ECLI:NL:GHAMS:2015:5828 Gerechtshof Amsterdam , 15-12-2015 / 23-000656-14

Uitspraak

parketnummer: 23-000656-14

datum uitspraak: 15 december 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-078086-12 tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 maart 2015, 3 juni 2015 en 1 december 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:zij op of omstreeks 27 augustus 2011 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de M. Hanenbergstraat, achteruit is gereden zonder een voetganger voor te laten gaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd immers is zij in botsing gekomen met een voetganger als gevolg waarvan [benadeelde] pijn en/of letsel heeft bekomen;

2:zij op of omstreeks 27 augustus 2011 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de M. Hanenbergstraat, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking bewijsverweer

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting, onder verwijzing naar de bewijsmiddelen, op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van beide ten laste gelegde feiten en heeft daartoe het volgende betoogd. Niet de verdachte maar haar moeder, [moeder verdachte] , bestuurde de personenauto op het moment dat deze met het slachtoffer in botsing kwam. De verklaring van de verdachte op dit punt wordt bevestigd door zowel haar moeder als haar vriendin [vriendin verdachte] . De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die hebben verklaard dat de verdachte ten tijde van belang de personenauto bestuurde, bevonden zich, in tegenstelling tot verdachte, haar moeder en haar vriendin, op enige afstand van de personenauto en richtten hun blik pas na (het horen van het geluid van) de botsing op de personenauto. Laatst genoemde getuigen hebben vanuit aannames verklaard. Bovendien bevatten de door hen afgelegde getuigenverklaringen tegenstrijdigheden. Om deze redenen dienen de door hen afgelegde verklaringen dan ook terzijde te worden geschoven.

Het hof is van oordeel dat de verdachte de bestuurster van de personenauto was ten tijde van het ongeval en baseert zich hierbij op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris hebben zij, consistent en uit eigen waarneming, verklaard dat de personenauto op het moment dat deze in botsing kwam met het slachtoffer werd bestuurd door de jonge mevrouw met hoofddoek en dat naast haar een blonde mevrouw zat op de passagiersplek. Uit het dossier blijkt dat de verdachte een hoofddoek droeg en dat haar moeder geblondeerd haar had. De door de getuigen beschreven signalementskenmerken zijn dermate specifiek dat op basis daarvan vast staat dat ‘de jonge vrouw met de hoofddoek’ verdachte betreft en ‘de (oudere) vrouw met blond haar’ de moeder van verdachte. [getuige 1] en [getuige 2] hebben voorts verklaard dat zij na de aanrijding met het slachtoffer zagen dat de jonge vrouw met hoofddoek (verdachte) uitstapte aan de bestuurderszijde en de vrouw met het blonde haar, van wie zij dachten dat het de moeder van de bestuurster was, aan de passagierszijde. Anders dan de moeder en de vriendin van de verdachte, die hebben verklaard dat de moeder van de verdachte op dat moment de bestuurster was, zijn laatstgenoemde getuigen te duiden als objectieve getuigen, nu niet is gebleken van enige relatie tussen hen en de verdachte en/of het slachtoffer.

Gelet op het bovenstaande acht het hof de verklaringen van de moeder en de vriendin ongeloofwaardig en schuift deze als zodanig terzijde.

Voor zover al sprake zou zijn van enige tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn deze van een dusdanig ondergeschikte aard dat het hof deze niet relevant acht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

zij op 27 augustus 2011 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de M. Hanenbergstraat, achteruit is gereden zonder een voetganger voor te laten gaan, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, immers is zij in botsing gekomen met een voetganger als gevolg waarvan deze voetganger, [benadeelde] , pijn en letsel heeft bekomen.

2:

zij op 27 augustus 2011 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de M. Hanenbergstraat, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 320,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis en voor het onder feit 2 bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 340,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, indien niet (naar behoren) verricht te vervangen door 45 dagen hechtenis en voor het onder feit 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 340,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op de openbare weg met een personenauto gereden, terwijl haar door de bevoegde autoriteiten geen rijbewijs voor het besturen van een personenauto was afgegeven. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en evident gevaar op de weg veroorzaakt door bij het verrichten van een bijzondere manoeuvre, te weten achteruit rijden, geen voorrang te verlenen aan een voetganger die achter de door haar bestuurde personenauto de straat overstak. De verdachte is hierdoor met deze personenauto tegen de voetganger aangereden. Door het ongeval dat hierdoor heeft plaatsgevonden, heeft de voetganger pijn en letsel opgelopen. De verdachte heeft door aldus te handelen een onverantwoord risico genomen, de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd, terwijl zij bovendien niet verzekerd was voor de door haar toegebrachte schade.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat zij ter terechtzitting op geen enkel moment enige verantwoordelijkheid heeft genomen en de gebeurtenis en de gevolgen daarvan bagatelliseert. Evenmin heeft de verdachte enige empathie met het slachtoffer getoond.

Het hof weegt verder, ten voordele van de verdachte, mee dat uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 18 november 2015 blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld en dat de ten laste gelegde feiten dateren van ruim vier jaar geleden.

Het hof acht, alles afwegende, voor het onder 1 bewezen verklaarde een taakstraf van na te melden duur en voor het onder 2 bewezen verklaarde een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 340,00 (driehonderdveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. C.N. Dalebout en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2015.