ECLI:NL:CRVB:2017:2158 Centrale Raad van Beroep , 30-05-2017 / 16/1835 WWB

Uitspraak

16/1835 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 februari 2016, 15/3509 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (college)

Datum uitspraak: 30 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Mens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is gehouden op 7 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Nagel en

L. Donker-Kaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

In het kader van een herbeoordeling van haar arbeidsgeschiktheid is appellante op 25 juni 2014 medisch onderzocht door de keuringsarts, C. Geurts, van Medimove. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 juni 2014. Hierin wordt geconcludeerd dat appellante maatschappelijke participatie in de vorm van vrijwilligerswerk kan verrichten, mits daarbij rekening wordt gehouden met de lichamelijke- en/ of psychische beperkingen van appellante. Deze participatie dient gecombineerd worden met een behandeltraject dat past bij de medische beperkingen van appellante.

1.3.

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het college met toepassing van artikel 55 van de WWB aan appellante de volgende verplichtingen opgelegd om 1. met behulp van de huisarts een behandeling in een gespecialiseerde instelling te starten; 2. volledige medewerking te verlenen aan behandeling van haar lichamelijke belemmeringen; 3. met deze behandelingen te beginnen binnen een periode van twee weken; 4. eventueel een indicatie te vragen voor bemoeizorg van Kwintes en 5. de klantmanager elke eerste werkdag van de maand schriftelijk op de hoogte houden van de hulpverleningsactiviteiten en medische zorg, ondersteund met bewijsstukken.

1.4.

Bij besluit van 4 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2014 ongegrond verklaard, waarbij de verplichting onder 5 is ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft hiertoe - samengevat - aangevoerd dat de opgelegde verplichtingen niet aan haar kunnen worden opgelegd, omdat zij daartoe niet in staat is. Zij heeft aangevoerd dat haar medische en fysieke klachten sinds 2015 zijn toegenomen waardoor zij de in het rapport van 25 juni 2014 genoemde werkzaamheden niet kan verrichten. De rechtbank heeft ten onrechte haar oordeel gebaseerd op een rapport dat niet meer correct is. Verder stelt appellante dat het college geen rekening houdt met haar individuele omstandigheden, zodat het negatief effect heeft op haar genezingsproces.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad hebben partijen meegedeeld dat het college op verzoek van appellante en naar aanleiding van het advies Van Gool Arbo Advies van 15 juni 2016 op

26 oktober 2016 een nieuw besluit ten aanzien van haar arbeidsgeschiktheid heeft genomen, waarbij andere verplichtingen zijn opgelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Deze procedure loopt nog.

4.2.

Gelet op het voorgaande is de vraag aan de orde of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep, dat ziet op het besluit van 22 oktober 2014. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0905) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.3.

Ter zitting van de Raad is aan appellante gevraagd naar haar procesbelang in deze zaak. Appellante heeft slechts naar voren gebracht dat ze het niet eens is met het advies van Medimove van 25 juni 2014, waar staat dat zij in staat is lichte werkzaamheden te verrichten. Vaststaat dat het college dit onderdeel van het advies van Medimove in het besluit van

22 oktober 2014 niet heeft gevolgd. Het college heeft appellante namelijk niet opgedragen lichte werkzaamheden te verrichten, noch verplicht heeft een traject te volgen waarbij lichte werkzaamheden moeten worden verricht. Het college heeft appellante ook niet gesanctioneerd voor niet nakoming van de bij het bestreden besluit opgelegde verplichtingen. Verder heeft appellante tegen het besluit van 22 oktober 2014 geen (nadere) grond van belang naar voren gebracht. Dit betekent dat hetgeen appellante in hoger beroep nastreeft, namelijk dat zij geen lichte werkzaamheden hoeft te verrichten, ten aanzien van deze afgesloten periode in het verleden niet kan worden bereikt.

4.4.

Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellante geen belang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD