ECLI:NL:GHAMS:2017:2175 Gerechtshof Amsterdam , 07-06-2017 / 23-000810-17

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000810-17

datum uitspraak: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-099570-16 en [parketnummer] tegen


[naam]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

verblijvende te: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer [parketnummer] onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman mr. [advocaat] , advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een strafmaatoverweging.

Bespreking van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2017 aangevoerd dat ter zake van de verweten verduistering geen straf of maatregel dient te worden opgelegd omdat het slechts een futiel feit betreft. Gelet op de geringe ernst van de overige feiten had volstaan kunnen worden met een geldboete.

Het hof honoreert het verweer van de raadsman niet. Naast het verduisteren van een aantal door hem gevonden goederen die een geringe financiële waarde hadden, heeft de verdachte een conducteur van de GVB beledigd door meermalen zijn middelvinger naar de conducteur op te steken en hem uit te schelden door ‘kurwa’ naar hem te roepen, hetgeen ‘hoer’ betekent in het Pools. De verdachte heeft zich ernstig misdragen in het openbaar vervoer. Met zijn gedrag heeft hij niet alleen de betreffende conducteur die met de uitoefening van zijn werkzaamheden bezig was lastig gevallen, maar ook gezorgd voor gevoelens van onrust en onbehagen bij reizigers die gebruik maakten van het openbaar vervoer.

Daarnaast heeft de verdachte een politiecel onbruikbaar gemaakt door in de ruimte te urineren en te poepen. Dit gedrag is verwerpelijk. In het nadeel van de verdachte weegt verder mee dat hij geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn gedrag en hier in het geheel geen verantwoordelijkheid voor heeft genomen, maar telkens de schuld voor zijn gedragingen bij de conducteur respectievelijk de politie heeft gelegd. Dit zijn ergerlijke en overlast gevende feiten waarvoor, alles in aanmerking genomen, de gevangenisstraf die is opgelegd door de politierechter een passende en redelijke straf is.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer [parketnummer] onder 2 ten laste gelegde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2017.

Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.