ECLI:NL:GHAMS:2017:1897 Gerechtshof Amsterdam , 16-02-2017 / 23-002202-15

Uitspraak

parketnummer: 23-002202-15

datum uitspraak: 16 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 mei 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-049047-15 tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[geboortedatum] (Roemenië),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 12 maart 2015 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer vest(en( en/of jas(sen), geheel of ten dele toebehorende aan Zara, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, een of meer vest(en) en/of jas(sen) heeft gepakt en/of (daarna) in een (geprepareerde) tas heeft gestopt en/of

(vervolgens) heeft zij, verdachte, -toen zij op heterdaad werd betrapt- die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) met een klerenhanger op/tegen het hoofd geslagen en/of heeft zij, verdachte, die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) op/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt en/of heeft zij, verdachte, die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) met een bezem op/tegen het been geslagen en/of heeft zij, verdachte, die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) op/tegen het lichaam gespuwd

en/of heeft zij, verdachte, die [slachtoffer 2] een of meerma(a)l(en) op/tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of heeft zij, verdachte, die [slachtoffer 2] een of meerma(a)l(en) in de armen/of (elders) in het lichaam gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een poging tot diefstal ten laste is gelegd, terwijl uit de bewijsmiddelen van een voltooid delict blijkt, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat voor een bewezenverklaring van poging blijkens de tekst van het huidige artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht niet is vereist dat vaststaat dat het delict niet is voltooid.

Het causaal verband tussen het door de verdachte gebruikte geweld en haar oogmerk om aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken is vervat in de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 12 maart 2015 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen vesten en een jas, toebehorende aan Zara, en daarbij die voorgenomen te doen volgen van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken,

vesten en een jas heeft gepakt en in een tas heeft gestopt en

vervolgens – toen zij op heterdaad werd betrapt – die [slachtoffer 1] met een klerenhanger tegen het hoofd heeft geslagen en die [slachtoffer 1] tegen het gezicht heeft geslagen en die [slachtoffer 1] met een bezem op het been geslagen en

die [slachtoffer 2] heeft geslagen en geschopt en die Ouaziki in de arm heeft gebeten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden de voor het bewijs te bezigen verklaringen van de winkelmedewerksters niet betrouwbaar te achten. Hierbij betrekt het hof dat deze verklaringen consistent en gedetailleerd zijn en bovendien verankering vinden in de overige bewijsmiddelen. Dat de waarnemingen van deze medewerksters elkaar niet geheel overlappen doet daaraan niet af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft geprobeerd kleding in een kledingzaak te stelen. Door zo te handelen heeft zij er blijk van gegeven het eigendomsrecht van deze zaak niet te respecteren.

De verdachte heeft bovendien geweld gebruikt tegen winkelpersoneel toen zij werd betrapt. Zij is op buitensporige wijze tekeer gegaan tegen de medewerkers en heeft een voor hen intimiderende en angstige situatie geschapen waarbij zij er niet voor terugdeinsde hun lichamelijke integriteit te schenden.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof, met name gelet op de ernst van het feit niet kan volstaan met, als bepleit door de raadsman, een lagere straf dan de hieronder bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. W.M.C. Tilleman en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2017.