ECLI:NL:CRVB:2017:2303 Centrale Raad van Beroep , 28-06-2017 / 15/4671 WIA

Uitspraak

15/4671 WIA, 17/3845 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 mei 2015, 14/6770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 6 december 2016 een nieuw besluit genomen.

Appellante heeft haar zienswijze gegeven op het nieuwe besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellante en mr. Haze zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellante met ingang van 4 juni 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Aansluitend is appellante met ingang van 1 juni 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering (LGU) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80% en een dagloon van € 128,82. Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2012 is de arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 1 juni 2012 nader bepaald op 80 tot 100%. De hoogte van de toegekende LGU is daardoor niet gewijzigd.

1.2.

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft het Uwv de LGU met ingang van 1 mei 2014 omgezet in een loonaanvullingsuitkering (LAU). Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarin zij onder meer de hoogte van het dagloon heeft betwist en heeft gesteld met ingang van 1 juni 2012 in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering, die haar in 2012 al toegekend had moeten worden. Bij beslissing op bezwaar van 26 augustus 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 opgevat als een weigering om terug te komen van het besluit van 24 juli 2012 waarbij onder andere het dagloon is vastgesteld op € 128,82, en heeft geoordeeld dat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden, waardoor het dagloon vaststaat. De rechtbank heeft verder met toepassing van de zogenoemde

duuraanspraken-jurisprudentie overwogen dat appellante met betrekking tot de periode voorafgaande aan 1 mei 2014 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, en dat met betrekking tot de periode daarna niet is gebleken dat de aanspraken van appellante zijn miskend. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor het Uwv dan ook geen aanleiding om het dagloon te herzien. Het beroep van appellante is om die reden ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat het dagloon op een te laag bedrag is vastgesteld en dat zij in verband met volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft op 6 december 2016 een gewijzigd besluit genomen (bestreden besluit 2), waarbij het dagloon met ingang van 1 mei 2014 is verhoogd naar € 197,-. Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 tevens te kennen gegeven geen aanleiding te zien om terug te komen op de dagloonvaststelling per 1 juni 2012.

3.3.

Appellante heeft in haar zienswijze te kennen gegeven zich met bestreden besluit 2 te kunnen verenigen wat betreft de hoogte van het dagloon, maar niet met de ingangsdatum van 1 mei 2014. Appellante meent vanaf 1 juni 2012 aanspraak te kunnen maken op uitkering, berekend naar het hogere dagloon van € 197,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu het Uwv bestreden besluit 1 niet heeft gehandhaafd komt dat besluit, evenals de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking.

4.2.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt bestreden besluit 2 mede in de beoordeling betrokken. Met betrekking tot bestreden besluit 2 wordt als volgt overwogen.

4.2.1.

Appellante is het eens met de hoogte van het dagloon, zoals door het Uwv berekend met ingang van 1 mei 2014, zodat van de juistheid hiervan wordt uitgegaan.

4.2.2.

In geding is de omzetting van de LGU in een LAU met ingang van 1 mei 2014. Gelet hierop heeft het Uwv de uitkering van appellante terecht met ingang van die datum herberekend op basis van het hogere dagloon. In zoverre was er was binnen de grenzen van het voorliggende geding geen aanleiding om het gewijzigde dagloon reeds vanaf 1 juni 2012 toe te passen.

4.2.3.

Appellante heeft in haar bezwaarschrift aan het Uwv en in haar beroepschrift in eerste aanleg betoogd dat zij met ingang van 1 juni 2012 al volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en daarom vanaf die datum in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Ook heeft zij in bezwaar en in beroep aangevoerd dat het dagloon per 1 juni 2012 gecorrigeerd moet worden. Hieromtrent wordt allereerst opgemerkt dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de in 1.1 genoemde beslissing op bezwaar van 24 juli 2012. De stellingen van appellante worden daarom opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 juli 2012, voor zover zij daarbij in aanmerking is gebracht voor een LGU op basis van een dagloon van

€ 128,82. Dit verzoek moet worden beoordeeld naar de maatstaven, neergelegd in de uitspraken van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) en 3 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:894).

4.2.4.

Vastgesteld wordt, dat appellante haar verzoek niet heeft onderbouwd met nadere (medische) gegevens. Desgevraagd is ter zitting door appellante bevestigd dat medische informatie die erop wijst dat zij met ingang van 1 juni 2012 niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt was, ontbreekt. Het Uwv heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding zijn om terug te komen van de dagloonvaststelling per 1 juni 2012. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om terug te komen van het besluit van 24 juli 2012. Van een evidente onredelijkheid is geen sprake.

4.2.5.

Uit wat is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.2.4 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 niet slaagt en ongegrond moet worden verklaard.

5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van appellante. Deze bedragen € 990,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en € 1.237,50 aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, totaal een bedrag van € 2.227,50. Voor een vergoeding van de kosten in bezwaar bestaat geen aanleiding, omdat een verzoek daartoe niet is gedaan voordat het Uwv bestreden besluit 1 nam.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2016 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante ten bedrage van € 2.227,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) N. Veenstra

UM