ECLI:NL:GHAMS:2017:1295 Gerechtshof Amsterdam , 04-04-2017 / 16/00373

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00373

4 april 2017

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van


[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen de uitspraak van 19 juli 2016 in de zaak met kenmerk HAA 15/3353 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 9 april 2014 aan belanghebbende voor het tijdvak 9

januari 2014 tot en met 12 maart 2014 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd ten bedrage van € 325.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en naderhand een

beroep gedaan op de dwangsomregeling van artikel 4:17 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Het door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak, gedagtekend 23 juni 2015,

niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft bij beschikking, ook gedagtekend 23 juni 2015, het beroep op de dwangsomregeling afgewezen.

1.4.

Belanghebbende is in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak

van 9 juli 2016 ongegrond verklaard.

1.5.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24

augustus 2016, aangevuld bij brief van 12 september 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 8 maart 2017 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Deze zijn in afschrift

verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 10 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“1. Eisers neef, [neef] , is van 13 december 2013 tot en met 8 januari 2014 houder geweest van het motorrijtuig van het merk Mercedes, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel 1 is 13 december 2013.

2. Eiser is van 9 januari 2014 tot en met 18 december 2014 houder geweest van de auto.

3. Aan eisers neef, [neef] , is met dagtekening 12 januari 2014 een creditnota verzonden te hoogte van € 310.

4. Aan eiser is voor voornoemde auto met datum 22 januari 2014 een rekening mrb van € 325 verstuurd voor het tijdvak 9 januari 2014 tot en met 12 maart 2014. De uiterste betaaldatum is 23 februari 2014. Eiser heeft deze rekening niet voldaan.

5. Bij brief van 9 april 2014 heeft verweerder aan eiser de thans bestreden naheffingsaanslag opgelegd. Eiser heeft de naheffingsaanslag niet voldaan.

Bij brief van 5 juni 2014 is eiser aangemaand bovenstaande naheffingsaanslag te voldoen.

Op 25 juni 2014 is een dwangbevel betekend.

6. In de brief van eiser van 2 juli 2014, gericht aan de ontvanger van de Belastingdienst, staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Zoals naar aanleiding van een aanmaning eerder aan u is doorgegeven is alle motorrijtuigenbelasting voor de auto (…) voldaan.

Het dwangbevel moet op een misverstand berusten.

Ik vertrouw erop hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd en zie gaarne een bevestiging van de vernietiging van de aanslag van u tegemoet.

(…)”

7. Bij brief van 16 februari 2015, gericht aan de ontvanger van de Belastingdienst, deelt eiser mee dat hij - onder andere - bezwaar heeft tegen de onderhavige naheffingsaanslag en (de kosten van) het dwangbevel van 25 juni 2014. Voorts deelt hij mede dat hij reeds op 2 juli 2014 bezwaar heeft gemaakt tegen de litigieuze naheffingsaanslag en verweerder hier niet op heeft gereageerd. Bij brief van 7 april 2015, gericht aan de ontvanger van de Belastingdienst, deelt eiser mee dat dat hij niets heeft gehoord op zijn bezwaren van 16 februari 2015. Bij brief van 19 juli 2015, gericht aan verweerder, herhaalt eiser dat hij niets heeft gehoord op zijn bezwaar.

8. Bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2015 heeft verweerder eisers bezwaar van 16 februari 2015, dat is ontvangen op 18 februari 2015, gericht tegen de litigieuze naheffingsaanslag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

9. Bij beschikking van 23 juni 2015 heeft verweerder medegedeeld dat geen dwangsom is verschuldigd omdat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag kennelijk niet-ontvankelijk is.

10. Bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de dwangsom ongegrond verklaard.”

2.2.

In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof de navolgende feiten vast.

2.3.

Naar aanleiding van een intern onderzoek door de inspecteur over de verzending van de onderhavige naheffingsaanslag ( [aanslagnummer] ) heeft [medewerker] van de Belastingdienst/Centrale Administratie te Apeldoorn een rapport, gedagtekend 6 maart 2017, opgemaakt dat – voor zover van belang – inhoudt:

“(…)

Ik heb op 6 maart 2017, in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:

- HSB (Houderschapsbelasting

- DOSHISTORIE (DOS Excel Archief)

- DACAS (COA Archiefgegevens)

- ZP05 (SAP Dispositielijst)

- VA03 (SAP Verkooporderlijst)

- INL (Invordering Lokaal)

Ik heb in HBS ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat er over de periode het tijdvak 09-01-2014 t/m 12-03-2014, van het kenteken [kenteken] , een naheffingsaanslag met het kenmerk 14 000001 en dagtekening 09-04-2014, is geregistreerd.

Ik heb in een batchverslag ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat er een partij documenten Naheffingsaanslagen, Betalingscontrole, var 02 met het partij nr. (GENNO) 4753, in een aantal van 12.611 stuks, met parameter 23-02-2014, in het Batchverslag met datum 25-03-2014 op 26-03-2014 en dagnummer 84, op 01-04-2014 is aangeboden.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat deze op 26-03-2014, in een partij documenten (systeem HSB MB) met dagtekening 02-04-2014, met het RUNID N0175189 en N0175192 met het GENNO 04753, in een aantal van 17 en 12594 stuks, is opgemaakt.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat op 27-03-2014 de partijen documenten (systeem HSB MB) met RUNID N0175189 en N0175192, zijn samengevoegd in samengestelde partijen documenten met het RUNID SOO19881 en S0019882, in een aantal van 50 en 56460 stuks, voor verwerking.

Ik heb in DACAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat er op 27-03-2014 een aanslag, met het aanslagnummer [aanslagnummer] en dagtekening 09-04-2014, met betrekking tot het kenteken [kenteken] , is geregistreerd.

Ik heb in ZPO5 ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende geconstateerd:

Dat dit document is opgenomen in een samengestelde partijen documenten, genaamd C02019 CAV 1 HSB Aansl. Var 1 met het RUNID s:019881 en het generatienummer g:4752/3/4, in een aantal van 50 stuks, als zowel, C13019 CAV 2 HSB Aansl. Var 2 met het RUNID s:019882 en het generatienummer g:4752/3/4, in een aantal van 28.230 stuks.

Ik heb in ZPO5 waargenomen dat de partijen documenten met het RUNID s:019881/s:019882 en het generatienummer g:4752/3/4 op 01-04-2014 zijn aangeboden aan SANDD en Post.NL.

Ik heb in VAO3 ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat de partijen documenten (CAV 1 HSB Aansl Var 1 en CAV 2 HSB Aansl Var 2) met RUNID s:019881/s:019882 en generatienummer 9:4752/3/4, met verkooporder 7002241156 en 7002241158, in een aantal van 50 stuks en 28.230 stuks, tijdig en zonder problemen zijn aangeboden aan de postleverancier.

Met postbedrijf SANDD heeft de Belastingdienst/CA in het kalenderjaar 2014 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als het RUNID s:019881/s:019882 en het generatienummer g:4752/3/4 worden bezorgd binnen 72 uren na aanbieding.

Met postbedrijf Post.NL heeft de Belastingdienst/CA in het kalenderjaar 2014 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als het RUNID s:019881/s:019882 en het generatienummer g:4752/3/4 worden bezorgd binnen 48 uren na aanbieding.

Ik heb in BVR ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat tijdens de periode van opleggen aanslag, het adres [A-straat 1] te [Z] , als toezendadres is geregistreerd voor verzending van de naheffingsaanslag MRB.

Ik heb in INL ten aanzien van betrokkene, inzake het document naheffingsaanslag Y.4 het volgende waargenomen:

Dat met betrekking tot het BSN 2156.26.163, een aanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] met dagtekening 09-04-20 14, is geregistreerd.

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Indien belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt, is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Voorts is in geschil of een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar en of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“Allereerst is in geschil het antwoord op de vraag of eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Voorts is in geschil of een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar.

Ontvankelijkheid bezwaar

Eiser heeft gesteld dat hij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen dan wel dat deze niet is verstuurd. Voorts meent eiser dat hij bij brief van 2 juli 2014 bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Verweerder meent dat eiser bij zijn brief van 2 juli 2014 is opgekomen tegen het dwangbevel inzake de naheffingsaanslag niet tegen de naheffingsaanslag zelf. Het bezwaarschrift van 16 februari 2015 is te laat, aldus verweerder.

Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In geval van verzending per post is ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Bekendmaking van een naheffingsaanslag zal doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan er in de regel van worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Die regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingplichtige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst te wijten is. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat de bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930).

Eiser ontkent dat de naheffingsaanslag aan hem is verzonden. De rechtbank is van oordeel dat, wat hier ook van zij, eiser ten laatste op de hoogte is gekomen van het bestaan van de naheffingsaanslag door de verzending van de aanmaning van 5 juni 2014.

Eiser meent voorts dat hij bij brief van 2 juli 2014 bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Gelet op de inhoud van die brief, in samenhang bezien met het feit dat die brief is gericht aan de ontvanger, is de rechtbank van oordeel dat eiser met deze brief opkomt tegen het feit dat hij wordt aangemaand te betalen. In deze brief wordt niet wordt geen bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag als zodanig. De ontvanger van de Belastingdienst heeft de brief van 2 juli 2014 dan ook terecht niet doorgezonden aan verweerder.

Gelet hierop is de brief van eiser van 16 februari 2015, hoewel ook gericht aan de ontvanger, de eerste brief waarin eiser – onder andere – opkomt tegen de naheffingsaanslag. Deze brief moet dan ook worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag. De ontvanger heeft deze brief dan ook terecht doorgestuurd aan verweerder ter behandeling van het bezwaar.

Al het voorgaande overziend houdt de rechtbank het ervoor dat eerst bij brief van 16 februari 2015 bezwaar is gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift is door verweerder, na doorzending, ontvangen op 23 februari 2015. Zelfs uitgaande van de datum waarop de aanmaning is verstuurd of het dwangbevel is betekend, is het bezwaarschift derhalve niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken ter post bezorgd en ingediend.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers bezwaar tegen de naheffingsaanslag terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Ten aanzien van de dwangsom

Eiser meent dat een dwangsom is verbeurd. De uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag heeft te lang op zich laten wachten, aldus eiser.

Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep tegen de naheffingsaanslag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. De rechtbank zal dan ook eisers beroep gericht tegen het afwijzen van een dwangsom behandelen.

Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

Gelet op het feit dat verweerder eisers bezwaar gericht tegen de naheffingsaanslag terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat geen dwangsom is verschuldigd. Verweerder heeft dan ook terecht aan eiser medegedeeld dat geen dwangsom is verschuldigd. Ook in zoverre is het beroep ongegrond.”

5 Toepasselijke regelgeving

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (tekst 2014) (hierna: de Wet MRB)

Artikel 1

1. Onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ wordt een belasting geheven ter zake van

het houden van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een vrachtauto of een autobus.

(…)

Artikel 6

De belasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.

Artikel 7

1. Een motorrijtuig wordt gehouden door degene:

a. op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994;

(…)

Artikel 10

Het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald is drie maanden.

(…)

Artikel 18

1. Teruggaaf van belasting wordt verleend over het nog niet verstreken deel van het lopende tijdvak alsmede over de nog niet aangevangen tijdvakken op het tijdstip waarop het motorrijtuig van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd.

(…)

4. De inspecteur stelt de teruggaaf vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

(…)

6. Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt een maand gesteld op dertig dagen.

6 Beoordeling van het geschil

Standpunten in hoger beroep

6.1.

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat hij de onderhavige naheffingsaanslag met dagtekening 9 april 2014 niet heeft ontvangen. Belanghebbende wijdt dit onder meer aan het feit dat de inspecteur de naheffingsaanslag heeft verzonden naar een onjuist adres; een adres waar hij toentertijd niet woonde. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

