ECLI:NL:CRVB:2017:2014 Centrale Raad van Beroep , 07-06-2017 / 15/4168 WW

Uitspraak

15/4168 WW, 16/3962 WW, 16/4006 WW

Datum uitspraak: 7 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 mei 2015, 14/11287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft op 21 juli 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is met ingang van 15 september 2013 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [naam werkgever] (werkgever) als [naam functie] . Bij brief van 4 oktober 2013 heeft werkgever betrokkene bevestigd dat op 27 september 2013 is besloten het dienstverband binnen de proeftijd te beëindigen. Betrokkene heeft vervolgens per die datum een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.2.

Appellant heeft betrokkene bij besluit van 18 oktober 2013 een recht op WW-uitkering per 27 september 2013 ontzegd, omdat werkgever het loon heeft doorbetaald tot en met

15 oktober 2013. Appellant heeft betrokkene bij besluit van 6 november 2013 alsnog met ingang van 16 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

1.3.

Gelet op het feit dat het appellant was gebleken dat betrokkene pas per 1 januari 2014 werkloos was geworden, heeft appellant bij besluit van 19 mei 2014 het besluit van

6 november 2013 herzien en betrokkene met ingang van 1 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

1.4.

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft appellant de volgens hem onverschuldigd betaalde

WW-uitkering over de periode van 14 oktober 2013 tot en met 5 januari 2014 tot een bedrag van € 7.907,- bruto van betrokkene teruggevorderd.

1.5.

Bij een tweede besluit van 4 juni 2014 heeft appellant betrokkene een boete van € 7.907,- opgelegd. Hieraan ligt ten grondslag dat betrokkene appellant niet heeft gemeld dat zijn werkgever het loon tot en met 31 december 2013 heeft betaald.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 3 november 2014 (bestreden besluit 1) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de onder 1.4 en 1.5 genoemde besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep nog van belang – het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft en de hoogte van de boete vastgesteld op € 1.980,-. De rechtbank heeft over de terugvordering overwogen dat appellant op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW in beginsel verplicht is bij onverschuldigde betaling tot terugvordering over te gaan. Uit het systeem van de wet volgt dat ten onrechte betaalde uitkering bruto van betrokkene wordt teruggevorderd. De door appellant in verband met de WW-uitkering – achteraf bezien – onterecht afgedragen premies en belastingen kan betrokkene terugvragen van de Belastingdienst. De rechtbank heeft voorts overwogen dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat de hoogte van een op te leggen boete moet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het niet nakomen van de inlichtingenplicht levert volgens de rechtbank in beginsel een ernstige overtreding op. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat betrokkene het achterstallige loon naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst in één keer van de voormalige werkgever betaald heeft gekregen. Gelet hierop is het niet onvoorstelbaar dat betrokkene, die niet juridisch is onderlegd, in de veronderstelling heeft verkeerd dat het om een ontslagvergoeding ging in plaats van loon. Bovendien heeft betrokkene de ‘ontslagvergoeding’ ook niet voor appellant verzwegen. Betrokkene heeft volgens de rechtbank bij zijn werkcoach nagevraagd of een ontslagvergoeding moest worden gemeld. Een boete van 25% van het benadelingsbedrag, zijnde € 1.980,-, acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden evenredig.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat betrokkene het niet nakomen van de inlichtingenplicht (normaal) te verwijten valt en dat er daarom een boete van 50% van het benadelingsbedrag moet worden opgelegd. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat uit Suwinet blijkt dat het loon van betrokkene is betaald over de maanden oktober tot en met december 2013, waarna de beëindigingsvergoeding in januari 2014 is betaald. Betrokkene heeft ook erkend dat hij de bedragen apart betaald heeft gekregen. Appellant kan de rechtbank dan ook niet volgen in de redenering dat betrokkene in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat het om een ontslagvergoeding ging. Bovendien blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst dat dit niet het geval is. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat het loon tot en met 31 december 2013 werd doorbetaald, zodat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk had kunnen en moeten zijn dat hij appellant van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte moest stellen. Appellant heeft er voorts nog op gewezen dat de eerste WW-dag al eerder was opgeschoven in verband met het doorbetalen van loon. Van betrokkene had daarom extra alertheid mogen worden verwacht.

3.2.

Betrokkene heeft aangevoerd dat appellant in zijn geval de onverschuldigd betaalde

WW-uitkering netto had moeten terugvorderen in plaats van bruto. Volgens betrokkene heeft appellant bovendien een fout gemaakt bij de beoordeling van zijn uitkeringsaanvraag, omdat het appellant op basis van de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst duidelijk had moeten zijn dat daarin een fout stond, zodat hij niet ontslagen kon worden en hem daarom geen WW-uitkering kon worden toegekend. Voorts heeft hij benadrukt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het bedrag dat hij van werkgever heeft ontvangen een ontslagvergoeding betrof. De boete van 50% van het terug te betalen bedrag staat in geen verhouding tot de uitkering die hij heeft mogen ontvangen. Volgens betrokkene had – gelet op de ontvangen WW-uitkering en de fout van appellant bij de beoordeling van de aanvraag om een WW-uitkering – de boete op € 0,- moeten worden gesteld.

3.3.

Bij besluit van 21 juli 2015 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bedrag van de boete nader vastgesteld op € 3.960,-. Nadien heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de boete onjuist is berekend, omdat het benadelingsbedrag ten onrechte niet was gesaldeerd met een bedrag van € 364,80. Ter zitting heeft appellant verduidelijkt dat dit zou betekenen dat de boete moet worden vastgesteld op € 3.771,10.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Besteden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

4.2.1.

Op grond van artikel 25, eerste volzin, van de WW is de werknemer verplicht het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.2.2.

Artikel 27a, eerste lid, van de WW verplicht appellant een boete op te leggen aan degene die zijn inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt. Het enkele feit dat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden, is niet voldoende voor het opleggen van een boete. Daartoe is ook vereist dat betrokkene ter zake van die overtreding een verwijt kan worden gemaakt. Bovendien zal, bij verwijtbaarheid, de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuursorgaan met betrekking tot de boete aan deze eisen voldoet en dus leidt tot een evenredige sanctie (zie bijvoorbeeld CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754).

4.2.3

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door appellant teruggevorderd.

4.2.4

Volgens de Beleidsregel terug- en invordering van 31 maart 1999 (Stcrt.1999, 75) en de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2087), vindt terugvordering van bruto bedragen plaats indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Vindt de terugbetaling plaats binnen hetzelfde belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond, dan kan worden volstaan met terugbetaling van het nettobedrag.

4.3.

Eerst zal de door betrokkene in het kader van het incidenteel hoger beroep aangevoerde beroepsgrond over de terugvordering worden besproken. De door betrokkene in het kader van het incidenteel hoger beroep aangevoerde beroepsgronden, die zien op de boete, zullen gezamenlijk worden besproken met het hoger beroep, gezien de sterke verwevenheid tussen de desbetreffende beroepsgronden.

Terugvordering

4.4.

Vast staat dat betrokkene de door hem te veel ontvangen WW-uitkering niet heeft terugbetaald in het belastingjaar waarin hij de WW-uitkering heeft ontvangen. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat in zijn geval zou moeten worden volstaan met een netto terugvordering, omdat hij nog steeds niet in staat is geweest om het loonbelastingdeel van de Belastingdienst terug te krijgen. Nu in het 4.2.4 genoemde beleid is verdisconteerd dat in geval van bruto terugvordering de betrokkene het loonbelastingdeel zelf bij de Belastingdienst moet terugvragen en de Belastingdienst daarover een beslissing moet nemen bestaat daarin geen aanleiding tot afwijking van dat beleid en de vaste rechtspraak van de Raad. Mocht achteraf blijken dat betrokkene door deze wijze van terugvordering (belasting)schade heeft opgelopen, kan hij zich alsnog tot appellant wenden met een verzoek om vergoeding van deze schade.

Boete

4.5.

Niet in geschil is dat betrokkene over de periode van 14 oktober 2014 tot 1 januari 2015 nog loon heeft ontvangen van werkgever en dat hij in die periode niet als werkloos was aan te merken en dus ten onrechte een WW-uitkering heeft ontvangen. Voorts is niet in geschil dat betrokkene appellant niet heeft gemeld dat als gevolg van de vaststellingsovereenkomst zijn arbeidsovereenkomst nog doorliep tot en met 31 december 2013 en hij tot en met die datum loon heeft ontvangen. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene daarmee de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, wordt onderschreven. Betrokkene kan dit bovendien worden verweten.

4.5.1.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is er geen aanleiding voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat betrokkene het achterstallig loon naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst in één keer betaald heeft gekregen. Betrokkene heeft immers erkend dat werkgever het loon en de beëindigingsvergoeding in delen heeft overgemaakt. Betrokkene wist, dan wel kon weten, dat het om verschillende componenten ging. Daarbij is van belang dat betrokkene gelet op de positie die hij heeft bekleed geacht mag worden de afspraken die zijn neergelegd in de vaststellingsovereenkomst te kunnen begrijpen. Deze afspraken zijn helder geformuleerd, waarbij de doorbetaling van loon tot

1 januari 2014 en de betaling van een beëindigingsvergoeding na afloop van het dienstverband zijn vermeld. Betrokkene heeft bovendien verklaard met zijn toenmalige advocaat te hebben gesproken over de inhoud van de te treffen regeling. Ook kon het betrokkene duidelijk zijn dat het ontvangen van loon gevolgen heeft voor het ontstaan van het recht op een WW-uitkering, omdat het recht op uitkering hem naar aanleiding van zijn aanvraag om een WW-uitkering per 27 september 2013 was ontzegd omdat werkgever het loon heeft betaald tot en met 15 oktober 2013.

4.5.2.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is niet gebleken dat betrokkene bij zijn werkcoach heeft nagevraagd of hij een ontslagvergoeding moest melden bij appellant. Voor zover appellant heeft kunnen nagaan, hebben de contacten tussen betrokkene en appellant slechts betrekking gehad op het starten als zelfstandige. Niet naar voren is gekomen dat betrokkene heeft gemeld dat hij een ontslagvergoeding zou hebben verkregen. Ook als hij dit wel zou hebben gemeld, zou dit nog steeds betekenen dat betrokkene geen openheid van zaken heeft gegeven aangezien hij dan nog steeds niet zou hebben gemeld dat hij nog tweeëneenhalve maand loon heeft ontvangen van zijn werkgever.

4.5.3.

De stelling van betrokkene dat appellant bij zijn aanvraag om een WW-uitkering had moeten onderkennen dat de in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijd nietig is en hij daarom aanspraak zou kunnen maken op loon jegens zijn werkgever en geen recht had op WW, kan hem niet baten. Wat hier verder van zij, laat dit immers onverlet dat aan betrokkene een WW-uitkering is toegekend, wat de verplichting meebrengt om de loonbetaling tot en met 31 december 2013 aan het Uwv door te geven.

4.5.4.

Uit 4.5 tot en met 4.5.3 volgt dat de rechtbank de mate van verwijtbaarheid niet juist heeft vastgesteld. In de situatie van betrokkene is aanleiding uit te gaan van normale verwijtbaarheid, zodat de boete 50% van benadelingsbedrag bedraagt. Dit komt neer op een bedrag van € 3.771,10. Deze boete is in het geval van betrokkene evenredig.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5.4 volgt dat het hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 3.960,- vernietigen wegens strijd met artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts zal de Raad met toepassing van artikel 8:72a van de Awb het bedrag van de boete vaststellen op € 3.771,10.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Ter zitting heeft appellant toegelicht inmiddels het door betrokkene in beroep betaalde griffierecht te hebben vergoed.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtbank het bedrag van de boete

heeft vastgesteld op € 1.980,-;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2015 gegrond en vernietigt dit besluit;

- stelt de boete vast op € 3.771,10 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het door de rechtbank vernietigde besluit van 3 november 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) I.G.A.H. Toma

HD