ECLI:NL:CRVB:2017:2259 Centrale Raad van Beroep , 23-06-2017 / 15/7247 WIA

Uitspraak

15/7247 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

21 september 2015, 14/4951 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kluft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft bij verweerschrift een gewijzigd standpunt ingenomen. Er zijn twee gewijzigde beslissingen op bezwaar, beide gedateerd 13 maart 2017, ingediend.

Appellante heeft hierop gereageerd en verzocht om het Uwv te veroordelen in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Beide partijen hebben de Raad toestemming verleend om uitspraak te doen zonder dat een zitting heeft plaats gevonden. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is eigenrisicodrager op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij draagt (onder meer) met ingang van 1 januari 2009 het risico voor de aan [naam ex-werkneemster] (ex-werkneemster) toegekende WGA-uitkering.

1.2.

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de WGA-uitkering van de ex-werkneemster vanaf 15 mei 2014 wordt beëindigd omdat haar inkomsten vanaf 1 september 2012 meer dan 65% bedragen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het tegen dit besluit door appellante gemaakt bezwaar tegen de ingangsdatum van de beëindiging van de uitkering is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 28 mei 2014. Er is geen beroep ingesteld.

1.3.

Appellante heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de maandelijkse verhaalsbesluiten van het Uwv over de periode vanaf 1 september 2013 tot 15 mei 2014. Bij deze besluiten was vastgesteld welk bedrag op haar wordt verhaald wegens door het Uwv aan de ex-werkneemster over die maanden betaalde WGA-uitkering. Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft het Uwv bij gewijzigde beslissing op bezwaar 1 van 13 maart 2017 de onder 1.2 vermelde beslissing op bezwaar van 28 mei 2014 ingetrokken en het bezwaar van appellante tegen de beëindigingsdatum van de WGA-uitkering van de ex-werkneemster van 15 mei 2014 gegrond verklaard. Hierbij is vastgesteld dat de uitkering van de ex-werkneemster per 1 september 2013 had moeten worden ingetrokken en dat dit consequenties heeft voor de verhaalsbesluiten, maar dat dit voor uitkering van de ex-werkneemster geen gevolgen heeft omdat deze niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar 2 van eveneens 13 maart 2017 heeft het Uwv vervolgens het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar van appellante tegen de verhaalsbesluiten over de maanden september 2013 tot en met mei 2014 gegrond verklaard. Nu, gelet op de gewijzigde beslissing op bezwaar 1 van 13 maart 2017 de grondslag aan de bestreden verhaalsbesluiten is komen ontvallen voor de periode van 1 september 2013 tot 15 mei 2014, worden deze verhaalsbesluiten herroepen. Dit betekent dat appellante over de periode van 1 september 2013 tot aan 15 mei 2014 de WGA-uitkering van de ex-werkneemster niet hoeft te betalen. Het in hoger beroep betaalde griffierecht zal worden vergoed.

4. Appellante heeft hierop te kennen gegeven in te stemmen met de gewijzigde beslissingen op bezwaar van 13 maart 2017. Zij heeft de Raad verzocht om uitspraak te doen op het hoger beroep, waarbij rekening wordt gehouden met de gewijzigde besluiten en het Uwv te veroordelen in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1864) is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

5.3.

Met de gewijzigde beslissingen op bezwaar van 13 maart 2017 is, zoals appellante zelf ook te kennen geeft, geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen. De Raad is niet gebleken dat appellante nog enig (proces)belang heeft bij een beoordeling door de Raad van de uitspraak van de rechtbank. De Raad zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

5.4.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht, is er geen grond voor veroordeling van het Uwv in de door appellante in bezwaar gemaakte kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

-

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

-

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980-;

-

bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) R.L. Rijnen

SS