ECLI:NL:CRVB:2017:1805 Centrale Raad van Beroep , 17-05-2017 / 16/4927 WMO15

Uitspraak

16/4927 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2016, 15/9039 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante 1] (appellante 1), [appellante 2] (appellante 2) en [appellante 3] (appellante 3), allen te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 17 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten, waarbij appellanten 2 en 3 wettelijk zijn vertegenwoordigd door appellante 1, heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/4905, 16/5722 en 16/4927 heeft gevoegd plaatsgehad op 5 april 2017. Namens appellante zijn verschenen mr. Weijsenfeld en mr J. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Dam. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante 1, van Nicaraguaanse nationaliteit, verblijft sinds 2002 in Nederland. Zij heeft twee minderjarige dochters, appellanten 2 en 3. Appellante 2 heeft de Nederlandse nationaliteit.

1.2.

Het college heeft appellanten sinds 2013 maatschappelijk opvang geboden op vakantiepark [vakantiepark] .

1.3.

Appellanten hebben het college op 5 maart 2015 verzocht hen op grond van de

Wet maatschappelijke opvang 2015 (Wmo 2015) een passende maatwerkvoorziening te bieden. De geboden opvang in [vakantiepark] is volgens hen niet passend.

1.4.

Bij besluit van 1 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2015 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft het college overwogen dat niet is gebleken dat de opvang in [vakantiepark] niet voldoet aan de minimale vereisten.

1.5.

Op 15 februari 2016 zijn appellanten verhuisd naar de opvangvoorziening aan de [opvangvoorziening] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank verblijven appellanten niet langer in [vakantiepark] , maar zijn zij verhuisd naar de [opvangvoorziening] . De stelling dat tijdens het verblijf in [vakantiepark] geen adequate voorziening is geboden en dat appellanten daardoor schade hebben geleden is niet onderbouwd.

3. Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, met het oog op de toekomst procesbelang hebben bij een beoordeling van de opvang in [vakantiepark] . De Raad volgt appellanten in dit standpunt. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3990) volgt dat procesbelang ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat een inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter over het bestreden besluit kan worden betrokken bij een eventuele toekomstige aanvraag voor – vergelijkbare – opvang.

4.2.

In [vakantiepark] hebben appellanten een vakantiehuis gedeeld met een gezin bestaande uit een moeder en haar minderjarige dochter. Het vakantiehuis, dat geschikt was voor zes personen, beschikte over onder meer drie slaapkamers, toilet, badkamer, koelkast, magnetron en televisie. Uit de toelichting van het college blijkt dat het niveau van de opvang in [vakantiepark] ten minste gelijk is geweest aan de opvang die Nederlandse gezinnen wordt geboden. Nog daargelaten de vraag in hoeverre appellante 1 rechten kan ontlenen aan de Wmo 2015, is de Raad van oordeel dat het college met de opvang in [vakantiepark] een passende bijdrage heeft geleverd aan het realiseren van een situatie waarin appellanten in staat worden gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag van appellanten om een passende maatwerkvoorziening, afgewezen.

4.3.

Voor zover appellanten gronden hebben aangevoerd gericht tegen de opvang aan de [opvangvoorziening] , komt de Raad aan een bespreking daarvan niet toe omdat deze vallen buiten de omvang van het geding.

4.4.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

KP