ECLI:NL:GHAMS:2017:1065 Gerechtshof Amsterdam , 28-03-2017 / 200.203.350/01

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.203.350/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5150416 EA VERZ 16-676

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 maart 2017

inzake


[appellant]
,

wonend in [land] ,

appellant,

verzoeker in het incident op grond van artikel 223 Rv,

advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Noord-Scharwoude,

tegen

PERSONENVERVOER [X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.H. Pelle te ‘s-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [X] genoemd.

[appellant] is bij verzoekschrift met bewijsstukken, ontvangen ter griffie van het hof op 14 november 2016, onder aanvoering van een grief in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer op 12 oktober 2016 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en aan [appellant] (zowel in de hoofdzaak als bij wijze van voorlopige voorziening) alsnog een beslagvrije voet van € 961,89 per maand zal toekennen.

Op 4 januari 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van [X] ingekomen, inhoudende het verzoek de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] mr. Peijnenburg voornoemd het woord gevoerd en namens [X] mr. Pelle voornoemd. Daarbij heeft mr. Peijnenburg zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beslissing als in deze zaak vaststaand aangemerkt dat [appellant] in [land] woonachtig is en maandelijks een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ontvangt van € 1.069,86 per maand en dat [X] met ingang van 1 juni 2016 beslag heeft laten leggen op die uitkering waarbij geen beslagvrije voet is gehanteerd. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Daarnaast geldt dat [appellant] nog een klein aanvullend pensioen via SPF Beheer bv (SPF) ontvangt van rond de € 90,- netto per maand, zo volgt onweersproken uit een door hem overgelegde productie.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht dat hem een beslagvrije voet wordt toegekend omdat hij door de beslaglegging over onvoldoende middelen van bestaan beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien. De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen, kort gezegd op de grond dat [appellant] onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd waaruit zijn stelling blijkt.

3.2

Tegen dit oordeel en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd komt [appellant] in hoger beroep met een grief op, inhoudend dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hem geen beslagvrije voet toekomt. [appellant] heeft in hoger beroep nog producties van uitkeringsspecificaties van de AOW en voornoemd (klein) aanvullend pensioen van het SPF overgelegd, alsmede kopieën van zijn paspoort en uitdraaien van een website, waaruit volgens hem volgt dat het hem niet is toegestaan in [land] te werken. Volgens [appellant] bewijst een en ander dat hij over onvoldoende middelen van bestaan beschikt en komt hem een beslagvrije voet toe.

3.3

Voorop staat dat volgens artikel 477e Rechtsvordering voor [appellant] ter zake de vorderingen van [X] in beginsel geen beslagvrije voet geldt nu hij in [land] woont. Een beslagvrije voet kan alleen worden vastgesteld indien [appellant] aantoont dat hij buiten deze vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft. Hierbij is het aan hem om een volledig inzicht te geven in zijn financiële situatie.

3.4

Dit volledig inzicht heeft [appellant] niet gegeven. Anders dan een in eerste aanleg overgelegd overzicht genummerd [nummer] van stortingen en opnames in de periode 1 maart 2016 tot en met 29 mei 2016 (hierna: het overzicht) ontbreekt elk eenduidig gegeven waaruit een dergelijk beeld kan worden verkregen. [appellant] heeft geen bankafschriften overgelegd van de rekening(en) waarop zijn uitkeringen worden gestort noch van de rekening via welke de betalingen van de diverse intercontinentale vluchten die hij in de afgelopen jaren heeft gemaakt (Dominicaanse Republiek, Thailand) hebben plaatsgevonden. Gegevens van de belastingdienst ontbreken evenzeer. Reeds om die reden faalt het beroep.

3.5

Daar komt bij dat uit de gegevens die [appellant] wel heeft overgelegd aannemelijk lijkt dat hij wel degelijk over voldoende middelen van bestaan beschikt, hetzij uit hoofde van een inkomen hetzij uit vermogen, en dat hij in staat zou moeten zijn de vorderingen van [X] te voldoen. Uit de gegevens van genoemde website volgt immers dat om in aanmerking te komen voor een ‘retirement’ visum, dat aan [appellant] is verstrekt, de betrokkene maandelijks ten minste 65.000 baht aan inkomen dient te hebben (overeenkomend met ongeveer € 1.740,-) dan wel een banktegoed van minimaal 800.000 baht (overeenkomend met ongeveer € 21.400,-). Uit eerder genoemd overzicht volgt voorts dat [appellant] gemiddeld maandelijks (uit baht omgerekend en afgerond) € 1.480,- aan opnames doet en € 1.400,- aan stortingen. Een en ander verhoudt zich niet met zijn stelling dat hij slechts een maandelijks inkomen geniet van rond de € 1.159,- en overigens geen middelen van bestaan heeft. [appellant] was ter terechtzitting niet aanwezig om daarover uitleg te geven en zijn advocaat heeft desgevraagd ook geen verklaring hiervoor kunnen geven. Zij heeft erkend dat deze gegevens er op duiden dat [appellant] toch andere middelen van bestaan heeft dan die hij heeft opgegeven. Ook om deze reden faalt het beroep.

3.6

Nu meteen uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, behoeft het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geen bespreking. Bij deze stand van zaken dienen voorts de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep (in de hoofdzaak) voor rekening van [appellant] te komen. De kosten van het incident worden begroot op nihil, gelet op de samenhang en gelijktijdige behandeling daarvan met de hoofdzaak.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beslissing;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [X] gevallen, in eerste aanleg op € 250,- voor salaris en in hoger beroep op € 716,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. Polak, L.A.J. Dun en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.