ECLI:NL:GHAMS:2016:5847 Gerechtshof Amsterdam , 16-02-2016 / 23-000531-13

Uitspraak

Parketnummer: 23-000531-13

Datum uitspraak: 16 februari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-660662-11 tegen:


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Blijkens een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 27 januari 2015 richt het hoger beroep van het openbaar ministerie niet tegen het onder 4 ten laste gelegde. Het hof zal de officier van justitie mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak wegens gebrek aan belang.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2015, 19 januari 2016 en 2 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de gronden aanvult op navolgende wijze.

Het hof vult de gronden op pagina 10 van het vonnis in de 5e alinea aan door in de eerste regel na “de benadeelde partij” in te voegen “,in het bijzonder ten aanzien van de schade aan de motor,”.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2, tweede alternatief en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2, eerste alternatief en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest

Het hof neemt de strafmotivering van de rechtbank over en voegt daaraan het volgende toe.

Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 6 van het EVRM, is geschonden. Tussen de datum van instellen van hoger beroep op 4 februari 2013 en de datum dat de uitspraak in deze zaak zal plaatsvinden op 16 februari 2016 is ruim 3 jaar gelegen. Het hof acht alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen passend, doch zal deze straffen, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, matigen tot een gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2016.