ECLI:NL:CRVB:2017:2028 Centrale Raad van Beroep , 06-06-2017 / 16/556 PW

Uitspraak

16 556 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

10 december 2015, 15/2620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] woonachtig in Engeland (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

Datum uitspraak: 6 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [Appellant], vader van appellant, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Namens appellant is

[Appellant] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.L. Slegers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant had tot 28 april 2014 een dienstverband in Londen als [naam functie] in de reclamewereld met een salaris van ruim € 7.900,- netto per maand. Hij is met ingang van die datum ontslagen vanwege een reorganisatie en ontving vervolgens een Engelse werkloosheidsuitkering, een Jobseekers Allowance. Omdat appellant zijn appartement in Londen niet meer kon betalen heeft hij de huur daarvan op 24 november 2014 opgezegd. Appellant is op 27 november 2014 naar Nederland verhuisd. Hij heeft zijn Engelse werkloosheidsuitkering opgezegd. Op 1 december 2014 heeft hij zich ingeschreven op het adres van zijn vader in [plaatsnaam] en zich vervolgens op 2 december 2014 bij het Uwv gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft met zijn vader afgesproken dat hij € 250,- per maand zou betalen voor kost en inwoning. De inboedel van zijn appartement in London heeft hij in Londen opgeslagen tegen een tarief van £ 385,- (omgerekend ongeveer € 520,-) per maand.

1.2.

Bij besluit van 28 januari 2015 heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen op de grond dat appellant geen recht op bijstand heeft omdat hij een vermogen heeft boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.

1.3.

Bij besluit van 22 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant, met wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Het college heeft het standpunt dat sprake is van een overschrijding van de vermogensgrens verlaten en zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de stortingen van aanzienlijke bedragen op de Engelse bankrekening van appellant. Dit betreft de volgende, door het college naar euro’s omgerekende, bedragen:

  1. 24 december 2014 € 6.826,03 onder vermelding van “lening [Appellant]”;

  2. 29 januari 2015: € 327,96;

  3. 2 februari 2015: € 549;

  4. 11 februari 2015: € 3.062,73 van “The Dispute Service”;

  5. 11 februari 2015: € 4.430,- overgemaakt door [Appellant];

  6. 23 april 2015: € 2.049,74 onder vermelding van “lening [Appellant]”;

  7. 14 mei 2015: € 2.049,74 onder vermelding van “lening [Appellant]”.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de stortingen van de hiervoor onder a tot en met g vermelde bedragen op zijn bankrekening onvoldoende heeft verklaard. Appellant heeft in bezwaar en beroep overeenkomsten van geldleningen tussen zijn vader en hem overgelegd. Deze leenovereenkomsten kunnen echter de stortingen niet verklaren omdat de geleende bedragen en data waarop de bedragen zouden zijn gestort niet overeenkomen met de bedragen en data op de bankafschriften. Van de stortingen in april en mei 2015 zijn geen overeenkomsten van geldlening overgelegd. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de herkomst van de stortingen niet duidelijk is geworden. Dit betekent dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, doordat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat het feit dat de in de overeenkomsten van geldleningen vermelde bedragen en data niet overeenstemmen met de bedragen en data op de bankrekeningen wordt veroorzaakt door de omrekening van Engelse ponden naar euro’s en de vertraging bij de bank bij overboeking. Met betrekking tot de overschrijvingen van € 327,96 op 29 januari 2015 en van € 549,- op

2 februari 2015, stelt appellant dat die bedragen betrekking hebben op kinderalimentatie die de voormalige partner van appellant heeft teruggestort. De overschrijving van € 3.062,73 op 11 februari 2015 van de Dispute Service betreft volgens appellant de terugbetaling van een borg door de verhuurder van het appartement in Londen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 2 december 2014 tot en met 28 januari 2015.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.3.

In de te beoordelen periode heeft alleen op 24 december 2014 een storting op de Engelse bankrekening van appellant plaatsgevonden waarvan de herkomst volgens het college onduidelijk is. Appellant heeft in hoger beroep met de bankafschriften van zijn vader aangetoond dat zijn vader op 22 december 2014 een bedrag van £ 5.000,- heeft overgemaakt op die bankrekening van appellant. De storting van een bedrag van omgerekend € 6.826,03 op 24 december 2014 is daarmee voldoende verklaard. De weigering om bijstand toe te kennen kan daardoor niet langer worden gebaseerd op de grond dat die storting onvoldoende is onderbouwd zodat het recht niet was vast te stellen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Het dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.4.

Wat onder 4.3 is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal om die reden eveneens worden vernietigd. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, met het oog op finale geschilbeslechting beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.5.

Gelet op het door appellant op 24 december 2014 ontvangen bedrag van £ 5.000,- verkeerde hij in die maand niet in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat bedrag niet kon aanwenden om te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het bedrag van £ 5.000,- een lening was en daarom in de weg stond aan het verlenen van bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dat kan anders zijn indien de betrokkene in de periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Zie de uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3508. Deze uitzonderingssituatie doet zich hier echter niet voor. Dat is alleen al het geval omdat het bedrag van £ 5.000,-, zoals niet in geschil is, niet was bedoeld voor levensonderhoud maar voor het aflossen van schulden.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het recht op bijstand over de maand december 2014, anders dan het college meent, wel was vast te stellen, namelijk op nihil, omdat appellant niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.8.

Met betrekking tot de maand januari 2015 heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De onder 1.3 overigens vermelde bedragen zijn in dit verband niet van belang omdat die niet in de maand januari 2015 door appellant zijn ontvangen. Vaststaat echter dat appellant in die maand de beschikking had over de Nederlandse en/of-rekening die hij tezamen met zijn vader had. Dat het saldo op die rekening volgens appellant van zijn vader was en dat appellant slechts nu en dan boodschappen van die rekening betaalde heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Niet in geschil is dat appellant op die wijze, naast de door hem verschuldigde, doch niet betaalde, bedragen van € 250,- per maand voor kost en inwoning bij zijn vader, in de kosten van zijn levensonderhoud kon voorzien. De door appellant gestelde omstandigheid dat hij de maandelijkse bedragen van € 250,- van zijn vader leende doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat in de ter zake daarvan overgelegde leenovereenkomsten geen melding wordt gemaakt van een concrete terugbetalingsverplichting. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, ook overigens schulden had doet aan het voorgaande evenmin af.

4.9.

Gelet op 4.1 tot en met 4.8 heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant terecht afgewezen. Daarin bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,-. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding, nu appellant daarbij niet is bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 22 juli 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 22 juli 2015 in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van

€ 990,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.A.E. Bon

HD