ECLI:NL:CRVB:2017:2180 Centrale Raad van Beroep , 20-06-2017 / 14/4977 WWB

Uitspraak

14 4977 WWB

Datum uitspraak: 20 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2014, 14/717 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Oss (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak tussen appellant en de zus van betrokkene, bij de Raad geregistreerd onder nummer 14/4975 WWB, plaatsgevonden op

11 januari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Nieuwenhuizen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz en M. Cordes als tolk.

De Raad heeft het onderzoek in de gevoegde zaken heropend voor het stellen van nadere vragen aan partijen. Partijen hebben gereageerd.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft vervolgens plaatsgevonden op

13 februari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Nieuwenhuizen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz en K. Manuelyan als tolk. Na de gevoegde behandeling zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontvangt sinds 31 december 2010 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Betrokkene woont samen met haar zus, [naam A] [A] . Betrokkene heeft recht op vier weken vakantie per jaar.

1.2.

Naar aanleiding van stempels in het Turkse paspoort van betrokkene waaruit blijkt dat zij diverse malen in het buitenland is geweest, hebben twee medewerkers van de Afdeling Werk en Inkomen, Handhaving van de gemeente Oss op 16 mei 2013 met betrokkene gesproken. Betrokkene heeft verklaard dat de stempels in haar paspoort zijn gezet op het moment dat zij naar Turkije is geweest. Zij ging de ene keer met de auto en de andere keer met het vliegtuig. In 2011 is [A] iedere reis met betrokkene meegegaan en in 2012 is haar broer meegegaan. Betrokkene heeft het verblijf in het buitenland niet bij appellant gemeld.

1.3.

Bij besluit van 3 juni 2013 (besluit 1) heeft appellant de bijstand van betrokkene met toepassing van de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Oss 2012 (Verordening) met ingang van 1 mei 2013 voor de duur van drie maanden verlaagd met 20%. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene van 4 februari 2011 tot en met 13 maart 2011, van 25 april 2011 tot en met 27 mei 2011, van 24 juni 2011 tot en met

10 september 2011, van 19 oktober 2011 tot en met 13 december 2011 en van 18 juli 2012 tot en met 18 oktober 2012 in het buitenland heeft verbleven. In 2011 heeft zij vier keer niet tijdig en/of op de voorgeschreven wijze doorgegeven dat zij buiten Nederland verbleef, waarvoor haar bijstand voor de duur van één maand wordt verlaagd. In 2012 heeft zij dit nogmaals eenmaal nagelaten, wat wordt aangemerkt als een herhaling binnen een periode van twaalf maanden, waarvoor haar bijstand voor de duur van twee maanden wordt verlaagd.

1.4.

Bij besluit van 4 juni 2013 (besluit 2) heeft appellant de bijstand van betrokkene over de periodes van 5 maart 2011 tot en met 13 maart 2011, 25 april 2011 tot en met 27 mei 2011,

24 juni 2011 tot en met 10 september 2011, 19 oktober 2011 tot en met 13 december 2011 en 16 augustus 2012 tot en met 18 oktober 2012 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over deze periodes tot een bedrag van € 7.595,39 van betrokkene teruggevorderd. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene langer dan de toegestane periode van vier weken per kalenderjaar in het buitenland heeft verbleven.

1.5.

De Commissie Bezwaarschriften (commissie) heeft appellant in haar advies van

14 november 2013 geadviseerd om besluit 1 met betrekking tot de duur van de opgelegde maatregel aan te passen en wat betreft besluit 2 de in bezwaar door betrokkene overgelegde bewijsmiddelen ten aanzien van het verblijf in het buitenland te toetsen, te valideren en gemotiveerd te beoordelen.

1.6.

Bij besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand beperkt tot 20% voor de duur van één maand. Volgens appellant heeft nader onderzoek van de overgelegde bewijsmiddelen aangetoond dat sprake is van een nog langer verblijf van betrokkene in het buitenland. Daaraan heeft appellant geen gevolgen verbonden, omdat betrokkene door haar bezwaar niet in een slechtere positie mag geraken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft besluit 1 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd ten aanzien van de opgelegde maatregel. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene haar verblijf in het buitenland in 2011 en 2012 nimmer heeft gemeld. De overtreding van artikel 17 van de WWB is daarom nimmer opgeheven, althans in ieder geval niet op de dertigste dag na 1 januari 2013. Pas in mei 2013 heeft appellant de overtreding geconstateerd. Met de Wet aanscherping en handhaving sanctiebeleid SZW-wetgeving

(Wet aanscherping) is per 1 januari 2013 artikel 18a van de WWB inzake de bestuurlijke boete in werking getreden. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping is dit nieuwe recht van toepassing en was appellant niet langer bevoegd om het oude recht toe te passen en een maatregel op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank heeft ten aanzien van de herziening en terugvordering overwogen dat appellant is uitgegaan van de stempels in het paspoort van betrokkene, maar dat niet duidelijk is of dit een sluitend beeld geeft. Betrokkene heeft met de overgelegde tickets en facturen, waarvan niet is bestreden dat deze authentiek zijn, voldoende tegenbewijs geleverd dat binnen de door appellant genoemde perioden ook nog van en naar Turkije werd gereisd. Dat de terugvordering hoger zou zijn indien rekening zou worden gehouden met de door betrokkene overgelegde bewijsmiddelen, is geheel niet inzichtelijk gemaakt. Uit het bestreden besluit is niet op te maken dat appellant aan de opdracht van de commissie heeft voldaan, dan wel op grond van welke overwegingen appellant is afgeweken van het advies van de commissie. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar ten aanzien van de herziening en terugvordering. Appellant dient daartoe op basis van de stempels in het paspoort en de door betrokkene overgelegde bewijsmiddelen nauwkeurig te bezien in welke periodes in 2011 en 2012 betrokkene in Turkije heeft verbleven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, gelet op wat ter zitting op 13 februari 2017 is besproken, aangevoerd thans nog een oordeel van de Raad te wensen over het opleggen van de maatregel. Wat betreft de maatregel gaat het om gedragingen die zich hebben voorgedaan in 2011 en 2012, zodat het opleggen van een bestuurlijke boete volgens appellant niet aan de orde is. Het hoger beroep is ter zitting dan ook beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de opgelegde maatregel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht op grond van de onder 2 genoemde overwegingen geoordeeld dat appellant niet bevoegd was om een maatregel op te leggen. De schending van de inlichtingenverplichting is namelijk doorgelopen na 1 januari respectievelijk 31 januari 2013. De Raad oordeelt hiermee anders over het overgangsrecht dan in de uitspraak van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3988. Hieraan wordt toegevoegd dat de beboetbare overtreding bestaat uit het niet nakomen van de inlichtingenverplichting en dat het tijdstip waarop de niet gemelde feiten zich hebben voorgedaan - in dit geval het verblijf in Turkije - niet doorslaggevend is voor de vraag welk recht van toepassing is.

4.2.

Door slechts te oordelen dat appellant niet bevoegd was om een maatregel op te leggen, heeft de rechtbank echter niet onderkend dat appellant op grond van artikel 18a, eerste lid, van de WWB gehouden was een boete op te leggen. Nu de herziening en terugvordering nog niet in rechte vaststaan, kon de rechtbank niet zelf een boete opleggen. De rechtbank had moeten volstaan met het vernietigen van het bestreden besluit voor zover daarbij de maatregel is gehandhaafd en had niet het besluit van 3 juni 2013 moeten herroepen. Het hoger beroep treft in zoverre doel. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 3 juni 2013 heeft herroepen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad appellant opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2013. Hierbij geldt dat voor zover de schending van de inlichtingenverplichting ziet op een periode tot 1 januari 2013 voor de hoogte van de boete aansluiting moet worden gezocht bij het oude recht (Verordening). De Raad zal, gelet op wat is overwogen onder 3, de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 3 juni 2013 is

herroepen;

- draagt appellant op een nieuwe beslissing te nemen op het bewaar tegen het besluit van

3 juni 2013 met inachtneming van deze uitspraak;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en A.M. Overbeeke en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2017.

(getekend) Y.J. Klik

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD