ECLI:NL:CRVB:2017:2164 Centrale Raad van Beroep , 24-05-2017 / 15/4809 WIA

Uitspraak

15/4809 WIA, 16/2184 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2015, 14/7352 en 11 maart 2016, 15/8186 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 mei 2017

PROCESVERLOOP

In zaak 15/4809 WIA

Namens appellante heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

In zaak 16/2184 WIA

Namens appellante heeft mr. M.B. de Gooijer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

De zaken zijn gevoegd behandeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2017. Namens appellante is

mr. de Gooijer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

Zaak 15/4809 WIA

1.1.

Appellante is voor gemiddeld 27,97 uur per week als uitzendkracht werkzaam geweest als [functie] bij de [werkgever] . Zij heeft zich met ingang van 8 januari 2007 ziek gemeld met chronische vermoeidheidsklachten, samenhangend met een schildklieraandoening, en aanvalsgewijs optredende hoofdpijnklachten. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft de voor appellante in aanmerking te nemen beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 december 2008. Nadat arbeidskundig onderzoek op basis van deze FML had uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% bedroeg, heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2009 vastgesteld dat appellante met ingang van 26 januari 2009 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante heeft het door haar tegen dit besluit gemaakte bezwaar ingetrokken, zodat het besluit van

26 februari 2009 in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2.

Op 24 mei 2012 heeft appellante zich vanuit een situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld, waarna zij op 26 februari 2014 een nieuwe WIA-aanvraag heeft gedaan. Naar aanleiding van deze aanvraag is zij op 3 april 2014 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die onderzoek heeft verricht naar de belastbaarheid van appellante ten tijde van de ziekmelding en ten tijde waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden.

1.3.

Over de belastbaarheid ten tijde van de ziekmelding heeft de verzekeringsarts overwogen dat de beperkingen in verband met de hoofdpijn (migraine) niet veel veranderd zijn en dat appellante in zoverre onveranderd belastbaar is conform de laatstelijk opgestelde FML van

22 december 2008. Met betrekking tot de aandoening van interne aard heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat de het functioneren van de schildklier niet goed bleek te zijn, zodat voor appellante met ingang van haar ziekmelding op 24 mei 2012 een verminderde energetische belastbaarheid moet worden aangenomen. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts in de vanaf 24 mei 2012 geldende FML een arbeidsduurbeperking tot 20 uur per week opgenomen.

1.4.

Met betrekking tot de belastbaarheid van appellante ten tijde van het onderzoek heeft de verzekeringsarts zich op het standpunt gesteld dat er geen urenbeperking meer aan de orde is, behalve voor overmatig werken. Ten slotte heeft de verzekeringsarts appellante in de geldende FML van 8 april 2014 beperkt geacht voor lang lopen en staan.

1.5.

Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 24 mei 2012 58,3% en met ingang van 3 april 2014 32,51% bedraagt. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 mei 2012 tot 24 september 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Bij afzonderlijk besluit van 25 april 2014 heeft het Uwv appellante te kennen gegeven dat zij met ingang van 24 september 2014 geen WGA-uitkering meer krijgt.

1.6.

Naar aanleiding van het door appellante tegen het beëindigingsbesluit van 25 april 2014 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv op

24 september 2014 gerapporteerd het standpunt van appellante te volgen dat er reden is voor toevoeging aan de FML van een urenbeperking. Deels om preventieve (hoofdpijn) en deels om energetische (hypothyreoïdie) redenen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante voor niet meer dan circa 30 uur per week belastbaar geacht. In verband met de hoofdpijnklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking voor lawaai toegevoegd. Gelet op het samenstel van de overige voor psychische stress en fysiek zwaar werk aangenomen beperkingen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien voor een grotere urenbeperking. Hetzelfde geldt voor de schildklierklachten, omdat uit de medische gegevens blijkt dat de schildklierfunctie goed is ingesteld. Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de toelichting bij de beperking voor hoog handelingstempo aangepast. De voor appellante met ingang van 24 september 2014 in aanmerking te nemen mogelijkheden en beperkingen zijn neergelegd in een FML van

24 september 2014.

1.7.

Onderzoek van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van deze FML heeft vervolgens uitgewezen dat het verlies aan verdienvermogen van appellante met ingang van

24 september 32,15% blijft. Daarop heeft het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van 1 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ten onrechte van is uitgegaan dat er slechts eenmaal in de week sprake zou zijn van een dag met zodanige hoofdpijn dat gebruik van Maxalt is aangewezen, waardoor het verzuimrisico niet boven de 15% zou komen. Appellante heeft herhaald dat er wel degelijk sprake is van een sterk wisselende belastbaarheid, van dien aard dat er slechts incidenteel benutbare mogelijkheden zijn. In elk geval is er bij appellante sprake van excessief ziekteverzuim. Gelet hierop kan van een werkgever in redelijkheid niet worden verwacht appellante in dienst te nemen. Mocht er toch sprake zijn van benutbare mogelijkheden dan had in elk geval een verdergaande urenbeperking moeten worden gegeven in verband met de bijna dagelijkse hoofdpijnaanvallen. Door het te verwachten ziekteverzuim zal het voor appellante ook niet mogelijk zijn een interne opleiding te volgen. Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de voor haar geselecteerde functies te hectisch zijn. Er is sprake van wisselende uitvoeringsomstandigheden, veelvuldig klantcontact en zelfs conflicthantering. Met betrekking tot de arbeidskundige motivering van het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat een aantal van de voor haar geselecteerde functies een arbeidsduur van 32 uur per week kennen, terwijl zij maar voor 30 uur per week belastbaar is geacht.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak van 1 juni 2015 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 1 oktober 2014 ongegrond verklaard. Gelet op de verzekeringsgeneeskundige rapporten heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het uitgevoerde medische onderzoek. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de omvang van enkele van de voor appellante geselecteerde functies de voor haar vastgestelde urenbeperking van 30 uur per week overschrijdt, heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres:

“De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 29 september 2014 met behulp van het CBBS zes functies geselecteerd die zijn berekend op de krachten en bekwaamheden van eiseres zoals deze naar voren komen uit de medische rapportage en zijn neergelegd in de FML van 24 september 2014. Voorts heeft hij bij rapportage van 1 december 2014 een reactie gegeven op het beroepschrift van eiseres.

Ten aanzien van de urenbeperking stelt de rechtbank vast dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage heeft overwogen: “acht ik betrokkene per week niet meer dan circa 30 uur belastbaar”; in de FML heeft hij vermeld: “licht beperkt, kan gemiddeld ongeveer 30 uur per week werken”. In de arbeidskundige rapportage wordt onder 7.4 aangegeven dat de bezwaarverzekeringsarts op 29 september 2014 tijdens een overleg met de bezwaararbeidsdeskundige een werkweek van 32 uur vanuit medisch oogpunt akkoord heeft bevonden, omdat er dan voldoende ruimte is voor recuperatie en een voldoende preventief effect op de hoofdpijn”.

De vraag is wat met de zinsnede in de FML “gemiddeld ongeveer 30 uur per week” wordt bedoeld. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG8205), waarin het volgende is overwogen:

De Raad kan uit deze verzekeringsgeneeskundige rapportages niet anders afleiden dan dat het Uwv betrokkene in staat heeft geacht gemiddeld ongeveer 30 uur per week te werken. Het Uwv heeft derhalve een zekere marge in aanmerking genomen en heeft er bewust van afgezien om een precies aantal werkuren per week als maximum aan te geven. De Raad is van oordeel dat deze handelwijze aanvaardbaar moet worden geacht en niet in strijd komt met zijn rechtspraak, zoals onder meer zijn uitspraak van 11 maart 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AF8482).

De rechtbank volgt deze overweging en dit betekent dat de stelling van eiseres dat moet worden uitgegaan van een maximale belasting van 30 uur niet wordt aanvaard. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres genoemde functies (SBC-codes 315120, 516080, 111180 en 111190), geen van alle een hogere arbeidsbelasting dan 32 uur hebben en dus vallen binnen de bandbreedte van de gestelde urenbeperking.”

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden gehandhaafd. Appellante heeft slechts incidenteel benutbare mogelijkheden en moet alleen al daarom volledig arbeidsongeschikt worden geacht. In elk geval had voor haar een verdergaande urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellante blijft van mening dat de omvang van enkele van de voor haar geselecteerde functies de voor haar vastgestelde urenbeperking van 30 uur overschrijdt. Daarnaast meent appellante dat zij wegens haar verwachte ziekteverzuim geen interne cursussen kan volgen en dat de geselecteerde functies te hectisch voor haar zijn.

3.2.

Bij brief van 16 december 2016 heeft appellante een rapport van verzekeringsarts

G.J. Kruithof ingediend. Deze heeft te kennen gegeven zich met de in de FML van

24 september 2014 opgenomen psychische beperkingen en de urenbeperking tot 30 uur per week/8 uur per dag te kunnen verenigen. Met betrekking tot het lichamelijk onderzoek is Kruithof echter van mening dat er, gelet op de door de huisarts gedocumenteerde gewrichtsklachten, uitgebreider onderzoek van het houdings- en bewegingsapparaat noodzakelijk was geweest alvorens op voldoende zorgvuldige wijze de desbetreffende beperkingen te kunnen formuleren. Kruithof heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de in de FML van 24 september 2014 neergelegde zeer lichte beperkingen voor staan en lopen.

3.3.

Bij brief van 19 juli 2016 heeft het Uwv door middel van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2016 op het rapport van Kruithof gereageerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij verwezen naar zijn in de procedure 16/2184 WIA bij de rechtbank ingediende rapport van 2 februari 2016. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven naar aanleiding van het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit van 25 april 2014 geen lichamelijk onderzoek te hebben verricht, omdat de gewrichtsklachten geen bezwaargrond waren. Door de primaire verzekeringsarts was op 3 april 2014 echter wel lichamelijk onderzoek verricht, op grond waarvan met ingang van 3 april 2014 beperkingen zijn aangenomen voor lang lopen en staan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft het standpunt van appellante dat zij als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd omdat zij slechts incidenteel benutbare mogelijkheden zou hebben en er sprake zou zijn van excessief ziekteverzuim, terecht niet gevolgd. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 september 2014 terecht heeft overwogen is uit de beschikbare medische gegevens af te leiden dat het verzuimrisico van appellante aanzienlijk lager ligt dan zij stelt. Appellante claimt één tot twee dagen per week een zware hoofdpijnaanval te hebben die maakt dat zij tot niets in staat is. Op grond van het feit dat appellante te kennen geeft dat de hoofdpijn bij gebruik van Maxalt soms na twee uur weg trekt en uit de brief van haar neuroloog van 8 augustus 2014 blijkt dat appellante sneller herstelt van een aanval sinds gebruik van Candesartan en Maxalt gedurende eenmaal per week en niet meer dan viermaal per maand, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht afgeleid dat er niet meer dan viermaal per maand/eenmaal per week sprake is van een dag met zodanige hoofdpijn dat gebruik van Maxalt is aangewezen. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het verzuimrisico van appellante de 15% niet zal overstijgen wordt dan ook gevolgd.

4.2.

Ook overigens heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek en de juistheid van de FML. Daar komt bij dat de door appellante geraadpleegde deskundige Kruithof de door het Uwv aangenomen psychische beperkingen en de urenbeperking heeft onderschreven. Gelet op de in 3.3 vermelde reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2016 is er evenmin aanleiding voor het oordeel dat het Uwv de lichamelijke beperkingen heeft onderschat.

4.3.

Met betrekking tot het standpunt van appellante dat het Uwv ten onrechte tevens een aantal functies met een urenomvang van 32 uur aan de schatting ten grondslag legt wordt verwezen naar de in 2.2 vermelde beoordeling van de rechtbank die geheel wordt onderschreven.

4.4.

Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.5.

Het verzoek om benoeming van een deskundige wordt afgewezen. Er is voldoende informatie in het dossier, ook van de behandelaars van appellante, om tot een afgewogen oordeel te komen.

4.6.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

Zaak 16/2184

5.1.

Op 1 april 2015 heeft appellante het Uwv te kennen gegeven dat haar gezondheid met ingang van 25 maart 2015 is verslechterd. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts van het Uwv bij onderzoek van appellante op 28 mei 2015 vastgesteld dat de hoofdpijnklachten onveranderd zijn. De overige spier- en gewrichtsklachten zijn wel toegenomen, maar er is geen diagnose gesteld bij specialistisch onderzoek. Bij eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts geen duidelijke afwijkingen gevonden. In de door appellante gestelde suboptimale schildklierwaarden heeft de verzekeringsarts evenmin aanleiding gevonden voor een toename van beperkingen, omdat appellante nog steeds wordt begeleid door haar huisarts, en niet door een specialist, en ook de medicatie onveranderd is. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2015 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 25 maart 2015 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 11 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

5.2.

