ECLI:NL:CRVB:2017:2327 Centrale Raad van Beroep , 05-07-2017 / 15/5562 ZW

Uitspraak

15/5562 ZW

Datum uitspraak: 5 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 juli 2015, 14/1886 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.E. de Jong hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2016. Voor appellant is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J.H. Lagerwaard.

Vervolgens is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2017, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als commercieel technisch salesmanager op ICT gebied. Zijn dienstverband is met ingang van 1 september 2010 beëindigd. Appellant heeft zich op

12 november 2012 ziek gemeld met verschillende klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant is vanaf 1 januari 2013 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Appellant heeft vanaf maart 2013 een re-integratietraject gevolgd. Een arbeidsdeskundige en appellant hebben afgesproken dat hij vanaf 13 januari 2014 weer arbeidsgeschikt zal worden geacht en geen ziekengeld meer zal ontvangen.

1.2.

Vervolgens heeft appellant zich op 6 februari 2014 opnieuw ziek gemeld. Op 10 februari 2014 heeft appellant een auto-ongeval gehad.

1.3.

Op 13 maart 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft overwogen dat er geen specifiek medisch te onderbouwen beperkingen zijn die appellant arbeidsongeschikt voor het eigen werk zouden maken, niet op 13 januari 2014 en ook niet op 6 februari 2014. Met de eventuele beperkingen als gevolg van het ongeval op

10 februari 2014 is bij deze beoordeling geen rekening gehouden, aangezien het ongeval buiten de periode van de zogenoemde nawerking valt. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 maart 2014 vastgesteld dat appellant per 6 februari 2014 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW en onveranderd per 13 januari 2014 geschikt is voor de maatgevende functie. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij beslissing op bezwaar van 20 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 mei 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken moet worden afgeleid dat de

ZW-uitkering in overleg met appellant op 13 januari 2014 is geëindigd. Dat is feitelijk het geval geweest omdat na 13 januari 2014 de wekelijkse betalingen van ziekengeld zijn gestopt. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat appellant de brief van 19 december 2013 van het Uwv, waarin de afgesproken beëindiging van de ZW-uitkering werd bevestigd, niet heeft ontvangen en/of een en ander niet goed heeft begrepen. Uit de stukken blijkt dat appellant op 31 december 2013 heeft geïnformeerd wanneer recht op nawerking op grond van de ZW bestaat. Appellant heeft verder op 6 februari 2014 contact opgenomen met een arbeidsdeskundige en meegedeeld dat hij had afgesproken om per 13 januari 2014 weer naar werk te gaan zoeken, maar dat hij toch nog steeds ZW-uitkering nodig zou hebben. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de uitkering. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Alle klachten van appellant zijn betrokken bij de beoordeling en de geschiktheid voor zijn arbeid is door de verzekeringsartsen op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat appellant op 6 februari 2014 geschikt is om zijn eigen werk te verrichten en dat dit ook op 13 januari 2014 bij het einde van de vorige ZW-periode het geval was.

3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op ZW-uitkering niet is beëindigd met ingang van

13 januari 2014, omdat een besluit daartoe ontbreekt. Dit brengt volgens appellant met zich dat de artsen van het Uwv ook met het auto-ongeval van 10 februari 2014 rekening hadden behoren te houden. Appellant acht de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend

zijn voor zijn arbeid. In dit geval is de maatstaf arbeid het werk van een commercieel technisch salesmanager op ICT gebied.

4.1.2.

Op grond van artikel 46, eerste lid, van de ZW heeft degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het Uwv aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat het recht op ZW-uitkering met ingang van 13 januari 2014 is geëindigd en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden volledig onderschreven. Dit betekent dat appellant op 10 februari 2014 niet meer verzekerd was op grond van de ZW. De ingevolge artikel 46, eerste lid, van de ZW geldende periode van nawerking is immers geëindigd op 9 februari 2014. De artsen van het Uwv hebben het

auto-ongeval terecht buiten hun medische beoordeling gelaten.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor een vermoeden dat de artsen van het Uwv de beperkingen van appellant hebben onderschat. Een arts van het Uwv heeft appellant gezien op het spreekuur, lichamelijk en psychisch onderzoek gedaan, een uitgebreide anamnese afgenomen en dossierstudie verricht. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien op het spreekuur en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien de conclusie van de verzekeringsarts dat appellant in staat moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid, voor onjuist te houden. Niet is gebleken dat de artsen van het Uwv klachten of relevante informatie hebben gemist dan wel de beperkingen van appellant hebben onderschat. Appellant is er niet in geslaagd in hoger beroep twijfel te doen ontstaan aan de juistheid van het oordeel van de artsen van het Uwv, dat appellant op

6 februari 2014 in staat moet worden geacht het werk te verrichten van een commercieel technisch salesmanager op ICT gebied.

4.4.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M.S. Requisizione als voorzitter en A.I. van der Kris en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) F.M.S. Requisizione

(getekend) I.G.A.H. Toma

IJ

Verder lezen