ECLI:NL:CRVB:2017:2300 Centrale Raad van Beroep , 07-06-2017 / 16/6162 ZW

Uitspraak

16/6162 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 augustus 2016, 16/535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Weehuizen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellant en mr. Weehuizen zijn, met bericht van afwezigheid, ter zitting niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig eigenaar van een uitzendbureau voor 40 uur per week. Appellant heeft zich op 23 juli 2013 ziek gemeld met rugklachten, op basis waarvan hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 juni 2015 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 21 juli 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, wikkelaar en productiemedewerker te vervullen. Het bezwaar dat appellant tegen het besluit van 21 juli 2015 heeft gemaakt is door het Uwv bij besluit van 4 januari 2016 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

1.2.

Appellant heeft zich op 6 oktober 2015 opnieuw ziek gemeld met rugklachten, waarbij tevens psychische klachten zijn gemeld. Appellant heeft op 4 november 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 16 november 2015 geschikt geacht voor het vervullen van de functie van wikkelaar. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 november 2015 vastgesteld dat appellant per 16 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 januari 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig geacht. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van deze verzekeringsarts inconsistenties bevat of dat dit niet concludent is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ermee bekend dat appellant psychische klachten heeft. Uit de informatie van behandelend verpleegkundig specialist GGZ Novak, die overigens geen psychiater is, is gebleken dat de klachten van appellant na 21 juli 2015 zijn toegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat appellant verminderd belastbaar is. Op basis van de medische informatie heeft de verzekeringsarts in de rugklachten, specifieke somatische pathologie en psychopathologie aanleiding gezien de in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 5 juni 2015, opgesteld in de WIA-procedure, vastgestelde belastbaarheid bij te stellen. De verzekeringsarts heeft appellant aangewezen geacht op werk zonder zware rugbelasting, zoals het geval is bij veelvuldig en/of langdurig zwaar tillen, duwen/trekken en dragen, en langdurig en/of veelvuldig diep gebogen werken. Verder is appellant beperkt geacht ten aanzien van werk met een voortdurend hoog handelingstempo, voortdurend deadlines en conflicthantering. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin gevolgd. Appellant heeft geen medische informatie in het geding gebracht die de rechtbank heeft doen twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant op 16 november 2015 zijn onderschat. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar getoetst aan de functie wikkelaar en deze arts is navolgbaar tot de conclusie gekomen dat er geen overschrijding is van de verminderde belastbaarheid door de arbeidsbelastende factoren in deze functie. De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant per 16 november 2015 geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid onderschreven. Volgens de rechtbank heeft het Uwv daarom terecht vastgesteld dat appellant met ingang van die datum geen recht heeft op een ZW-uitkering.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt, als ingenomen in beroep, gehandhaafd. Hij houdt staande dat het Uwv zijn psychische beperkingen heeft onderschat. Wegens zijn psychische beperkingen is hij niet in staat de arbeid van wikkelaar te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 5 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat de uitkomst van het medisch onderzoek onjuist te achten. Ook de gronden waarop dat oordeel berust worden onderschreven.

4.3.

In hoger beroep worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de artsen van het Uwv onzorgvuldig zijn geweest of de medische situatie van appellant onjuist hebben ingeschat. Evenmin is nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellant hebben overschat. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan het oordeel van de rechtbank dat appellant met ingang van 16 november 2015 geschikt is te achten zijn arbeid, zijnde de functie van wikkelaar, te verrichten.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Gayir

SS