ECLI:NL:GHAMS:2017:2119 Gerechtshof Amsterdam , 06-06-2017 / 200.183.383/01

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.183.383/01

zaaknummer rechtbank : C/14/154439/HA ZA 14-173

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 juni 2017

inzake


[appellante]
,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. E.F. Klungers te Alkmaar,

tegen

GEMEENTE ZAANSTAD,

zetelend te Zaandam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en de gemeente genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 21 december 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 oktober 2015, dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen [appellante] als eiseres en de gemeente als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 september 2016 doen bepleiten, [appellante] door mr. Klungers voornoemd en de gemeente door mr. Schoonen voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

De zaak is daarna aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Op 1 november 2016 hebben partijen het hof meegedeeld dat zij geen minnelijke regeling hebben bereikt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [appellante] zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1.(i) tot en met (iv) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Op 13 maart 2012 is [appellante] om ongeveer 23:00 uur op het voetpad langs de Linnaeusstraat in Zaandam ten val gekomen toen zij, na een avond oppassen op haar kleinkinderen in de woning van haar zoon, naar haar echtgenoot liep die haar verderop in de straat in hun auto opwachtte.

2.2.

Als gevolg van de val heeft [appellante] haar linkerpols gebroken. Op 20 maart 2012 is zij aan die pols geopereerd. Daarna is er bij [appellante] posttraumatische dystrofie/CRPS vastgesteld. [appellante] heeft vanwege het opgelopen letsel ergo- en fysiotherapeutische behandelingen ondergaan.

2.3.

De gemeente is beheerder van de Linnaeusstraat.

2.4.

[appellante] is ten val gekomen bij de kruising van het voetpad dat naar de woning van haar zoon liep met het voetpad langs de Linnaeusstraat. Ter hoogte van de plaats waar [appellante] ten val is gekomen bevond zich ten tijde van het ongeval wegens werkzaamheden een stapel van vier stoeptegels op het voetpad. De stapel stoeptegels stond op het kruisvlak van de beide voetpaden. Naast het voetpad langs de Linneusstraat was een gat gegraven. Blijkens de overgelegde foto’s waren in de directie nabijheid van dat gat enkele tegels uit het voetpad verwijderd. Naast het gat – en de plaats waar de tegels waren verwijderd – was op het voetpad en op een afstand van ongeveer twee stoeptegels vanaf de hiervoor genoemde stapel een rechtop staand rood/wit bord (een baakschild) geplaatst.

Op een daags na het ongeval gemaakte foto is de volgende situatie te zien:

2.5.

[appellante] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van de val. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de gemeente aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade, dat de gemeente zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.434,10 aan kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, dat de gemeente zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.068,21 bij wijze van voorschot op de immateriële schade en dat de gemeente zal worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover van belang, geoordeeld dat hoewel het voetpad gebrekkig was en de aansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 BW en 6:162 BW in beginsel gegeven is, met het plaatsen van het baakschild in de directe nabijheid van de stapel stoeptegels voldoende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om een ongeval zoals hier aan de orde is, te voorkomen en derhalve is voldaan aan de zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van de gebruikers van het voetpad. [appellante] is veroordeeld in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.3.

Met de grieven 1 tot en met 4 bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat de gemeente voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen om de val van [appellante] te voorkomen door ter plaatse een baakschild te plaatsen. Volgens [appellante] was het baakschild geen afdoende veiligheidsmaatregel tegen het gevaar dat de stapel stoeptegels opleverde omdat het baakschild niet naast of voor de stapel stoeptegels was geplaatst, maar daar achter (naast het gat) en het niet in de richting stond waar [appellante] vandaan kwam. Daar komt bij dat het baakschild zo vies was, dat het geen licht reflecteerde of kon reflecteren. [appellante] stelt voorts dat zij het baakschild, het gat en de stapel stoeptegels zowel op de heenweg naar de woning van haar zoon omstreeks 19:30 uur als op de terugweg omstreeks 23:00 uur niet heeft gezien en dat zij het baakschild ook niet had kunnen zien omdat de straatverlichting niet werkte. Ter onderbouwing verwijst [appellante] naar een brief van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente van 15 juni 2012 (productie 4 bij dagvaarding eerste aanleg) waarin staat vermeld dat ter plaatse door een aannemer werkzaamheden werden uitgevoerd in verband met het aanleggen van een riool en dat het daarvoor noodzakelijk was dat de verlichting werd verwijderd. Verder verwijst zij naar een schriftelijke verklaring van haar echtgenoot [echtgenoot] (productie 5 bij memorie van grieven) en een gezamenlijke schriftelijke verklaring van twee buurtbewoners, [A] en [B] (productie 6 memorie van grieven), die de val van [appellante] zouden hebben gezien. Deze verklaringen houden, voor zover van belang, in dat de straatverlichting in de Linnaeusstraat niet werkte en dat het ter plaatse en ten tijde van de val erg donker was.

3.4.

