ECLI:NL:CRVB:2017:2268 Centrale Raad van Beroep , 29-06-2017 / 16/7635 AW

Uitspraak

16/7635 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

2 november 2016, 15/8350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de directeur van de Stichting Centraal Bureau voor Genealogie (stichting)

Datum uitspraak: 29 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Namens de stichting heeft mr. J.W.C. van Kleef een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Kleef en J.A. Dijks.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellant was sinds 1 maart 2002 werkzaam bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG), laatstelijk in de functie van [naam functie].

1.2.

In het kader van een reorganisatie van het CBG is bij brief van 24 april 2015 aan appellant te kennen gegeven dat hij niet als functievolger kan worden aangemerkt omdat zijn functie niet terugkomt in de nieuwe organisatie.

1.3.

Bij brief van 26 mei 2015 is appellant met ingang van 1 juli 2015 aangewezen als boventallig medewerker, op grond waarvan hij verplicht Van Werk Naar Werk-kandidaat is geworden.

1.4.

Bij brief van 19 november 2015 (bestreden beslissing) heeft de stichting de bezwaren tegen de brieven van 24 april 2015 en 26 mei 2015 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van appellant tegen de bestreden beslissing. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de stichting tot de openbare dienst van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) behoort, omdat uit de statuten niet blijkt van een overwegende overheidsinvloed op doelstelling, beheer en beleid van de stichting. Nu de stichting niet behoort tot de openbare dienst als bedoeld in de Ambtenarenwet (AW), was appellant uit hoofde van zijn dienstbetrekking geen ambtenaar in de zin van

artikel 1 van de AW. Met betrekking tot het geschil dat partijen verdeeld houdt, kan derhalve uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld, zoals bedoeld in

artikel 8:71 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank over haar (on)bevoegdheid bestreden. Hij heeft betoogd dat de minister van OCW wel invloed heeft op het beheer van de stichting, zodat hij als ambtenaar moet worden aangemerkt. Volgens appellant biedt het feit dat in zijn arbeidsovereenkomst met de stichting de rechtspositieregelingen voor rijksambtenaren van toepassing zijn verklaard een ondersteuning voor zijn standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de AW is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Volgens het tweede lid behoren tot de openbare dienst alle diensten en bedrijven door de Staat en de openbare lichamen beheerd.

4.2.

Naar vaste rechtspraak kan een stichting tot de openbare dienst behoren indien op grond van de statuten blijkt van een overwegende invloed van de overheid op doelstelling, beheer en beleid (uitspraak van 6 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB4033). Aan banden die niet uit de statuten voortvloeien, zoals het bestaan van een subsidierelatie, komt daarbij geen zelfstandige betekenis toe (uitspraken van 28 november 1980, ECLI:NL:CRVB:1980:AM5690 en AB 1981, 176, en van 25 juni 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB4110 en TAR 1991, 167).

4.3.

In de statuten van de stichting zijn onvoldoende aanknopingspunten gelegen om de stichting te rekenen tot de openbare dienst, nu de invloed van de minister van OCW is beperkt tot de op grond van artikel 14, tweede lid, van de statuten vereiste voorafgaande goedkeuring van besluiten tot statutenwijziging, fusie en ontbinding van de stichting. Waar het gaat om

(de samenstelling van) het bestuur, beleidsvorming en het toezicht binnen de stichting is er krachtens de statuten geen invloed van de minister van OCW.

4.4.

Het betoog van appellant dat vanaf 2014/2015 sprake is van een toegenomen invloed van de minister van OCW op het beleid, de kerntaken en het beheer van de stichting, zodat de stichting wel een overheidsorgaan is, slaagt niet. Appellant heeft daarbij gewezen op de inhoud van de notitie “knelpunten en toekomstscenario’s”, op de aanpassing van het beleid op de Archiefvisie, op overleg met de Audit Dienst Rijk en het ministerie van OCW wat heeft geleid tot de keuze van scenario A+, op het Ondernemingsplan van 12 juni 2014, op de goedkeuring van - onder meer - de secretaris-generaal van het ministerie van OCW van de reorganisatieplannen, op het ter beschikkingstellen van de daarvoor benodigde middelen en tot slot op de jaarlijkse bespreking van de jaarstukken en goedkeuring van de begroting. Met de stichting is de Raad van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, die op zichzelf niet zijn bestreden, verband houden met de subsidierelatie tussen de stichting en het ministerie van OCW. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de namens de stichting ter zitting van de Raad gegeven toelichting dat deze stukken en goedkeuring rechtstreeks voortvloeien uit de voorwaarden waaronder de subsidie is verleend. Aldus moet worden vastgesteld dat een en ander niet uit een in de statuten gegeven bevoegdheid voortvloeit, zodat hieraan geen zelfstandige betekenis toekomt.

4.5.

Dat de rechtspositie van de medewerkers van de stichting, die allen op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn, zoveel mogelijk moet worden vastgesteld overeenkomstig de rechtspositieregelingen voor rijksambtenaren is niet van belang voor de vraag of aan de minister van OCW overwegende invloed toekomt op doelstelling, beheer en beleid van de stichting. Dit is slechts een keuze van arbeidsvoorwaarden die de stichting als werkgever heeft gemaakt op grond van de haar toekomende bevoegdheden.

4.6.

Nu de stichting niet behoort tot de openbare dienst als bedoeld in de AW, was appellant uit hoofde van zijn dienstbetrekking geen ambtenaar in de zin van die wet. De directeur kan in dit geval niet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb en de beslissingen in 1.2 en 1.3 missen een publiekrechtelijke grondslag. Zowel deze beslissingen als de bestreden beslissing zijn geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar onderscheidenlijk beroep op grond van de Awb open stond. Hieruit volgt dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft geacht om over de bestreden beslissing te oordelen. Over het geschil dat partijen verdeeld houdt kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld, zoals bedoeld in artikel 8:71 van de Awb.

4.7.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door van N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H. Lagas en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD