ECLI:NL:GHAMS:2017:1836 Gerechtshof Amsterdam , 09-05-2017 / 23-001760-16

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001760-16

datum uitspraak: 9 mei 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-701051-16 tegen:


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 april 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

-

het vonnis met de navolgende bewijsoverweging aanvult;

-

de navolgende bewijsmiddelen toevoegt;

-

de strafmotivering vervangt door de navolgende.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de valse credit card die de verdachte voorhanden had niet was bedoeld voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, maar slechts om indruk te maken.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In de portemonnee van de verdachte is een creditcard aangetroffen die vals bleek te zijn (bewijsmiddel 4). De verdachte heeft erkend dat hij wist dat die betaalpas vals was (bewijsmiddel 1).

Voorts heeft hij verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest deze te gebruiken als ware hij echt en onvervalst, en dat hij enkel in het bezit van de valse betaalpas was om indruk te maken op zijn vriendin (proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van 15 januari 2016).

Het hof acht de verklaring van de verdachte over de bedoeling van het bezit van de betaalpas ongeloofwaardig. Mede gelet op de omstandigheden waaronder deze is aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat deze betaalpas bestemd was voor gebruik als ware hij echt en onvervalst. De verdachte is immers samen met een medeverdachte in het [naam hotel] aanwezig geweest, waarbij de medeverdachte een kamer heeft betaald met een valse creditcard, die soortgelijke valsheidskenmerken vertoonde als de valse credit card van de verdachte. In de portemonnee van de verdachte, die zich in zijn bagage in de door de medeverdachte betaalde hotelkamer bevond, is vervolgens de valse credit card ten name van verdachte aangetroffen. Dit geldt eens te meer nu de verdachte aanvankelijk ( in strijd met de waarheid) tegenover de politie heeft verklaard dat zijn bagage in een ander hotel lag (proces-verbaalnummer PL1300-2016006802-31, doorgenummerde pagina 21), hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Dat de creditcard van de verdachte – anders dan bij de medeverdachte – niet op een valse naam was gesteld, zoals de raadsman heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof vult de redengevende inhoud van bewijsmiddel 4 aan met de navolgende inhoud:

Uit verklaringen blijkt dat door de verdachte Charles Odame-Boateng gebruik is gemaakt van een rijbewijs en creditcard op naam van [naam 2].

Onderzocht betaalmiddel:

creditcard, American Express, kaartnummer [nummer] ten name van Nana [naam 2].

Kenmerken:

-De onderzochte creditcard is een nabootsing van een echte creditcard van American Express, inclusief de toegepaste productietechnieken en ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken;

-In tegenstelling tot een originele creditcard is de bedrukking van deze creditcard aangebracht middels een printer;

-De normaliter op een origineel exemplaar aanwezige bedrukking, die zichtbaar wordt bij ultraviolet licht, is bij deze creditcard handmatig nagebootst met een UV-stift.

Het hof vult de bewijsmiddelen aan met het navolgende bewijsmiddel :

5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016006802-1 van 9 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar


[opsporingsambtenaar 1].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam 1], zakelijk weergegeven:

Op 9 januari 2016 was ik werkzaam aan de servicebalie van [naam hotel], gevestigd aan [adres 2]. Ik zag dat vier mannen het hotel binnen liepen. Ik zag dat twee mannen naar de balie liepen. Ik zag dat de door hun gedane reservering werd betaald door de iele man. Ik zag dat deze man zich legitimeerde als [naam 2] met een rijbewijs en bijbehorende creditcard en dat hij de boeking betaalde met de creditcard die hij mij daarvoor toonde met “[naam 2]” als houder erop. Alle vier de mannen gingen naar kamer 268. Ik ging de betaling controleren bij American Express, zij vertelden mij dat het creditcard nummer niet hoorde bij de naam [naam 2] en dat deze creditcard als gestolen op was gegeven.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016006802-10 van 9 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pagina 13 e.v.) .

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen, zakelijk weergegeven:

Op 9 januari 2016 kregen wij het verzoek te gaan naar [naam hotel] te Amsterdam alwaar de beveiliging vier personen binnen had welke hadden betaald met een gestolen credit card. Direct begaven wij ons naar de opgegeven locatie. Wij vervoegden ons bij de beveiliger genaamd [naam 3] welke ons het volgende verklaarde: “Ik werd aangesproken door de service manager [naam 1]. Zij vertelde mij dat er vier jonge mannen vanochtend hadden ingecheckt met een credit card. Omdat wij het niet vertrouwden is er door [naam 1] telefonisch contact opgenomen met de creditcardmaatschappij American Express. Deze bevestigden per e-mail dat het door de jonge mannen gebruikte creditcardnummer bij hen geregistreerd stond als gestolen.” Wij zijn naar de kamer gelopen alwaar de verdachten zich zouden bevinden, nummer 268. In de hotelkamer troffen wij vier mannen aan. Deze mannen blijken te zijn genaamd:

[naam 4]

[naam 5]

[naam 6]

[naam 7].

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een valse creditcard. Het vertrouwen dat in het betalingsverkeer in een creditcard moet kunnen worden gesteld, is van groot economisch en maatschappelijk belang. Door het voorhanden hebben van een valse creditcard kan de verdachte dat vertrouwen ernstig beschamen. Het enkele feit dat niet is gebleken dat verdachte deze creditcard ook daadwerkelijk heeft gebruikt, maakt dit niet anders, nu de creditcard daarvoor wel bestemd was.

Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is verzocht.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.J.A. Duker en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van

S.E.F. Rahimbaks, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 mei 2017.

Mr. M.B. de Wit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.