ECLI:NL:CRVB:2017:2309 Centrale Raad van Beroep , 04-07-2017 / 15/4204 WWB

Uitspraak

15 4204 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 april 2015, 14/6502 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commissie Sociale Zekerheid Breda (commissie)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr F. Bajrami, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bajrami. De commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.J.J. Spronk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 8 november 2000 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van de melding van de Belastingdienst dat appellante werkzaam zou zijn als [naam beroep] bij [naam werkgever] heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar van de afdeling Toezicht en handhaving van de gemeente [woonplaats] (opsporingsambtenaar) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de opsporingsambtenaar onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht en diverse instanties, waaronder de Belastingdienst, Suwinet, de Kamer van Koophandel, [naam a] Facility Services ([naam a]), de RDW en de gemeente [naam gemeente], om inlichtingen verzocht. De opsporingsambtenaar heeft op 5 november 2013 een bedrijfsbezoek aan het [naam werkgever] te [naam gemeente] ([werkgever]), gebracht en de aanwezige baliemedewerker van het [werkgever], [naam baliemedewerker] (W), gehoord. De opsporingsambtenaar trof in het [werkgever] ook appellante aan en heeft haar kort verhoord. Hij heeft op 8 november 2013 appellante verder verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport/proces-verbaal van 4 december 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor de commissie aanleiding geweest om bij besluit van

10 december 2013 de bijstand met ingang van 1 november 2013 in te trekken (besluit 1). Bij besluit van 16 januari 2014 heeft het college verder de bijstand over de periode van

1 september 2010 tot en met 31 december 2010 (periode 1) herzien, de bijstand over de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2013 (periode 2) ingetrokken en de over de beide periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.462,05 van appellante teruggevorderd (besluit 2). De besluitvorming berust op de overweging dat appellante over periode 1 inkomsten heeft genoten als schoonmaakster die niet zijn gekort op de bijstand en over de periode 2 inkomsten als [naam beroep] heeft genoten, waarvan ze geen inzage kan of wil geven. Over die laatste periode is het recht op bijstand daarom niet vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 18 september 2014 (bestreden besluit) heeft de commissie de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat tussen partijen niet in geding is dat de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 oktober 2013 en de beëindiging van de bijstand per 1 november 2013 rechtmatig is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening en intrekking bijstand

4.1.

Het besluit tot herziening en intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Periode 1

4.2.

Tijdens het onderzoek heeft de opsporingsambtenaar op 10 juni 2013 van [naam a] een loonstaat over 2010 ontvangen waaruit blijkt dat appellante over de maanden september 2010 tot en met december 2010 loon is betaald. De commissie heeft daarop de herziening van de bijstand over periode 1 gebaseerd. Appellante heeft aangevoerd dat niet zij, maar een neef op haar naam deze werkzaamheden heeft verricht. Zij heeft in bezwaar een verklaring van

30 december 2013 van [naam C] (C), zaakvoerder [naam a], overgelegd, die inhoudt dat appellante in 2010 niet bij [naam a] heeft gewerkt. Daarbij heeft appellante een loonstrook van [naam a] overgelegd over de loonperiode “vier weken 7 2010” ten name van [naam M] (M) en met de vermelding van het personeelsnummer 22. De loonstrook vermeldt het woonadres van appellante. Deze beide stukken doen echter niet af aan de vermelding van de naam van appellante op de loonstaat over 2010. De loonstaat is ondertekend door of namens de werkgever, ziet - in tegenstelling tot de loonstrook ten name van M - op werkzaamheden in september 2010 tot en met december 2010 en vermeldt het personeelsnummer 33. C heeft in zijn verklaring niet te kennen gegeven waarom de loonstaat over 2010 niet zou kloppen. Appellante heeft daarom met deze stukken niet aannemelijk gemaakt dat niet zij maar haar neef de werkzaamheden heeft verricht en daarvoor het loon heeft ontvangen volgens de loonstaat 2010.

Periode 2

4.3.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat geen grondslag is voor de intrekking en terugvordering over de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011. De te beoordelen periode vangt aan op 1 november 2011 en loopt tot en met 30 juni 2013.

4.3.1.

De commissie baseert de intrekking over de te beoordelen periode met name op de verklaring van W dat hij vier jaar werkt bij het [werkgever] en appellante sinds twee jaar tot op de dag van het gehoor geregeld in het [werkgever] komt, in elk geval op drie van de vier dagen dat hij daar als baliemedewerker werkt. Appellante huurt bij hem dan een kamer, waar zij, voor zover hij dat weet, zich [te werk stelt]. De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Vergelijk de uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft zich beroepen op een latere verklaring van W van 4 februari 2014, die W op haar verzoek heeft afgelegd. W verklaart dat appellante tot juli 2013 kwam met haar vriend en dat pas vanaf juli 2013 appellante bij hem een kamer huurt in het [werkgever].

4.3.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appelante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring die W op 5 november 2013 heeft afgelegd niet volledig of niet juist is. Van belang is dat W op 5 november, na lezing, in zijn verklaring heeft volhard en die heeft ondertekend. Met de aanvullende verklaring van 4 februari 2014 verandert W zijn eerdere verklaring wezenlijk van karakter. De toelichting van W in zijn verklaring van 4 februari 2014 dat hij op 5 november 2013 meer verklaard heeft dan “kennelijk is opgeschreven” overtuigt niet, nu W in zijn eerdere verklaring heeft volhard en die heeft ondertekend.

4.4.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.3.2 is overwogen was de commissie op grond van

artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht om de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 november 2011 tot en met 30 juni 2013 in te trekken.

4.4.1.

Gelet op 4.3 ontbreekt een grondslag voor de intrekking over de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011. Dit betekent dat besluit 2 in zoverre geen stand kan houden en in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011 en, zelf in de zaak voorziend, besluit 2 in zoverre herroepen.

Terugvordering

4.5.

Uit 4.4.2 vloeit voort dat het college niet bevoegd was de over de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011 verstrekte bijstand van appellante terug te vorderen. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, dient het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het terugvorderingsbesluit te worden vernietigd. De commissie zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om voor de terugvordering zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het college daarom opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen besluit 2 voor zover het de terugvordering betreft. Dit nieuwe besluit vergt van het college slechts een rekenkundige uitwerking, zodat een bestuurlijke lus niet aangewezen is.

4.6.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.7.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 18 september 2014 voor zover dat ziet op de intrekking van de

bijstand van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011 en op de terugvordering;

- herroept het besluit van 16 januari 2014 voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over

de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 september

2014;

- draagt het college op met in achtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen

op het bezwaar voor zover dat ziet op de terugvordering;

- bepaalt dat tegen die beslissing slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en E.C.R. Schut en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD