ECLI:NL:CRVB:2017:1819 Centrale Raad van Beroep , 17-05-2017 / 15/5841 WAZ

Uitspraak

15/5841 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2015, 14/1575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J.J. Straver, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. Straver zich als gemachtigde van appellante teruggetrokken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde [naam gemachtigde]. Voor het Uwv is verschenen

mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Appellante heeft in de periode van 1 november 2010 tot en met 30 april 2011 vrijwilligerswerk gedaan bij het [naam werkgever], waarvoor zij een onkostenvergoeding heeft ontvangen. Zij is vervolgens met ingang van 18 juli 2011 in dienst getreden bij [naam stichting] [stichting]). Appellante heeft zich met ingang van 20 september 2011 ziek gemeld. Bij besluit van 27 september 2011 is zij met ingang van 20 september 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het Uwv de betaling van de WAZ-uitkering met ingang van 1 juli 2013 stopgezet. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante het Uwv niet heeft geïnformeerd dat zij is gaan werken en/of een andere uitkering ontvangt. Daardoor kan niet worden vastgesteld of appellante nog langer recht heeft op een WAZ-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 30 augustus 2013 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op grond van haar inkomen bij [stichting] en de aansluitende uitkering op grond van de ZW over de periode vanaf 18 juli 2011 vastgesteld op minder dan 25% en beslist dat haar WAZ-uitkering vanaf die datum niet wordt betaald. Het Uwv heeft tevens een bedrag van € 27.438,31 aan volgens het Uwv over de periode van 18 juli 2011 tot en met

1 juli 2013 onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij een tweede besluit van 26 september 2013 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 250,-, omdat zij niet heeft doorgegeven dat zij in de periode van 18 juli 2011 tot en met 19 september 2011 werkzaam is geweest bij [stichting].

1.6.

De tegen de in 1.4 en 1.5 genoemde besluiten gemaakte bezwaren heeft het Uwv bij besluit van 5 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in hoger beroep nog van belang, het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante het Uwv niet tijdig melding gedaan van haar inkomsten per 18 juli 2011 bij [stichting]. Het had appellante ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij naast haar inkomen uit werkzaamheden en haar inkomsten op grond van een ZW-uitkering, geen recht kon hebben op een (volledige) WAZ-uitkering. Uit de bewoordingen van het besluit van 27 september 2011, waarbij appellante in aanmerking is gebracht voor een ZW-uitkering, kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat hierin een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige uitlating van het Uwv is opgenomen dat appellante recht blijft houden op haar WAZ-uitkering naast de ZW-uitkering. Volgens de rechtbank mocht het Uwv dan ook met terugwerkende kracht toepassing geven aan artikel 58 van de WAZ. De rechtbank heeft in de door appellante ingebrachte medische stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de veronderstelling dat de terugvordering tot onaanvaardbare gevolgen voor de fysieke of psychische gezondheidstoestand van appellante zou kunnen leiden. De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat de boete slechts betrekking heeft op de periode van 18 juli 2011 tot en met

19 september 2011, de periode waarin appellante werkzaamheden heeft verricht voor [stichting], welke werkzaamheden appellante niet bij het Uwv heeft gemeld. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat dit haar te verwijten valt. In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan het Uwv zou moeten afzien van het opleggen van een boete. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de boete in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij met behulp van haar jobcoach de start van haar werkzaamheden bij het Uwv heeft gemeld. Haar wordt ten onrechte door de rechtbank verweten niet zorgvuldig te hebben gehandeld, terwijl zij kampt met psychische problemen. Appellante heeft tevens aangevoerd dat zij door haar psychische klachten niet kon weten dat haar uitkering destijds niet klopte. Zij acht de herziening van haar uitkering met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel. Het Uwv had in redelijkheid niet tot anti-cumulatie mogen overgaan, dan wel had de hoogte van het terugvorderingsbedrag moeten matigen. Voorts heeft appellante gesteld dat de terugvordering tot een verergering van haar klachten heeft geleid. In dat verband heeft zij erop gewezen dat de door het Uwv opgestelde medische rapporten en arbeidskundige onderzoeken spreken van een toename van klachten en een negatief toekomstscenario. Volgens appellante is dit het gevolg van de terugvorderingsbeslissing en is de verslechtering van haar psychische gezondheid onaanvaardbaar. Volgens appellante is geen sprake van verwijtbaarheid van haar kant, zodat het Uwv geen boete had mogen opleggen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4 en 6.1 tot en met 6.3 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.2.

Het Uwv hanteert met betrekking tot de intrekking of herziening van een uitkering met terugwerkende kracht een beleid, neergelegd in de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels). In artikel 3 van deze Beleidsregels staat:

1. Indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, vindt intrekking of herziening van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.

2. Indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan. Is deze dag niet te bepalen, dan vindt de intrekking of herziening plaats met ingang van de dag vanaf welke het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

3. Indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

De toepassing van artikel 58 van de WAZ en de terugvordering

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante werkzaamheden heeft verricht voor [stichting] en dat zij dit had moeten melden bij het Uwv. Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over de vraag of appellante de werkzaamheden bij [stichting] daadwerkelijk heeft gemeld bij het Uwv. Appellante wordt niet gevolgd in het standpunt dat zij aan de meldingsplicht heeft voldaan, omdat zij samen met de jobcoach het wijzigingsformulier zou hebben ingevuld en toegezonden. Uit het overzicht van de activiteiten van haar jobcoach blijkt dat de jobcoach heeft genoteerd dat het Uwv moest worden geïnformeerd over het feit dat appellante door de [stichting] is aangenomen. Ook blijkt daaruit dat de jobcoach op 11 juli 2011 heeft vermeld dat hij voor appellante een wijzigingsformulier heeft ingevuld en opgestuurd naar het Uwv. Maar niet is gebleken dat het om een melding gaat van de werkzaamheden bij [stichting]. Het Uwv heeft wel een wijzigingsformulier van appellante ontvangen. Dit betreft echter een formulier van 27 juni 2011, door het Uwv ontvangen op 3 augustus 2011, waarin melding is gedaan van de vrijwilligerswerkzaamheden die appellante ten behoeve van [naam werkgever] heeft verricht. Mede gelet op het feit dat appellante ter zitting heeft verklaard dat zij het wijzigingsformulier een week na aanvang van de werkzaamheden bij [stichting] samen met haar jobcoach heeft ingevuld en zij die werkzaamheden eerst op 18 juli 2011 is begonnen, zou de melding van de jobcoach van 11 juli 2011 ook geen betrekking kunnen hebben op de werkzaamheden bij [stichting]. Appellante heeft zelf geen kopie van het wijzigingsformulier in haar bezit waarmee zij haar standpunt kan onderbouwen. Al deze omstandigheden tezamen maken dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante het Uwv niet heeft geïnformeerd over haar werkzaamheden bij [stichting] en daarmee haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.4.1.

Appellante heeft erkend dat het Uwv gehouden is de inkomsten uit arbeid en de

ZW-uitkering die zij heeft ontvangen in mindering te brengen op de WAZ-uitkering (anti-cumulatie). Zij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het Uwv deze anti-cumulatie niet met terugwerkende kracht had mogen toepassen, omdat het haar niet redelijkerwijs duidelijk was dat zij te veel uitkering ontving. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt. De WAZ-uitkering van appellante bedroeg voordat zij ging werken bij [stichting] circa € 705,- netto per maand. Bij [stichting] heeft zij een inkomen verdiend van € 1.193,02 netto per periode van 4 weken. Na het einde van haar arbeidsovereenkomst ontving appellante een ZW-uitkering van € 241,76 netto per week en de WAZ-uitkering. Dit betekent dat haar uitkeringen op dat moment circa € 1.700,- netto per maand bedroegen. Dit is niet alleen aanzienlijk hoger dan het bedrag dat appellante bij de [stichting] verdiende, maar ook aanzienlijk hoger dan de uitkering die zij voorafgaande aan het verrichten van haar werkzaamheden ontving.

4.4.2.

De omstandigheid dat appellante bij onder meer haar re-integratiebegeleider en een verzekeringsarts van het Uwv melding heeft gedaan van het feit dat zij zowel een

WAZ-uitkering als een ZW-uitkering ontving, doet aan wat is overwogen onder 4.3.1 niet af. Het ontvangen van een ZW-uitkering naast een WAZ-uitkering is op niet in strijd met de betreffende regelingen. Bij de betaling van de WAZ-uitkering moet dan wel rekening worden gehouden met de ZW-uitkering. Niet is gebleken dat appellante melding heeft gedaan bij het Uwv dat zij in totaal meer aan uitkeringen ontving dan de WAZ-uitkering die zij voordat zij werkzaamheden is gaan verrichten, dan wel de inkomsten die zij uit het verrichten van arbeid heeft genoten.

4.4.3.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan evenmin slagen. Voor een geslaagd beroep op dit beginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een toezegging door het Uwv dat appellante recht blijft houden op een (ongekorte)

WAZ-uitkering naast haar inkomsten bij [stichting] en/of een ZW-uitkering is niet gebleken.

4.5.

Niet in geschil is dat het Uwv op zichzelf gehouden is tot terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering over te gaan. Evenmin is de hoogte van het terug te vorderen bedrag in geschil. Appellante is echter van mening dat er een dringende reden is om van terugvordering af te zien. Als gevolg van de terugvordering zou haar medische situatie zijn verslechterd. Gebleken is dat appellante met ingang van 18 september 2014 in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat haar medische situatie is verslechterd als gevolg van de terugvordering van de WAZ-uitkering. Appellante is immers in 1999 ook uitgevallen wegens psychische klachten en is destijds 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Haar huisarts heeft in 2011 gesteld dat appellante arbeidsongeschikt was wegens het niet opgewassen zijn tegen de eisen die het leven stelt als gevolg van psychische klachten. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er in zijn rapport van

4 februari 2015 op dat de psychische klachten van appellante al jaren bestaan en dat er prognostisch van wordt uitgegaan dat deze klachten van blijvende aard zijn. Hij onderkent dat de terugvordering en de financiële gevolgen wel enig effect hebben op de psychische klachten van appellante, maar volgens hem is de terugvordering een oorzakelijke noch een onderhoudende factor van de klachten. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er een direct verband bestaat tussen de terugvordering en het feit dat zij nog steeds psychische klachten ondervindt. De omstandigheid dat appellante de terugvordering als druk heeft ervaren en deze dus enige stress bij haar heeft veroorzaakt, betekent niet dat er sprake is geweest van onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is daarom geen sprake.

De boete

4.6.

Voorop wordt gesteld dat de boete slechts betrekking heeft op het niet melden van de werkzaamheden bij [stichting]. Op grond van de in 4.3 genoemde feiten en omstandigheden heeft het Uwv niet alleen aannemelijk gemaakt, maar ook aangetoond, dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door het Uwv geen mededeling te doen van haar werkzaamheden bij [stichting].

4.7.

Appellant kan van de schending van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Ook uit de door appellante overgelegde informatie van verzekeringsarts Van der Eijk van Triage Medisch Adviesbureau blijkt dat er geen aanwijzingen zijn gebleken op grond waarvan zou kunnen worden gesteld dat appellante niet in staat zou zijn geweest binnen een week melding te maken van haar inkomsten uit arbeid. Het Uwv heeft zich inmiddels − gelet op de informatie van Van der Eijk, maar ook gezien de rapporten van verzekeringsartsen Evegaars en Luijters van het Uwv − op het standpunt gesteld dat het niet nakomen van de inlichtingenplicht appellante slechts verminderd is toe te rekenen. Een boete van € 120,15 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige gebleken omstandigheden.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover het de boete betreft. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen bestreden besluit gegrond worden verklaard en dat besluit, voor zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 250,- worden vernietigd wegens strijd met artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts zal de Raad met toepassing van artikel 8:72a van de Awb het bedrag van de boete vaststellen op € 120,15.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990 in bezwaar, € 990,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de hoogte van de boete in stand heeft gelaten;

-

verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2014 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 250,-;

-

stelt het bedrag van de boete vast op € 120,15 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 5 februari 2014;

-

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-

veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

-

bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.J. van Gendt

IvR