ECLI:NL:GHAMS:2017:1975 Gerechtshof Amsterdam , 14-03-2017 / 200.208.605/01

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.208.605/01

insolventienummer rechtbank : C/15/13/16 R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 maart 2017

in de zaak van


[appelant] ,

wonende te [adres] ,

appellant,

advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appelant] genoemd.

[appelant] is bij op 3 februari 2017 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2017, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appelant] heeft beëindigd zonder hem de zogenoemde schone lei te verlenen.

[appelant] heeft op 28 februari 2017 een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 7 maart 2017. Bij die behandeling is [appelant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Espen voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. Voorts is de bewindvoerder, E. Posthumus, verschenen en de beoogd beschermingsbewindvoerder, [B] .

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift en het aanvullende beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van de bewindvoerder van 28 februari 2017, met bijlagen, en de namens [appelant] op 3 maart 2017 nader overgelegde stukken. [appelant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appelant] heeft in het beroepschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hem alsnog een schone lei te verlenen. [appelant] heeft gesteld dat hij niet tekortgeschoten is in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en, als aangenomen wordt dat hij wel tekortgeschoten zou zijn, dit niet aan hem te verwijten valt. Daartoe heeft [appelant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [appelant] , die in 2014 twee beroertes heeft gehad en daardoor (onder meer) dingen gauw vergeet, heeft zijn best gedaan zo goed mogelijk aan de verplichtingen uit de

schuldsanering te voldoen. De ING-rekening, ten aanzien waarvan de rechtbank in het bestreden vonnis heeft geoordeeld dat [appelant] de bewindvoerder over het actief zijn van deze rekening had moeten informeren, wordt reeds tientallen jaren door hem gebruikt en was bij aanvang van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder bekend. Dat zijn toenmalige beschermingsbewindvoerder ( [A] van Lotus bewindvoering) deze rekening niet op non-actief heeft gesteld, en na de scheiding van mevrouw [ex-vrouw] , actief is gaan gebruiken en de bewindvoerder daarover niet heeft geïnformeerd, valt hem niet te verwijten, aldus [appelant] . Als de bewindvoerder eerder naar deze rekening had gevraagd, had [appelant] haar eerder over de rekening geïnformeerd, net zoals hij in een later stadium alsnog heeft gedaan. [appelant] heeft voorts aangevoerd dat hij op de rekening in kwestie alleen geld heeft gekregen voor onkosten. Doordat [ex-vrouw] hem op straat had gezet en hij na enige omzwervingen bij zijn moeder in Pijnacker is komen te wonen, heeft hij veel reiskosten moeten maken. Hij moest onder andere naar het ziekenhuis en PsyQ. Omdat hij een tijdlang met een anonieme OV-kaart heeft gereisd, kan hij de reiskosten niet aantonen. Van de reiskosten die [appelant] heeft gemaakt sinds hij een persoonlijke OV-kaart heeft, heeft hij uitdraaien overgelegd. Daarnaast heeft hij onkosten vergoed gekregen in verband met “DJ-werkzaamheden”. [appelant] voert daaromtrent aan dat hij niet wist dat hij de bewindvoerder op de hoogte moest houden van deze hobby. [appelant] maakt muziek sinds zijn dertiende. Hij heeft dit ook wel professioneel gedaan, maar sinds zijn beroertes kan hij dat niet meer. Wel houdt hij nog steeds erg van muziek, deelt hij flyers op zijn facebook-pagina en draait hij af en toe een uurtje muziek als hobby voor familie en vrienden. [appelant] was zich niet ervan bewust dat hij dit aan de bewindvoerder moest melden. Indien hem dat moet worden toegerekend, is [appelant] van mening dat de beëindiging zonder schone lei niet opweegt tegen deze tekortkoming en verzoekt hij daarom om een verlenging van de looptijd om de “achterstand” in te lopen. [appelant] krijgt sinds kort hulp van [B] als beoogd beschermingsbewindvoerder, en gaat ervan uit dat hij met diens hulp en afdracht van zijn vakantiegeld de achterstand kan inlopen.

2.2

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Het klopt dat zij bij aanvang van de schuldsaneringsregeling van [appelant] op de hoogte was van het bestaan van de ING-rekening. Het is echter gebruikelijk bij een beschermingsbewind dat alleen gebruik wordt gemaakt van een beheer- en een leefgeldrekening. De bewindvoerder ging daarom er vanuit dat de ING-rekening buiten gebruik was gesteld. Zij is noch door de beschermingsbewindvoerder noch door [appelant] zelf op de hoogte gebracht van het in gebruik zijn van die rekening. Wel was zij ervan op de hoogte dat er na de scheiding van [ex-vrouw] inkomsten op deze rekening werden gestort, omdat [ex-vrouw] gebruik is blijven maken van de leefgeldrekening. Deze inkomsten waren aan de bewindvoerder bekend. In verband met een anonieme tip over de DJ-activiteiten van [appelant] besloot de bewindvoerder de uitdraaien van de ING-rekening vanaf 1 september 2015 op te vragen. Daaruit bleek dat de ING-rekening veelvuldig was gebruikt. Enerzijds heeft de bewindvoerder er begrip voor dat er stortingen zijn gedaan op die rekening, omdat [appelant] na de scheiding geen gebruik kon maken van de leefgeldrekening. Anderzijds zijn er vanaf september 2015 substantiële stortingen gedaan op die rekening waaromtrent [appelant] haar niet heeft geïnformeerd en die - bij gebreke van bewijs dat het onkostenvergoedingen heeft betroffen - als inkomsten moeten worden aangemerkt. Als [appelant] een plan van aanpak had gehad om die inkomsten te compenseren, zou de bewindvoerder welwillend tegenover een verlenging van de looptijd staan.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie

zijn komen te verkeren de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieplicht niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.4

Het hof is van oordeel dat [appelant] is tekortgeschoten in meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Ten eerste had het op zijn weg gelegen de bewindvoerder te informeren over het gebruik van de ING-rekening. Weliswaar wist de bewindvoerder van het bestaan van deze rekening, maar om de controlerende taak van een bewindvoerder uit te kunnen oefenen, had de bewindvoerder ook inzicht in het gebruik van deze rekening nodig. De uitdraaien van de beheer- en leefgeldrekening werden haar kennelijk door de toenmalige beschermingsbewindvoerder verstrekt en [appelant] stelt dat hij ervan uit mocht gaan dat deze ook de uitdraaien van de ING-rekening aan de bewindvoerder verstrekte. Het hof volgt [appelant] niet in deze stelling. Ook als een saniet (iemand die gebruik maakt van de schuldsaneringsregeling) hulp krijgt van een beschermingsbewindvoerder is de saniet in beginsel zelf verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de informatie die aan de bewindvoerder moet worden verstrekt. Er zijn geen aanwijzingen dat [appelant] daartoe niet in staat was. Het had dan ook op zijn weg gelegen om de bewindvoerder over de stortingen op die rekening te informeren. Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet genoegzaam is gebleken dat de stortingen op de ING-rekening onkostenvergoedingen hebben betroffen, zodat die stortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt en daarom afgedragen hadden moeten worden aan de boedel. Weliswaar heeft [appelant] een uitdraai van zijn OV-kaart vanaf september 2016 overgelegd en een verklaring van [C] betreffende een onkostenvergoeding van tweemaal € 50,-, maar het bedrag aan stortingen waar het hier om gaat, is vele malen groter, namelijk - zo is niet in geschil - € 3.326,45 om precies te zijn. Nu de stortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt, hadden zij aan de boedel moeten worden afgedragen, zodat - nu dat niet is gebeurd - [appelant] in zoverre zijn schuldeisers heeft benadeeld.

Nu [appelant] in hoger beroep geen concreet plan van aanpak heeft aangedragen waaruit volgt dat het inlopen van de daardoor ontstane boedelachterstand gedurende de voorgestelde verlenging van een jaar mogelijk is, ziet het hof geen aanleiding de looptijd te verlengen.

2.5

Van bovenomschreven tekortkomingen valt [appelant] een verwijt te maken, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. Zij vormen voldoende aanwijzing dat het bij [appelant] aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [appelant] - zoals door de bewindvoerder is bevestigd - in eerste instantie van de rechtbank te horen heeft gekregen dat hem de zogenoemde schone lei zou worden toegekend, alhoewel het hof niet onvermeld wil laten dat dit een kwalijke zaak is. De tekortkomingen, die niet als geringe tekortkoming buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig en verwijtbaar, dat slechts de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei gerechtvaardigd is. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, M.L.D. Akkaya en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.