftelijke uitnodiging te bezorgen hem telefonisch had kunnen uitnodigen voor het gesprek op 31 juli 2015, wat gelet op zijn medische situatie effectiever was geweest, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het is aan het college om te bepalen op welke wijze een betrokkene voor een gesprek wordt uitgenodigd.

4.6.

Appellant heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden gericht, zodat deze onbesproken kan blijven.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C. Moustaïne

HD

Verder lezen