ECLI:NL:GHAMS:2017:1509 Gerechtshof Amsterdam , 25-04-2017 / 23-001063-16

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001063-16

datum uitspraak: 25 april 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-004810-16 tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 december 2015 te Hoofddorp, [gemeente], althans in Nederland, een hoeveelheid gereedschap (waaronder een decoupeerzaag en een afkortzaag) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die hoeveelheid gereedschap wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte op weg was naar Amsterdam om daar de certificaten van het gereedschap in ontvangst te nemen. Hij wist niet en hoefde niet te vermoeden dat het gereedschap van misdrijf afkomstig was, zodat hij moet worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Vast is komen te staan dat de verdachte op 14 december 2015 te Hoofddorp een aanzienlijke hoeveelheid gestolen gereedschap voorhanden heeft gehad, waarvan de waarde is geschat op ongeveer € 8.000,-. De verdachte heeft verklaard dat hij is ingegaan op het hem door iemand telefonisch gedane aanbod om voor € 2.500,- nieuw gereedschap te kopen, afkomstig uit een faillissementsboedel en voorzien van ‘certificaten’, waaronder de verdachte heeft gezegd te verstaan ‘inkoopfacturen en dergelijke, zodat je weet dat het niet gestolen is’. ’s Avonds in het donker aangekomen op de plaats waar de overdracht van het gereedschap zou plaatsvinden, te weten een schuur in een woonwijk in Hoofddorp, bleek het de verdachte dat het niet om nieuw maar om gebruikt gereedschap ging en dat de ‘certificaten’ ontbraken.

Hierop heeft de verdachte naar zijn zeggen een koopprijs bedongen van € 1.500,- en is het gereedschap in zijn bestelbus geladen. Niet lang daarna is de verdachte aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij op dat moment van Hoofddorp op weg was naar Amsterdam om daar de ‘certificaten’ op te halen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer verklaard dat hij ‘al zenuwachtig was, omdat het gereedschap in een donkere schuur lag’, dat hij ‘de waarde niet precies kent, maar alleen denkt aan hoe hij winst kan maken’ en dat op de plaats waar het gereedschap werd ingeladen iemand uit de buurt die steeds heen en weer liep op de vraag van de verdachte wat er aan de hand was, zei ‘dat er een week eerder een bus met gestolen goederen had gestaan’.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, die vaker in gereedschap handelt en zich bewust was van de mogelijkheid dat aanbieders daarvan dit door misdrijf kunnen hebben verkregen, in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken kunnen vermoeden dat de gereedschappen van misdrijf afkomstig waren. Hij had daarom niet zonder nader onderzoek de koop van de gereedschappen mogen beklinken en deze in zijn bestelbus (doen) laden. Aan de stelling van de verdachte, dat hij op weg was naar Amsterdam om daar de ‘certificaten’ in ontvangst te nemen, hecht het hof geen geloof, nu de verdachte voor die stelling geen enkel solide aanknopingspunt heeft aangereikt. De verdachte heeft geen naam van de verkoper en weet niet wie de mannen zijn die hij in Hoofddorp heeft ontmoet. Het hof zal mitsdien de impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldheling bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 december 2015 te Hoofddorp, [gemeente], een hoeveelheid gereedschap voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die hoeveelheid gereedschap redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 200 uren taakstraf, waarvan 150 uren voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een grote hoeveelheid gereedschap. Heling bevordert het plegen van vermogensdelicten, zoals diefstallen, nu heling bijdraagt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof acht, alles afwegende, waaronder de omstandigheid dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. R. Kuiper en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 april 2017.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.