ECLI:NL:CRVB:2017:2286 Centrale Raad van Beroep , 04-07-2017 / 15/6730 WWB

Uitspraak

15/6730 WWB, 15/6731 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 september 2015, 14/7772 en 14/7782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellanten] , beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 april 2017.

Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 22 januari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van 12 augustus 2010, onder meer inhoudende dat appellanten in Turkije beschikken over onroerend goed, heeft de afdeling Handhaving van de Afdeling Inkomen van de gemeente Nijmegen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft het Internationaal Bureau Fraude informatie in Turkije een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld. Dit onderzoek is uitgevoerd door het Bureau voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau voor Sociale Zaken). Uit het hiervan opgemaakte onderzoeksverslag van 8 augustus 2011 komt naar voren dat appellant vanaf 1 september 2010 in de gemeente [gemeente] een appartement bezit (appartement nr. 1), waarvan de waarde op 1 augustus 2011 door een lokale makelaar is getaxeerd op € 35.000,- en dat appellante vanaf 26 augustus 2008, 3/8 aandeel van een appartement in hetzelfde appartementsgebouw bezit (appartement nr. 3), waarvan de waarde op 1 augustus 2011 door dezelfde makelaar is getaxeerd op € 45.000,-, waardoor de gezamenlijk getaxeerde waarde uitkomt op € 51.875,-. Vervolgens heeft de sociale recherche een nader onderzoek ingesteld. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, nadere taxaties van het onroerend goed laten verrichten en appellanten verhoord. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een proces-verbaal van 24 januari 2014.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 25 juli 2013, uitgereikt op 17 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van

24 september 2014 (bestreden besluiten), de bijstand van appellanten vanaf 6 augustus 2009 ingetrokken en de als gevolg hiervan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 65.404,74 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten vermogen bezitten boven de voor hen geldende vermogensgrens, in de vorm van onroerend goed met een waarde van € 100.770,38 en dat zij dit vermogen voor het college hebben verzwegen. Het college is bij het vaststellen van deze waarde van het onroerend goed van appellanten uitgegaan van de in opdracht van bureau Gbaand door een lokale makelaar verrichte taxaties van de waarde van de appartementen 1 en 3 en van een

5/8 aandeel van appellante in appartement 3. Voor appellant en appellante leidt dat tot een vermogen uit onroerend goed van € 59.471,- respectievelijk € 41.299,38, namelijk 5/8 deel van € 66.079,- (TRY 150.000).

2. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college de intrekking van de bijstand beperkt tot de periode van 6 augustus 2009 tot en met 31 maart 2013 en dientengevolge de hoogte van de terugvordering bijgesteld. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, het besluit van 17 januari 2014 (lees: 25 juli 2013) herroepen en bepaald dat de bijstand van appellanten wordt ingetrokken over de periode van 6 augustus 2009 tot en met 31 maart 2013 en dat appellanten een bedrag van € 64.910,40 aan het college verschuldigd zijn.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben appellanten erkend dat over de periode van 1 september 2010 tot en met 11 augustus 2011, waarin appartement nr. 1 op de naam van appellant stond, sprake was van een overschrijding van het vrij te laten vermogen en dat in die periode sprake was van schending van de inlichtingenverplichting. Voor het overige wordt de schending van de inlichtingenverplichting en de overschrijding van het vrij te laten vermogen bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op 3 worden partijen nog verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het college op goede gronden de bijstand van appellanten over de periode van 6 augustus 2009 tot 1 september 2010 en van 12 augustus 2011 tot en met 31 maart 2013 heeft ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die perioden heeft teruggevorderd. Uit 3 vloeit tevens voort dat de gronden die betrekking hebben op appartement 1 geen bespreking meer behoeven.

4.2.

Niet in geschil is dat in deze perioden in het kadastraal register van [gemeente] een woning op naam van appellante stond geregistreerd en dat zij volgens dat register daarin een aandeel had van 5/8. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd. De stelling dat de woning behoorde tot een onverdeelde erfenis van appellante en dat haar aandeel slechts 1/8 is, heeft appellante niet onderbouwd met controleerbare schriftelijke bescheiden of andere gegevens.

4.4.

Het gaat hier om gegevens waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door van het bezit van de woning geen melding te maken hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige bijstand zou hebben gehad. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de te beoordelen perioden recht hadden op bijstand.

4.6.

Appellante heeft de in 1.3 van deze uitspraak besproken taxatie van appartement 3 bestreden met de stelling dat het weergegeven bedrag voor Turkse begrippen onbetaalbaar is. Verder heeft zij aangevoerd geen middelen te hebben om een contra expertise uit te laten voeren waardoor het college in het voordeel is.

4.7.

Deze beroepsgronden slagen niet. Appellanten hebben geen begin van bewijs geleverd waarom het college van een onjuiste waarde van appartement 3 is uitgegaan. De enkele stelling dat deze bedragen in Turkije niet gebruikelijk zijn is in dit geval onvoldoende. Verder konden appellanten naast hun bijstandsuitkering in ieder geval beschikken over de opbrengst uit de verkoop van appartement 1 in augustus 2011. Voor het standpunt van het college kan steun worden gevonden in de beschikking van de rechtbank te Foca van 6 februari 2015, waarin uitspraak is gedaan op het verzoek van het college om appellanten te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte verleende bijstand te bedrage van € 65.404,74. Volgens de in opdracht van deze rechter geraadpleegde deskundige was de waarde van appartement 3 in onderscheidenlijk 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 getaxeerd op 90.000 TL, 100.000 TL, 110.000 TL, 125.000 TL en 135.000 TL. Ook daarvan uitgaande betekent dit dat de waarde van het aandeel van appellante in appartement 3 over de in geding zijnde tijdvakken ruimschoots lag boven het bedrag van het vrij te laten vermogen.

4.8.

Tegen de hoogte van de terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.9.

Uit het vorenstaande volgt dat de gronden van appellanten niet slagen zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van

M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD