ECLI:NL:CRVB:2017:2078 Centrale Raad van Beroep , 14-06-2017 / 15/6604 WW

Uitspraak

15/6604 WW

Datum uitspraak: 14 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 juli 2015, 14/4919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 februari 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellant bij besluit van

20 januari 2010 toestemming verleend om met behoud van een WW-uitkering gedurende de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 juli 2010 werkzaamheden in de uitoefening van een eigen bedrijf te verrichten. In dit besluit is bepaald dat 70% van appellants inkomsten als zelfstandige in mindering zullen worden gebracht op zijn WW-uitkering en dat de uitkering over de startperiode als voorschot wordt betaald.

1.2.

Aan de hand van gegevens van de Belastingdienst heeft het Uwv geconcludeerd dat hij appellant tijdens de startperiode te veel voorschot heeft betaald. Bij besluit van 14 april 2014 heeft het Uwv daarom een bedrag van € 15.692,30 van appellant teruggevorderd. Bij de berekening van de terugvordering heeft het Uwv rekening gehouden met de inkomsten van appellant over de periode van 1 februari 2010 tot en met 30 januari 2011.

1.3.

Bij besluit van 6 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2014 gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 4.829,50. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant door zijn werkcoach was toegezegd dat de winst van de besloten vennootschap (B.V.) van appellant zou worden verrekend met het voorschot op de WW-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv bij het nemen van het besluit van 14 april 2014 de juiste regelgeving heeft toegepast. Na de heroverweging in bezwaar heeft het Uwv besloten van de toepasselijke wettelijke regeling af te wijken in verband met de onjuiste voorlichting die op 25 september 2009 aan appellant was gegeven. Volgens de rechtbank heeft het Uwv een juiste interpretatie van het op

25 september 2009 besprokene gegeven. Uit het Werkplan blijkt dat alleen is gesproken over de winst over het eerste jaar. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat is besproken dat het resultaat over twee jaren bij de verrekening zou worden betrokken. Dat het Uwv na heroverweging heeft besloten tot een andere berekeningswijze dan de wettelijke, heeft voor appellant tot een aanzienlijk gunstiger resultaat geleid. Voor een nog grotere afwijking van de wettelijke berekeningswijze bestaat volgens de rechtbank geen grond.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hem door het Uwv toestemming is verleend om vanuit een bestaande stamrecht B.V. als directeur-grootaandeelhouder te starten als zelfstandig ondernemer. Volgens appellant kan de passage uit het Werkplan waarop het Uwv zich baseert niet worden gehanteerd als verrekeningsformule. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan volgens hem niet staande worden houden dat slechts met de winst uit het eerste jaar rekening wordt gehouden. Volgens appellant moet rekening worden gehouden met de gemaakte verliezen over de jaren na 2010 waardoor de verrekening nihil zou bedragen. Ter zitting heeft appellant gesteld dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met de resultaten van de B.V. over een periode van twee jaren. Daarnaast heeft hij benadrukt dat als hij had geweten dat alleen de winst over het eerste jaar in de berekening zou worden betrokken, hij ervoor zou hebben gezorgd dat de winst van de B.V. over 2010 nihil zou zijn geweest.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv is appellant zeker niet te kort gedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet ter discussie staat dat appellant met zijn werkcoach heeft gesproken over het starten als zelfstandige met behoud van uitkering. In het Werkplan van 25 september 2009 is vermeld dat als inkomstenverrekening zou worden toegepast in het geval van appellant 70% van de winst uit het eerste jaar zou worden verrekend met de WW-uitkering van appellant. Volgens het Uwv moet het werkplan aldus worden gelezen dat daarin een toezegging is neergelegd die ertoe leidt dat de (eventuele) winst van de B.V. van appellant over 2010 wordt verrekend met de WW-uitkering van appellant. Het Uwv heeft daarom aanleiding gezien om voor de vaststelling van de terugvordering van het voorschot niet het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet toe te passen, maar uit te gaan van het winst over het eerste jaar. Dit heeft ertoe geleid dat het terug te vorderen bedrag is verlaagd van € 15.692,30 naar € 4.829,50.

4.2.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat bij de verrekening van het voorschot rekening moet worden gehouden met de gemaakte verliezen over de jaren na 2010. Dat de toenmalige werkcoach appellant een dergelijke toezegging zou hebben gedaan, volgt niet uit het werkplan. Evenmin is gebleken dat er tussen de werkcoach en appellant nadere afspraken zijn gemaakt over de wijze van inkomstenverrekening. Ook overigens bestaat er geen aanleiding rekening te houden met de verliezen over de jaren na 2010.

4.3.

Evenmin kan appellant worden gevolgd in zijn standpunt dat bij de verrekening van het voorschot moet worden uitgegaan van het resultaat van de B.V. over een periode van twee jaren, omdat een dergelijke termijn gewoonlijk wordt gehanteerd als het Uwv inkomstenverrekening toepast. Nog los van het feit dat het Uwv in de toezegging van de werkcoach aanleiding heeft gezien het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet niet toe te passen, zou toepassing van dit besluit niet betekenen dat wordt uitgegaan van inkomensgegevens over een periode van twee jaren. Zoals uit de brochure ‘Kan ik met een uitkering voor mezelf beginnen?’ blijkt, worden op grond van het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet de totale inkomsten in een periode van 52 weken na de start van een bedrijf meegeteld bij de berekening of een startende zelfstandige een voorschot geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen. Ter zitting is door het Uwv ook toegelicht dat weliswaar gegevens over een periode van twee jaren worden opgevraagd, maar dat houdt slechts verband met het feit dat een boekjaar in de regel niet samenvalt met deze periode van 52 weken. Dit betekent dat gegevens over twee jaren nodig zijn om de berekening te kunnen maken.

4.4.

De stelling van appellant dat als hij had geweten dat alleen de winst over het jaar 2010 in de berekening zou worden betrokken, hij ervoor zou hebben gezorgd dat de winst van de B.V. over dat jaar nihil zou zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant had, gelet op de inhoud van het werkplan, kunnen weten dat slechts zou worden uitgegaan van de winst over het jaar 2010.

4.5

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B. Dogan

IvR