Het bestreden besluit berust op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2015. Bij dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie betrokken van de huisarts van 24 juni 2015, de orthopeed van 13 februari 2015 en 27 januari 2015 en de neuroloog van 23 april 2014 en 3 juni 2015. Mede op basis van deze gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de hoofdpijn/migraineklachten niet essentieel gewijzigd zijn ten opzichte van het in 1.6 vermelde onderzoek van juli 2014. Er is sprake van een aggraverende klachtenpresentatie en inconsistenties. Bestudering van het door appellante overgelegde hoofpijndagboek wijst uit dat de migraine optreedt met een frequentie van viermaal per maand, wat overeenstemt met de frequentie die in het rapport 24 september 2014 werd vastgesteld. Bij lichamelijk onderzoek worden geen aanwijzingen voor belangrijke afwijkingen aan de voeten of heupen gevonden. Deze komen evenmin uit de curatieve sector naar voren. Met de in maart 2014 aangenomen en in september 2014 gehandhaafde beperkingen voor het hanteren van zware lasten en de lichte beperkingen voor het lopen en staan tijdens het werk is voldoende aan de heup- en voetklachten tegemoetgekomen. Ten slotte is niet gebleken van aanwijzingen voor een (klinisch relevante) ontregeling van de schildklier in maart 2015. Het medisch beeld is dan ook niet essentieel gewijzigd ten opzichte van juli/september 2014.

5.3.

In het kader van het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft appellante het in 3.2 vermelde rapport van Kruithof overgelegd. Het Uwv heeft op

3 februari 2016 op het rapport van Kruithof gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 februari 2016.

6. Bij de aangevallen uitspraak van 11 maart 2016 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres:

“De vraag is of eiseres op 25 maart 2015 meer beperkingen had dan op 24 september 2014 (de datum waarop de laatste FML is gemaakt). De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet is gebleken. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapportage van 2 februari 2016, waarin hij stelt dat Kruithof zich met name richt tegen de medische beoordeling die ten grondslag lag aan de beëindiging van de WIA-uitkering per

24 september 2014. Van gewrichtsklachten heeft eiseres niet eerder (dan in beroep) melding gemaakt. Het door Kruithof geopperde onderzoek door de orthopeed heeft al plaatsgevonden op 27 januari 2015 en de bevindingen daaruit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep al meegenomen in zijn rapport van 6 november 2015. De conclusie in dat rapport was overigens dat er voldoende rekening was gehouden met de klachten van het bewegingsapparaat.

Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteengezet waarom er niet zo’n hoog verzuimrisico bestaat als Kruithof stelt. De conclusie is dus dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres op 25 maart 2015 niet toegenomen arbeidsongeschikt is geworden ten opzichte van 24 september 2014.”

7. In hoger beroep heeft appellante de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Met ingang van 25 maart 2015 was er wel degelijk sprake van een toename van de klachten van appellante: de werking van de schildklier was te langzaam. Daarnaast had zij last van hartkloppingen, trillende handen en een opgejaagd gevoel. Ook is de pijn in haar voeten en heup toegenomen. Ten slotte is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat appellante niet eerder dan in beroep melding van haar gewrichtsklachten heeft gemaakt.

8. Bij het verweerschrift heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2016 overgelegd. Deze heeft te kennen gegeven dat de aanwezigheid van een te langzaam werkende schildklier niet past bij de door appellante geuite klachten, die voorkomen bij een te snel werkende schildklier. Uit informatie van de huisarts is niet gebleken van een ontregelde schildklierfunctie. Voor wat de voet- en heupklachten betreft heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar zijn in 5.2 genoemde rapport van 6 november 2015. Met betrekking tot de gestelde gewrichtsklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat deze in het zojuist genoemde rapport en in zijn rapport van 2 februari 2016 uitgebreid zijn meegewogen en heeft geconcludeerd dat in de FML van 25 september 2014 met deze klachten voldoende rekening is gehouden.

9. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

9.1.

De Raad kan zich geheel verenigen met de in rechtsoverweging 6 vermelde beoordeling van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Gelet op wat in 5.2 is overwogen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport 11 juli 2016 terecht gesteld dat zijn bevindingen steun vinden in de door hem opgevraagde informatie van de behandelend artsen van appellante. Met het rapport van 11 juli 2016 heeft het Uwv de gronden van het hoger beroep voldoende weerlegd.

9.2.

Wat in 9.1 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9.3.

Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.

9.4.

Voor een vergoeding in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

In zaak 15/4809 WIA:

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

In zaak 16/2184 WIA:

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en

L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissingen zijn uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd om te ondertekenen.

JvC

Verder lezen