De gemeente stelt hier tegenover dat de kans op een ongeval op de plek waar [appellante] ten val is gekomen, zeer klein was omdat de Linnaeusstraat zich in een rustige woonwijk bevindt, weinig mensen van het voetpad gebruik maken en de bewuste plek was gemarkeerd; het gat naast het voetpad werd ‘afgeschermd’ door twee zandbulten en het gat zelf en de stapel stoeptegels werden vanaf de trottoirzijde ‘afgeschermd’ door een baakschild. Volgens de gemeente waren deze maatregelen in de gegeven omstandigheden voldoende en had redelijkerwijs ook niet meer van haar kunnen worden verwacht. De omstandigheid dat er achteraf gezien nog meer maatregelen hadden kunnen worden getroffen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een extra baakschild of het verplaatsen van de stapel stoeptegels naar een andere plek, maakt nog niet dat de genomen maatregelen onvoldoende waren. De gemeente betwist dat de straatverlichting niet in werking was. De gemeente baseert dit op de omstandigheid dat zij geen meldingen van storingen met betrekking tot de straatverlichting in de Linnaeusstraat heeft ontvangen op, althans in de periode van, 13 maart 2012. Ten aanzien van de inhoud van de brief van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente van 15 juni 2012 stelt de gemeente dat deze op een vergissing berust. In de wijk waar het ongeval plaatsvond werden namelijk destijds in opdracht van de gemeente uitgebreide werkzaamheden aan de riolering uitgevoerd en bij dergelijke werkzaamheden kan de straatverlichting buiten werking worden gesteld of geheel worden verwijderd. Aanvankelijk verkeerden zowel de gemeente als haar aansprakelijkheidsverzekeraar in de veronderstelling dat de val van [appellante] verband hield met deze werkzaamheden, maar dat bleek later niet het geval te zijn, aldus steeds de gemeente.

3.5.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het voetpad vanwege de daaruit verwijderde tegels, het gat en de vier opgestapelde stoeptegels op het kruisvlak van de voetpaden, niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Deze gebrekkige toestand van het voetpad leverde een gevaar voor personen op omdat minder oplettende gebruikers van het voetpad, met name in de avond over de op het kruisvlak opgestapelde stenen zouden kunnen struikelen, welk gevaar zich met de val van [appellante] heeft verwezenlijkt. De risicoaansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 BW is daarmee in beginsel gegeven, tenzij de gemeente alle nodige maatregelen heeft genomen om de gevaarlijke toestand te beëindigen.

3.6.

Met het plaatsen van een baakschild in de directe nabijheid van het gat naast het voetpad en de stapel stoeptegels - ook al was deze stapel zeer ongelukkig op het kruisvlak van het voetpad geplaatst - is in beginsel een voldoende veiligheidsmaatregel genomen om een ongeval zoals hier aan de orde is, te voorkomen. Het baakschild gaf in beginsel immers voldoende duidelijk aan dat sprake was van een bijzondere situatie die van de gebruikers van het voetpad een extra oplettendheid vereiste. De omstandigheid dat het baakschild niet (precies) voor of naast de stapel stoeptegels was geplaatst, maakt het voorgaande niet anders. Het baakschild was in de directe nabijheid van het gat en de stapel stoeptegels geplaatst zodat ook een onvoorzichtige en onoplettende voetganger voldoende gewaarschuwd werd voor het gevaar dat het gat en de stapel stoeptegels opleverden. Uit de overgelegde foto’s van het baakschild blijkt evenmin dat het baakschild zodanig vies was, dat het niet meer zichtbaar was of niet meer zou kunnen reflecteren in het licht. Dat met het plaatsen van het baakschild voldoende veiligheidsmaatregelen waren genomen, geldt echter niet indien de straatverlichting niet in werking was en het ter plaatse van het ongeval donker was. Immers, [appellante] is omstreeks 23:00 uur ’s avonds gevallen en een baakschild heeft ’s avonds slechts zijn waarschuwende werking als daarop licht reflecteert/kan reflecteren. [appellante] heeft gesteld dat de straatverlichting ten tijde van het ongeval niet in werking was en dat het ter plaatse donker was, hetgeen de gemeente gemotiveerd heeft betwist. [appellante] zal in de gelegenheid worden gesteld, desgewenst middels getuigen, te bewijzen dat de straatverlichting in de Linnaeusstraat op 13 maart 2012 niet in werking was en dat het ten tijde en ter plaatse van het ongeval donker was. Zij heeft daartoe een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

3.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellante] toe tot het bewijs door getuigen van haar stelling dat de straatverlichting in de Linnaeusstraat te Zaandam op 13 maart 2012 omstreeks 23:00 uur niet in werking was en dat het ten tijde en ter plaatse van haar ongeval donker was;

bepaalt dat voornoemd getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. J.F. Aalders, daartoe als raadsheer commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam;

bepaalt dat partijen uiterlijk op de rol van 20 juni 2017 schriftelijk de verhinderdata van alle betrokkenen (inclusief de te horen getuigen) in de periode van juli tot en met oktober 2017 aan het (enquêtebureau van het) hof dienen op te geven;

bepaalt dat [appellante] , uiterlijk veertien dagen voor de datum van het voorlopig getuigenverhoor, een opgave van de naam en woonplaats van de opgeroepen getuigen zal doen toekomen aan het enquêtebureau van het hof ter attentie van de raadsheer-commissaris en aan de wederpartij;

bepaalt dat [appellante] uiterlijk veertien dagen voor de datum van het getuigenverhoor afschriften van (nog niet in deze procedure overgelegde) stukken waarvan zij zich bij dat verhoor wenst te bedienen, aan het enquêtebureau van dit hof ter attentie van de raadsheer-commissaris en aan de wederpartij zal doen toekomen.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.F. Aalders en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.