ECLI:NL:CRVB:2017:2157 Centrale Raad van Beroep , 30-05-2017 / 16/403 WWB

Uitspraak

16 403 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2015, 15/1973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 30 mei 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van Oers-van den Buijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. ir. Maduro BA.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft zich op 29 juli 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en de aanvraag om bijstand ingediend. Op het aanvraagformulier heeft betrokkene aangegeven dat hij met [naam A] (A) woont op het adres [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres). Betrokkene staat sinds 23 juni 2014 ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeente Rotterdam op het opgegeven adres.

1.2.

In het kader van de aanvraag heeft betrokkene desgevraagd een aantal gegevens overgelegd, waaronder een door A ingevulde en ondertekende vragenlijst gezamenlijke huishouding van 11 augustus 2014 (vragenlijst). Betrokkene heeft deze vragenlijst mede ondertekend.

1.3.

Appellant heeft bij besluit van 28 augustus 2014 aan betrokkene een voorschot van

€ 697,- verstrekt.

1.4.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft op 1 oktober 2014 een gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene en een medewerker van de gemeente Rotterdam. Omdat betrokkene heeft verklaard dat hij zich beter kan uiten in de Engelse taal, is het gesprek in die taal gevoerd. Tijdens dit gesprek is door de medewerker een verklaring in de Engelse taal (declaration) opgesteld over (onder meer) de woon- en verblijfsituatie van betrokkene. Betrokkene heeft de declaration ondertekend.

1.5.

Bij besluit van 4 oktober 2014 (besluit 1) heeft appellant de aanvraag van betrokkene afgewezen op de grond dat betrokkene met A een gezamenlijke huishouding voert.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 4 oktober 2014 (besluit 2) heeft appellant het aan betrokkene verstrekte voorschot van € 697,- teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 24 februari 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene en A hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres en dat op grond van de concrete feiten en omstandigheden, genoemd in de declaration, sprake is wederzijdse zorg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de besluiten 1 en 2 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat weergegeven - overwogen dat uit het aanvraagformulier en de declaration niet voldoende blijkt van wederzijdse zorg, waarbij de rechtbank laat meewegen dat appellant tijdens het gesprek op 1 oktober 2014 niet heeft doorgevraagd en daardoor niet heeft gekwantificeerd in welke mate betrokkene en A in zorg voor elkaar voorzien.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van wederzijdse zorg tussen betrokkene en A.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 29 juli 2014 tot en met 4 oktober 2014.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Niet in geschil is dat betrokkene en A hun hoofdverblijf op het opgegeven adres hadden. In geschil is of sprake is van wederzijdse zorg.

4.5.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.

In de door A ingevulde en ondertekende en door betrokkene mede ondertekende vragenlijst zijn vragen opgenomen over wederzijdse zorg. Op de vraag of A altijd wast, kookt en/of strijkt voor de medebewoner heeft A zowel ja als nee aangekruist en een cirkel om de aangekruiste ja gezet. De Raad gaat er vanuit dat daarmee bedoeld is aan te geven dat het antwoord ja dient te zijn. Daarna wordt de vraag gesteld wie de boodschappen betaalt. A heeft ingevuld: “beide bewoners”. Vervolgens heeft A de vragen of de overige boodschappen met de medebewoner worden gedaan, of de maaltijden gezamenlijk worden gebruikt en of de één de ander bij ziekte verzorgt telkens met ja beantwoord.

4.7.

Namens appellant is ter zitting desgevraagd toegelicht dat appellant er op grond van deze vragenlijst van uitgaat dat hiermee de normale gang van zaken tussen betrokkene en A wordt weergegeven. Immers, betrokkene is op 23 juni 2014 ingeschreven op het opgegeven adres, hij heeft zich op 29 juli 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand en de vragenlijst is ingevuld op 11 augustus 2014. Omdat betrokkene en A op 11 augustus 2014 zo’n zes weken samenwoonden, ligt het niet voor de hand dat vragen met ja worden beantwoord als de feiten en omstandigheden, waarop die vragen zien, zich slechts zeer incidenteel voordoen.

4.8.

Betrokkene heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat zijn verklaringen niet goed op papier zijn gekomen, dat ten onrechte geen tolk is ingeschakeld, dat de declaration die hij heeft ondertekend niet aan hem is voorgelezen en dat de declaration niet kan worden gebruikt.

4.9.

In de door betrokkene ondertekende declaration staat onder meer:

“We both buy food en groceries. We do that together, that is normal. We both use eachother groceries. …

We sometimes eat together. Sometimes I cook something that he doens’t like. Sometimes he cooks something that has too many sugar an I don’t eat that.

If one of us is sick, the other one takes care of him.”

4.10.

Anders dan in hoger beroep heeft betrokkene in bezwaar wel inhoudelijk commentaar gegeven op hiervoor opgenomen gedeelten uit de declaration en daarbij met name gewezen op het feit dat het gaat over hoe mensen met elkaar omgaan. In bezwaar is niet geklaagd dat de inhoud van de declaration niet strookt met wat door betrokkene op 1 oktober 2014 is verklaard. Bovendien is in bezwaar niets gezegd over het gebruikmaken van elkaars boodschappen. Gelet hierop is er geen reden om te oordelen dat zijn verklaringen niet goed op papier zijn gekomen en de declaration buiten beschouwing te laten.

4.11.

Gelet op de beantwoording van de vragenlijst door A is de declaration een inhoudelijke bevestiging daarvan. In beide stukken is sprake van elementen van wederzijdse zorg, als het samen boodschappen doen en het elkaar verzorgen. Voorts heeft betrokkene niet bestreden dat hij en A gebruikmaken van elkaars boodschappen en dat zij soms koken voor elkaar, zij het dat zij daarbij een eigen voorkeur hebben. Mede gelet op 4.7 is het aannemelijk dat voornoemde feiten en omstandigheden geen incidenteel karakter hebben maar behoren tot de wijze waarop betrokkene en A met elkaar omgingen. Daarmee was in de te beoordelen periode sprake van een gezamenlijke huishouding. Betrokkene is er dus niet geslaagd om de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van zijn aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.12.

Op grond van het voorgaande slaagt de beroepsgrond en wordt de aangevallen uitspraak vernietigd. Aangezien appellant het bestreden besluit heeft gemotiveerd met feiten en omstandigheden genoemd in de declaration en verder niet heeft genoemd de feiten en omstandigheden genoemd in het vragenformulier is in zoverre sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Betrokkene heeft in hoger beroep de gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen over het vragenformulier. De Raad ziet daarom aanleiding om dit gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren aangezien aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. Er bestaat wel aanleiding voor een veroordeling van het appellant in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus op € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat appellant het door betrokkene in beroep betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) W.A.M. Ebbinge

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding

HD