De bezwaartermijn is, naar belanghebbende stelt, pas gaan lopen toen hij voor het eerst kennis nam van de naheffingsaanslag. Dat was op het moment dat hij met dagtekening 5 juni 2014 een kopie van de uitspraak ontving. Middels zijn brief aan de ontvanger van 2 juli 2014 (zie de door de rechtbank vastgestelde feiten, punt 6) heeft belanghebbende daartegen tijdig bezwaar gemaakt. De brief van 2 juli 2014 behelst naar hij stelt ook een bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Dit stuk had op de voet van artikel 6:15 Awb door de ontvanger als bezwaarschrift moeten worden doorgezonden naar de inspecteur. Als de ontvanger overeenkomstig zijn wettelijke doorzendplicht had gehandeld, dan zou geen belastend loonbeslag zijn gelegd. De gevolgen van deze omissie - belanghebbende is wegens het loonbeslag ontslagen - komen voor rekening van de inspecteur. In verband met het ten onrechte gelegde loonbeslag bij de ex-werkgever vordert belanghebbende: i) dat de inspecteur excuses maakt bij zijn ex-werkgever en ii) voor geleden ongemak en reputatieschade een immateriële schadevergoeding van € 65.000. Indien het Hof met de rechtbank van oordeel is dat belanghebbende pas bij brief van 16 februari 2015 bezwaar heeft gemaakt, doet belanghebbende een beroep op artikel 6:11 Awb (verschoonbare termijnoverschrijding). Het door belanghebbende ingediende bezwaar had moeten worden toegewezen omdat i) ten tijde van de oplegging van de naheffingsaanslag de motorrijtuigenbelasting over het onderhavige tijdvak door [tante] (een tante van belanghebbende) was betaald, zodat er geen rechtsgrond bestond voor het opleggen van een naheffingsaanslag en ii) de inspecteur bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat - nu de MRB niet aan [tante] werd terugbetaald - hij van zijn belastingschuld was gekweten.

Ten aanzien van de gevorderde dwangsom voert belanghebbende aan dat hij bij brief van 7 april 2015 de ontvanger heeft meegedeeld dat er nog geen uitspraak op zijn bezwaarschrift was gedaan. In diezelfde brief stelt hij de ontvanger c.q. de inspecteur in gebreke als bedoeld in artikel 4:17 Awb. De uitspraak op bezwaar is eerst gedaan op 23 juni 2015, ruim na de uiterste termijn zoals genoemd in art. 4:17, derde lid, Awb, zodat belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Belanghebbende is ten onrechte ‘kennelijk niet ontvankelijk’ verklaard in zijn bezwaar en kan op die voet (zie artikel 4:17, zesde lid aanhef en onder c van de Awb) geen dwangsom worden onthouden. Belanghebbende verzoekt tot slot om toekenning van een proceskostenvergoeding van € 19.500 (over te maken op rekening van de gemachtigde).

6.2.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de bekendmaking van de naheffingsaanslag

6.3.

Ten aanzien van de vraag of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende bekend is gemaakt overweegt het Hof als volgt.

6.4.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur waarbij de datum van dagtekening van het aanslagbiljet geldt als datum van de vaststelling van het aanslagbiljet.

6.5.

Als de aanslag pas na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, dan komt voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de AWR de datum van bekendmaking van de belastingaanslag in de plaats van de dagtekening van het aanslagbiljet.

6.6.

De bewijslast met betrekking tot de bekendmaking van de naheffingsaanslag rust op de inspecteur. Bekendmaking van een aanslag zal doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, eerste lid, Awb plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan er in de regel vanuit worden gegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Die regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingplichtige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst te wijten is. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat de bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930) en kan belanghebbende niet het verwijt worden gemaakt dat hij zijn bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend.

6.7.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur met het onder 2.3 aangehaalde rapport van 6 maart 2017 aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag ter post is bezorgd. Uit dit rapport volgt dat de onderhavige naheffingsaanslag deel uitmaakte van een partij documenten met kenmerk: RUNID s:019881 en s:019882 waaraan het generatienummer g:4752/3/4 is toegekend. Deze partij is, zo volgt uit het rapport, in zijn geheel en zonder problemen op 1 april 2014 aan SANDD en PostNL aangeboden ter bezorging. Het Hof ziet geen aanleiding om de feiten zoals vermeld in dit rapport, in twijfel te trekken.

6.8.

Aangaande de vraag of de inspecteur de naheffingsaanslag heeft toegezonden aan het juiste adres, oordeelt het Hof als volgt. De inspecteur dient voor de bekendmaking van de naheffingsaanslag gebruik te maken van het bij hem bekende adres van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het aanmaken van de naheffingsaanslag het bij de inspecteur bekende adres van belanghebbende [A-straat 1] te [Z] was, tevens het adres waarop belanghebbende stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Indien belanghebbende stelt dat hij daar toentertijd niet (meer) woonde, is het Hof van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de inspecteur heeft geïnformeerd over zijn adreswijziging zodat ook in dat geval de inspecteur geen verwijt treft. Het Hof is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag juist is geadresseerd.

6.9.

Onder die omstandigheden dient er in de regel vanuit te worden gegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die nopen tot afwijking van deze regel.

Ten aanzien van de tijdigheid van het bezwaarschrift

6.10.

Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

6.11.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan (artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de AWR).

6.12.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet langer dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Een na afloop van de termijn ingediend bezwaar is niet-ontvankelijk.

6.13.

Gelet op de dagtekening van de naheffingsaanslag, 9 april 2014, verliep de termijn waarbinnen tegen die aanslag bezwaar kon worden gemaakt op 21 mei 2014.

6.14.

Belanghebbende heeft, door de inspecteur weersproken, gesteld dat hij bij brief met dagtekening 2 juli 2014 gericht aan de ontvanger, tevens bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

6.15.

Ook als het Hof veronderstellenderwijs er vanuit gaat dat de brief van 2 juli 2014 als een bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag kan worden aangemerkt, wat het Hof in het midden zal laten, is die brief (zes weken) buiten de bezwaartermijn ingediend zodat ook in dat geval het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

6.16.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6.17.

Het Hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om de feiten en omstandigheden te stellen en deze bij betwisting te bewijzen, op grond waarvan een verschoonbare termijnoverschrijding kan worden aangenomen. Als reden voor de termijnoverschrijding heeft belanghebbende gesteld dat hij de naheffingsaanslag nooit heeft ontvangen; dat hij eerst op 5 juni 2014 een kopie van de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen. Deze omstandigheden kunnen, gelet op hetgeen is overwogen onder 6.7 en 6.8, de termijnoverschrijding niet verschonen.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag

6.18.

Artikel 6 van de Wet MRB bepaalt dat de belasting voor een personenauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Op grond van artikel 7 Wet MRB, wordt als houder aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. De naheffingsaanslag is dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd, nu hij immers houder van de personenauto was met ingang van 9 januari 2014. Dat over het naheffingstijdvak voor dezelfde auto reeds belasting was betaald door de vorige kentekenhouder doet niet af aan de belastingplicht van belanghebbende, nu die belastingplicht voortvloeit uit het houderschap.

Ten aanzien van het gestelde gewekte vertrouwen

6.19.

Ingevolge artikel 18 Wet MRB, wordt aan de vorige houder teruggaaf van belasting verleend over het nog niet verstreken deel van het lopende tijdvak. De inspecteur heeft conform deze bepaling aan de vorige eigenaar van het motorrijtuig, [neef] , op 12 januari 2014 een creditnota ad € 310 doen toekomen. Deze nota is pas op 3 november 2014 aan hem uitbetaald. Ter zitting heeft de inspecteur uitvoerig toegelicht hoe het komt dat deze uitbetaling langer op zich heeft laten wachten dan te doen gebruikelijk.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de inspecteur, door het bedrag op de creditnota niet (eerder) terug te betalen aan de vorige eigenaar (zijn neef), bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat hij de naheffingsaanslag niet hoefde te betalen. Dit betoog faalt reeds omdat de belastingplicht, zoals hiervoor onder 6.18 is overwogen, enkel afhankelijk is gesteld van het houden van het motorvoertuig. De belastingplicht is niet mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of het op grond van artikel 18 Wet MRB aan de vorige houder terug te betalen bedrag ook daadwerkelijk wordt terugbetaald. De inspecteur heeft geen daarmee strijdige uitlatingen jegens belanghebbende gedaan. Onder die omstandigheden kan belanghebbende zich niet met succes op het vertrouwensbeginsel beroepen.

Ten aanzien van de dwangsom

6.20.

Belanghebbende is gelet op het voren overwogene terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Alsdan heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:19 in verbinding met 4:17, zesde lid aanhef en onder c van de Awb, geen recht op een dwangsom. Het Hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank en de gronden waarop deze berust.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding

6.21.

Belanghebbende heeft in hoger beroep in verband met het gelegde loonbeslag excuses en een immateriële schadevergoeding gevorderd wegens geleden ongemak en reputatieschade. Op grond van de overgangsbepalingen opgenomen in de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50), in werking getreden op 1 juli 2013, is artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013) van toepassing op belanghebbendes verzoek om schadevergoeding. De tekst van dat artikel luidde, voor zover relevant:

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Nu het Hof de uitspraak van de rechtbank - die het beroep ongegrond heeft verklaard - bevestigt, is er geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het Hof wijst de vordering dan ook af.

6.22.

Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding in de proceskosten.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en

W.M.C. Schipper, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 4 april 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.