ECLI:NL:CRVB:2017:1930 Centrale Raad van Beroep , 30-05-2017 / 16/5000 PW

Uitspraak

16 5000 PW, 16/5002 WWB

Datum uitspraak: 30 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

30 juni 2016, 15/3721 (aangevallen uitspraak 1) en 15/7531 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 april 2017. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 27 januari 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het inlichtingenbureau op 15 augustus 2014 dat appellant meer dan één kenteken op zijn naam heeft staan heeft een sociale rechercheur van de gemeente Wageningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer gegevens opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (RDW), internetonderzoek verricht en op 29 augustus 2014 appellant gehoord. Bij het onderzoek is vastgesteld dat in de periode van 27 januari 2014 tot en met 29 augustus 2014 zes auto’s op naam van appellant geregistreerd stonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 september 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

15 september 2014 het recht op bijstand van appellant met ingang van 27 januari 2014 in te trekken. Bij besluit van 17 september 2014 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 27 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 tot een bedrag van € 4.754,18 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij vermogen heeft in de zin van zes auto’s en dat hierdoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Appellant heeft op 23 februari 2015 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend.

1.5.

Bij besluit van 18 mei 2015 heeft het college aan appellant met ingang van 15 april 2015 bijstand op grond van de PW toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant tot en met 14 april 2015 kentekens op zijn naam had staan. Hierdoor kan het recht op bijstand tot 15 april 2015 niet worden vastgesteld. Tevens heeft het college bij dat besluit een maatregel opgelegd bestaande uit een verlaging van de bijstand van 100% voor de duur van een maand. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid omdat appellant de auto’s zonder (geldelijke) tegenprestatie heeft overdragen aan een derde.

1.6.

Bij besluit van 1 juni 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 15 september 2014 en 17 september 2014 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 20 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de auto’s weliswaar op zijn naam stonden, maar dat deze niet tot zijn vermogen gerekend moeten worden. En ook als vastgesteld zou worden dat de auto’s als eigendom van appellant te gelden hebben, is het niet redelijk om deze tot zijn vermogen te rekenen. Het was immers niet zo dat appellant over dit vermogen kon en mocht beschikken als bij eigendomsrechten is bedoeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 27 januari 2014 tot en met 15 september 2014.

4.2.

Vaststaat dat in de te beoordelen periode zes auto’s op naam van appellant stonden geregistreerd bij de RDW.

4.3.

Het gegeven dat een kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd.

4.4.

Appellant heeft gesteld dat de kentekens op zijn naam waren gesteld om de auto’s in het kader van een echtscheiding waarin zijn vader verwikkeld was buiten de verdeling van de gemeenschap te laten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit betekent dat daarmee ook is beoogd de eigendom van deze auto’s op appellant over te laten gaan. Dat de vader van appellant alle met de auto’s samenhangende kosten heeft betaald, maakt in het licht daarvan niet dat de eigendom van deze auto’s bij de vader van appellant berust. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de auto’s geen bestanddeel vormen van zijn vermogen en dat hij niet over de auto’s kon beschikken.

4.5.

Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te doen aan het college van de eigendom van de auto’s en geen gegevens te verstrekken over de waarde ervan. Aangezien controleerbare gegevens over de waarde van de auto’s ontbreken, kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB is dan ook voldaan.

4.6.

Appellant heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat die verder geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

Maatregel (aangevallen uitspraak 2)

4.8.

Artikel 18, tweede lid, van de PW bepaalt, voor zover thans van belang, dat het college, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, de bijstand overeenkomstig de verordening verlaagt. Deze verordening is in dit geval de Afstemmingsverordening Wageningen 2015 (Verordening).

4.9.

Artikel 10, eerste lid, van de Verordening luidt:

“Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.”

4.10.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het overdragen van de auto’s zonder tegenprestatie gezien kan worden als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Met het om niet overdragen van deze vermogensbestanddelen heeft appellant zijn vermogen verlaagd en daardoor vervroegd een beroep op bijstand moeten doen. Het college was gelet op artikel 18, tweede lid, van de PW dan ook gehouden bij wijze van maatregel de bijstand van appellant te verlagen. Nu appellant hier voor het overige niets tegen heeft ingebracht, bestaat geen aanleiding bestreden besluit 2 voor onjuist te houden.

4.11.

Uit 4.8 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 2 ook moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) L.V. van Donk

HD