ECLI:NL:CRVB:2017:2297 Centrale Raad van Beroep , 05-07-2017 / 15/6602 AWBZ

Uitspraak

15/6602 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2015, 14/3644 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

CZ Zorgkantoor B.V. (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 5 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.A.M. Clijsen hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F.J.P. Baur, advocaat, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir. Namens betrokkene zijn verschenen mr. Baur en de wettelijk vertegenwoordiger van betrokkene, [naam wettelijke vertegenwoordiger] .

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 2012, is gediagnosticeerd met spinale spieratrofie, SMA type II.

1.2.

Betrokkene heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.3.

Op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) heeft betrokkene bij appellant op 12 augustus 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd voor de realisering van zorg. In het budgetplan staat vermeld: “(...) Met het budget dat ik krijg wil ik mijn beide ouders inhuren. Zodat zij mij de zorg kunnen bieden die ik nodig heb (…)”. In het budgetplan is verder verklaard dat niet is onderzocht of de zorg die betrokkene wil inkopen ook wordt geleverd door zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door het zorgkantoor.

1.4.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft appellant betrokkene uitgenodigd voor een Bewust Keuze gesprek. Dit gesprek heeft op 29 augustus 2014 plaatsgevonden.

1.5.

Bij besluit van 2 september 2014 heeft appellant de aanvraag van betrokkene voor een pgb afgewezen.

1.6.

Bij besluit van 22 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2014 kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene zich niet heeft georiënteerd op het door appellant gecontracteerde zorgaanbod als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om binnen zes weken met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet duidelijk is wie het antwoord op het formulier Informatie/vragenlijst Bewust Keuze gesprekken daadwerkelijk heeft ingevuld en vanuit welk perspectief dat is gebeurd, vanuit dat van betrokkene of dat vanuit zijn ouders. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat geen verslag van het Bewust Keuze gesprek voorhanden is. Het formulier Informatie/vragenlijst Bewust Keuze gesprekken kan niet als een verslag van een dergelijk intensief gesprek worden aangemerkt. Het formulier is uiterst summier, waardoor niet duidelijk is wat er daadwerkelijk is besproken en op welke wijze de vragen zijn beantwoord. Hierdoor is niet zeker of de medewerker van appellant nader is ingegaan op de vraag waarom zorg in natura geen passende oplossing zou zijn. Mede naar aanleiding van hetgeen in bezwaar is aangevoerd, had appellant niet van een hoorzitting moeten afzien, maar een nader onderzoek moeten instellen naar de wijze waarop het formulier is ingevuld. Appellant had in dat kader aanvullende vragen aan betrokkene moeten stellen.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Bij appellant bestaat geen onduidelijkheid over de vraag vanuit welk perspectief de vragen op het formulier Informatie/vragenlijst Bewust Keuze gesprekken door de medewerkers van appellant zijn ingevuld. De ouders van betrokkene zijn op het gesprek verschenen en hebben het aanvraagformulier en het budgetplan ondertekend. Hierover bestaat evenmin onduidelijkheid. De stelling dat hen niets is gevraagd en dat zij niets hebben gezegd is hiermee aantoonbaar onjuist. Er is dus geen reden voor het instellen van een nader onderzoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa weigert het Zorgkantoor verlening van een netto pgb indien de verzekerde zich, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, kennelijk onvoldoende heeft georiënteerd op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod.

4.2.

Appellant heeft onder meer (de inhoud van) het verslag van het Bewust Keuze gesprek ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat betrokkene zich niet heeft georiënteerd als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa. Dit gesprek is vastgelegd in de Informatie/vragenlijst Bewust Keuze gesprekken, waarin vragen met antwoorden zijn vermeld. De weergave van het gesprek is dermate summier dat niet duidelijk is welke antwoorden zijn gegeven op de gestelde vragen en vanuit welk perspectief. Hierdoor heeft appellant niet inzichtelijk gemaakt hoe het zich een beeld heeft gevormd van (de situatie van) betrokkene, de wijze waarop de ouders als wettelijk vertegenwoordigers van betrokkene zich al dan niet hebben georiënteerd op het door appellant gecontracteerde zorgaanbod en wat tijdens dit gesprek is besproken. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit berust op zorgvuldig onderzoek. De Raad onderschrijft dan ook de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.

4.3.

Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.

5. Er bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- aan verleende rechtsbijstand (verschijnen ter zitting in hoger beroep).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-

bevestigt de aangevallen uitspraak;

-

bepaalt dat het beroep tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

-

veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 495,-;

-

bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) G.J. van Gendt

SS