ECLI:NL:CRVB:2017:2267 Centrale Raad van Beroep , 29-06-2017 / 16/4470 WUV

Uitspraak

16/4470 WUV

Datum uitspraak: 29 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 juni 2016, kenmerk BZ01987717 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door P.L. Stein en A. te Meij, als haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1947, heeft in december 1998 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 27 januari 1999 op de grond dat appellant is geboren na de oorlog, zodat vaststaat dat zij geen vervolging heeft ondergaan in zin van de Wuv. Verder is overwogen dat de Wuv sinds 15 juli 1994 niet meer de mogelijkheid kent om personen van de na-oorlogse generatie met de vervolgde gelijk te stellen.

1.2.

In december 2015 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wuv. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 7 april 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met ingang van 15 juli 1994 is artikel 3, tweede lid, van de Wuv ingrijpend gewijzigd. Sindsdien kunnen - kort gezegd - alleen nog met de vervolgde worden gelijkgesteld de personen die tijdens de oorlogsjaren 1940‑1945 in omstandigheden verkeerden die met vervolging overeenkomst vertonen.

2.2.

Appellante is ná de oorlogsjaren 1940-1945 geboren. De onder 2.1 bedoelde wetswijzing staat er aan in de weg om aanvragen van personen van deze generatie te honoreren die ná de sluiting van de Wuv zijn ingediend. Dat geldt ongeacht de reden van het niet eerder (kunnen) indienen van een aanvraag. De oorspronkelijke aanvraag van appelante is van december 1998 en dateerde dus al van ná de sluiting van de Wuv. Het verzoek om de afwijzing van die aanvraag te herzien kan dan ook niet tot een andere uitkomst leiden.

2.3.

De vergelijking die appellante maakt met haar broers en zusters die wel in het kader van de Wuv zijn erkend gaat niet op. Zoals ter zitting door appellante is bevestigd, hebben zij vóór het sluiten van de Wuv een aanvraag ingediend. Voor het betrachten van coulance bestaat voor verweerder geen mogelijkheid. De wetgever heeft namelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beoogd de Wuv voor de na-oorlogse generatie te sluiten.

2.4.

Voor zover al van enige betekenis voor de beoordeling van het bestreden besluit voegt de Raad aan de overwegingen toe dat verweerder, anders dan door appellante is betoogd, niet gehouden was haar te informeren over de ophanden zijnde sluiting van de Wuv voor de

na-oorlogse generatie. Appellante was ten tijde van de sluiting van de Wuv niet bekend bij verweerder. Dat zij haar broers en zusters heeft geholpen met hun aanvragen maakt dat niet anders.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening terecht is afgewezen. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD

Verder lezen