ECLI:NL:CRVB:2017:2377 Centrale Raad van Beroep , 05-07-2017 / 16/281 WW

Uitspraak

16/281 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2015, 15/2142 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.L.J. Weltevrede.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 januari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Hij heeft van het Uwv toestemming gekregen om in de periode van 10 juni 2013 tot 9 december 2013 gebruik te maken van de zogenoemde startersregeling. Gedurende die periode werd de WW-uitkering van appellant gekort met 29%. Aansluitend, met ingang van 9 december 2013, is de WW-uitkering voor 20 uur beëindigd in verband met appellants werkzaamheden als zelfstandige. Uit onderzoek van het Uwv in 2014 is gebleken dat appellant tijdens de startersperiode, op 23 september 2013, in dienst is getreden van [BV] en daar tot 16 mei 2014 heeft gewerkt. Appellant heeft het Uwv van die werkzaamheden niet op de hoogte gesteld.

1.2.

Bij besluit van 28 juli 2014 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 23 september 2013 herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 23 september 2013 tot en met 18 mei 2014, ten bedrage van € 5.969,24 (bruto) van appellant teruggevorderd. Bij een tweede besluit van 28 juli 2014 (besluit 2) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd ten bedrage van € 4.773,76. Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen besluit 1, ongegrond verklaard en het bezwaar, voor zover gericht tegen besluit 2, gegrond verklaard en de hoogte van de boete verlaagd naar € 2.390,-. Het Uwv heeft de boete bepaald op 50% van het benadelingsbedrag over de periode vanaf het einde van de startersperiode, 9 december 2013, tot en met 18 mei 2014.

1.3.

Bij besluit van 16 april 2015 (besluit 3) heeft het Uwv het termijnbedrag waarmee appellant zijn schuld moet afbetalen vastgesteld op € 641,72 per maand. Bij beslissing op bezwaar van 4 september 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, gericht tegen besluit 3, gegrond verklaard en het termijnbedrag verlaagd naar € 435,94 per maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, appellant gedurende de periode van 23 september 2013 tot en met 18 mei 2014 werkzaamheden in loondienst heeft verricht bij [BV] waarvan hij het Uwv niet op de hoogte heeft gesteld, het Uwv op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en onder b en artikel 36, eerste lid, van de WW gehouden is het besluit tot toekenning van de

WW-uitkering te herzien en de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 23 september 2013 tot en met 18 mei 2014 van appellant terug te vorderen. Dat appellant zich genoodzaakt zag om naast zijn werk als zelfstandig ondernemer te werken in dienstverband, omdat hij met de inkomsten uit zijn eigen bedrijf niet in het onderhoud van zijn gezin kon voorzien, levert naar het oordeel van de rechtbank geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, mede omdat moet worden aangenomen dat de toepasselijke regelgeving met betrekking tot de beslagvrije voet bij invordering voldoende bescherming biedt. Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW, was het Uwv verplicht een (bestuurlijke) boete op te leggen, omdat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank acht een boete van € 2.390,- ter zake van die overtreding over de periode van 9 december 2013 tot en met 18 mei 2014 evenredig met de ernst van de overtreding. Van een dringende reden om af te zien van het opleggen van een boete is de rechtbank niet gebleken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat van herziening en terugvordering moet worden afgezien, omdat hij vanaf 10 juni 2013 slechts een deel van de WW-uitkering heeft ontvangen. Daarnaast moet de boete worden verlaagd, omdat zij niet evenredig is met de ernst van de overtreding. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat de schending van de inlichtingenplicht slechts eenmalig was en hij de uitkeringsfondsen niet heeft benadeeld. Ten slotte heeft appellant gesteld dat het in bezwaar verlaagde termijnbedrag moet ingaan op de datum waarop de financiële berekening ziet.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft appellant de laatste grond ingetrokken. In hoger beroep zijn in geding de herziening en de terugvordering van de WW-uitkering en de oplegging van een boete.

4.2.

Voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar rechtsoverweging 3.1 van de aangevallen uitspraak. Hieraan worden toegevoegd de onderdelen d en e van artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit), die ten tijde van belang als volgt luidden:

"Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkenen kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of

e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid."

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil de hoogte van het onverschuldigd betaalde bedrag over de periode 23 september 2013 tot en met 18 mei 2014, zijnde € 5.969,24, noch de hoogte van het benadelingsbedrag over de periode 9 december 2013 tot en met 18 mei 2014, zijnde € 4.773,76.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank over het herzienings- en terugvorderingsbesluit en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellant was tijdens de startersperiode weliswaar vrijgesteld van het opgeven van de door hem gewerkte uren, maar het moet hem duidelijk zijn geweest dat die vrijstelling alleen zag op de uren als zelfstandige waarvoor de toestemming om gebruik te maken van de startersperiode was verleend. Voor zover appellant in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat hij ook de werkzaamheden in loondienst bij [BV] niet behoefde op te geven komt dat dan ook voor zijn risico. Door van die werkzaamheden geen opgave te doen heeft het Uwv te veel uitkering aan appellant betaald, wat hem redelijkerwijs ook duidelijk kon zijn. Gelet hierop heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant terecht herzien met ingang van 23 september 2013 en heeft het Uwv, mede gelet op het dwingende karakter van artikel 36 van de WW, ook terecht teruggevorderd wat onverschuldigd is betaald. Dat appellant niet de bedoeling heeft gehad het Uwv te benadelen doet daaraan niet af. Het gegeven dat appellant in loondienst is gaan werken, omdat hij met de WW-uitkering zijn gezin niet kon onderhouden wordt niet aangemerkt als een dringende reden nu dat gegeven geen gevolg is van het terugvorderingsbesluit.

4.5.

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv gehouden was appellant een boete op te leggen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden eveneens onderschreven. Het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de boete wordt niet gevolgd. Hiertoe wordt overwogen dat met ingang van 1 januari 2017 de bepaling in het Boetebesluit over de afronding van de boete is vervallen. Gelet daarop is een boete van € 2.386,88 passend en geboden. De stelling van appellant dat, de opgelegde boete niet evenredig is met de ernst van de overtreding omdat de schending heeft bestaan uit een eenmalige fout, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft vanaf 9 december 2013 de inlichtingenverplichting voortdurend overtreden met als gevolg dat het Uwv aan hem onverschuldigd WW-uitkering heeft betaald tot en met 18 mei 2014.

4.6.

Wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank een boete van € 2.390,- evenredig met de ernst van de overtreding heeft geacht. Het beroep tegen bestreden besluit 1 zal gegrond worden verklaard voor zover daarin de hoogte van de boete is vastgesteld op € 2.390,- en bestreden besluit 1 zal in zoverre worden vernietigd. Het boetebesluit van 28 juli 2014 zal worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.485,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 2.390,-;

-

verklaart het beroep tegen het besluit van 16 februari 2015 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij de hoogte van de boete is vastgesteld op € 2.390,-;

-

herroept het besluit van 28 juli 2014;

-

stelt het bedrag van de boete vast op € 2.386,88 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 februari 2015;

-

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;

-

bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

SS