ECLI:NL:GHAMS:2017:2289 Gerechtshof Amsterdam , 13-06-2017 / 200.200.071/01 en 200.208.955/01

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.200.071/01 en 200.208.955/01

zaaknummer rechtbank: C/13/571387 / FA RK 14-6402 en C/13/589279/FA RK 15-4517 (KK/SM)

beschikking van de meervoudige kamer van 13 juni 2017 inzake


[de man]
,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.M.P.V. van Haren te Utrecht,

en


[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.E. van Hoeve te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2016 uitgesproken onder voormeld zaaknummer, zoals hersteld bij beschikking van 26 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 28 september 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 29 juni 2016, zoals hersteld bij beschikking van 26 oktober 2016.

2.2

De vrouw heeft op 28 november 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 26 januari 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 30 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op 3 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 april 2017 met bijlage, ingekomen op 5 april 2017.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.6

Ter mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd een brief van de werkgever van de vrouw van 20 november 2014 en een verklaring van de huisarts van de vrouw van 23 juli 2014 overgelegd.

2.7

Na de mondelinge behandeling is ingekomen een brief van de man van 9 mei 2017 met bijlagen en een faxbrief van 2 juni 2017 met bijlage.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het [in] 1994 gesloten huwelijk van partijen is op 31 oktober 2016 ontbonden door echtscheiding. Partijen zijn de ouders van [dochter] , geboren [in] 1994.

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 698,- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en is het verzoek van de vrouw tot verdeling van een erfenis verkregen door de man afgewezen.

De beschikking is voor wat betreft de alimentatie gegeven op het verzoek van de vrouw de uitkering op € 1.461,81 per maand te bepalen.

Voorts heeft de rechtbank Douwe De Jong, Real Estate te Valencia , benoemd tot taxateur van de woning van partijen aan [adres] te [plaats] , Spanje.

4.2

Het verzoek van de man strekt er, kort gezegd, toe dat het hof met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de uitkering tot levensonderhoud bepaalt op een zodanig lager bedrag dan € 698,- per maand als het hof juist acht met ingang van 26 juni 2016, althans een zodanige datum als het hof juist acht. Voorts verzoekt hij, naar het hof begrijpt, te bepalen dat de woning in Spanje aan hem wordt toebedeeld tegen een waarde van € 58.000,-.

4.3

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoeken af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar inleidend verzoek met betrekking tot de uitkering tot haar levensonderhoud alsnog toe te wijzen, althans deze op een zodanig bedrag te bepalen als het hof juist zal achten, en te bepalen dat de erfenis van € 38.220,- aan de man wordt toegedeeld, waarbij de man gehouden is om € 19.110,- aan de vrouw te voldoen.

4.4

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep

5.1

Partijen hebben met hun hoger beroep beiden de partneralimentatie aan de orde gesteld, met dien verstande dat de man grieven heeft gericht tegen de vaststelling van de behoefte, het netto besteedbaar inkomen en de verdiencapaciteit van de vrouw en dat de vrouw een grief betreffende de draagkracht van de man heeft geformuleerd.

5.2

In zijn eerste grief stelt de man dat de behoefte van de vrouw niet met behulp van de zogeheten hofnorm moet worden vastgesteld, maar dat van de werkelijke behoefte van de vrouw moet worden uitgegaan. De man heeft een behoeftelijst opgesteld waaruit een behoefte van de vrouw blijkt van € 1.550,- per maand. De vrouw heeft op haar beurt een behoeftelijst overgelegd waaruit een behoefte van € 2.545,- netto per maand blijkt, maar primair stelt zij dat van de hofnorm moet worden uitgegaan.

5.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. De vrouw betoogt primair dat haar behoefte aan de hand van de hofnorm, die uitgaat van uitsluitend de huwelijkse welstand van partijen, bepaald dient te worden, omdat de man daarmee in eerste aanleg akkoord is gegaan. Het hof volgt de vrouw niet in dit betoog. Uit de genoemde jurisprudentie volgt immers dat, waar concrete gegevens voorhanden zijn waaruit de te verwachten behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan worden afgeleid, daarmee zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden. Nu de door de vrouw opgestelde lijst de behoefteopstelling bevat die het meest is toegesneden op de concrete behoefte van de vrouw, zal het hof deze lijst tot uitgangspunt nemen bij het bepalen van de behoefte van de vrouw. De man heeft deze behoeftelijst op een aantal punten betwist. Het hof zal hierna de in geschil zijnde posten bespreken.

5.4

De vrouw heeft aan gas, water en elektriciteit een bedrag van € 250,- per maand opgevoerd. Nu het de nutsvoorzieningen betreffen voor een appartement van 80 m2, acht het hof het redelijk om een correctie op voornoemd bedrag aan te brengen van € 100,- per maand, temeer omdat uit de door de vrouw overgelegde stukken niet een hoger maandbedrag blijkt.

Het hof zal rekening houden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 95,- per maand ter zake van de kosten van haar vaste en mobiele telefoon en houdt het ervoor, gezien de hoogte, dat in die kosten tevens de kosten voor kabeltelevisie (en internet) zijn inbegrepen, zodat geen rekening zal worden gehouden met het in dat verband opgevoerde bedrag van € 60,- per maand.

Geen rekening wordt gehouden met een last van € 50,- per maand aan onderhoud voor de woning. Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat zij deze kosten maakt voor haar huurwoning.

Op de post boodschappen van € 300,- per maand acht het hof het redelijk een correctie aan te brengen van € 50,- per maand.

De vrouw heeft aan kosten voor de kapper/medisch € 60,- per maand opgevoerd en voor kleding € 100,- per maand. Gezien de huwelijkse welstand acht het hof deze kosten redelijk; er zal dus geen correctie worden toegepast.

Geen rekening zal worden gehouden met de kosten van brandstof van € 5,- per maand. Gebleken is dat de vrouw geen auto heeft, maar dat zij wel eens met een vriendin meerijdt en aan haar een kleine tegemoetkoming betaalt. Voor zover de vrouw deze kosten feitelijk maakt cq moet maken, kan zij deze uit de - hierna aan de orde komende - uitgaven voor ontspanning voldoen.

Ter zake van vervoer heeft de vrouw € 34,- per maand aan een verzekeringspremie opgevoerd. Nu zij deze last niet heeft onderbouwd en de man deze heeft betwist, wordt daarmee geen rekening gehouden.

Aangezien de vrouw geen auto heeft en zij voor haar vervoer is aangewezen op haar fiets en het openbaar vervoer, zal het hof met beide in dat verband opgevoerde bedragen van respectievelijk € 12,- per maand en € 20,- per maand rekening houden.

Met het overleggen van een bankafschrift en een polisblad heeft de vrouw de kosten van haar rechtsbijstandsverzekering onderbouwd zodat het hof daarmee, anders dan de man betoogt, rekening zal houden.

De post ‘andere vaste uitgaven’ van € 15,- per maand wordt buiten beschouwing gelaten aangezien de vrouw niet heeft onderbouwd op welke uitgaven deze post ziet.

Dat de vrouw € 100,- per maand, ofwel € 1.200,- per jaar, aan kosten voor vakantie heeft opgevoerd, acht het hof, mede met het oog op de huwelijkse welstand, reëel zodat te dien aanzien geen correctie wordt toegepast. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kosten voor uitgaan van € 50,- per maand, de kosten voor boeken van € 7,- per maand, de kosten voor een sportvereniging van € 25,- per maand en het lidmaatschap voor salsa van € 15,- per maand. Geen rekening wordt echter gehouden met ‘andere lasten ontspanning’ van € 50,- per maand bij gebrek aan onderbouwing daarvan door de vrouw tegenover de betwisting door de man.

De vrouw heeft een bedrag van € 60,- per maand aan belastingen opgevoerd. Ter zitting in hoger beroep heeft zij toegelicht dat deze post ziet op de waterschapsbelasting en gebruikersbelasting. Bij de stukken bevindt zich een aanslag waterschapsbelasting 2016 waaruit een totaalbedrag van € 159,- blijkt, ofwel € 13,- per maand. Nu overige belastingen niet uit de stukken blijken en de vrouw onder het kopje gebruikerslasten in haar behoeftelijst reeds rioolrechten en andere gebruikerslasten (huisvuil) heeft opgevoerd, brengt het hof een correctie aan van € 47,- per maand.

Het hof houdt geen rekening met het opgevoerde bedrag van € 20,- per maand voor een credit card omdat het er bij gebrek aan onderbouwing vanuit gaat dat de betalingen die worden verricht met de credit card verdisconteerd zijn in de overige posten, zoals vakantie en kleding. Voor zover dit bedrag ziet op de kosten van de credit card, heeft de vrouw deze tegenover de betwisting door de man niet onderbouwd.

Ter zake van reserveringen heeft de vrouw een bedrag van € 127,- per maand opgevoerd voor de vervanging van inboedel en huishoudelijke apparatuur en € 20,- per maand voor haar fiets. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met een bedrag van in totaal € 50,- per maand voor reserveringen en de vrouw heeft het meerdere tegenover de betwisting door de man niet heeft onderbouwd. Een correctie van € 97,- per maand wordt toegepast.

Geen rekening wordt gehouden met de opgevoerde lijfrente van € 25,- per maand, omdat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij deze last heeft, noch heeft onderbouwd waarom een lijfrente in haar geval noodzakelijk is.

5.5

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof op de door de vrouw gestelde behoefte van € 2.545,- netto per maand een correctie toepassen van € 553,- per maand zodat een behoefte resteert van € 1.992,- netto per maand. Alvorens dit bedrag om te rekenen naar het bruto equivalent zal het hof de grieven behandelen die zien op het vermogen en de verdiencapaciteit van de vrouw.

5.6

Ten aanzien van de financiële omstandigheden van de vrouw is onder andere het volgende gebleken.

De vrouw, geboren [in] 1957, geniet een belastbaar loon van € 22.294,- blijkens de jaaropgaaf 2016; zij is parttime (0,4239 deeltijdfactor) werkzaam in loondienst bij de [A] scholengemeenschap van [B] VO als docente.

De vrouw is alleenstaand. Zij kan aanspraak maken op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.7

De man stelt dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij haar te werken uren uitbreidt. Hij heeft dat al tijdens het huwelijk aan de orde gesteld. De vrouw is docente in verschillende vakken en de school waar zij werkt is onderdeel van het grotere verband [B] Scholen. Daarbinnen moet het de vrouw kunnen lukken om meer uren te krijgen. Als zij haar uren uitbreidt van 12 naar 24 kan zij volledig in haar behoefte voorzien. Verder kan van de vrouw worden gevergd dat zij stopt met het sparen voor een vrijwillige verlofregeling, de BAPO, aldus de man.

De vrouw weerspreekt dat zij meer uren kan werken. Tijdens het huwelijk hebben partijen afgesproken dat de vrouw de zorg voor [dochter] op zich zou nemen. Bovendien heeft de vrouw met overlegging van de onder overweging 2.6 vermelde brief van haar werkgever aangetoond dat haar verzoek tot urenuitbreiding is afgewezen en met de onder overweging 2.6 vermelde brief van de huisarts dat zij wegens psychische klachten niet meer uren kan werken althans minder is gaan werken.

5.8

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij sinds 1997 werkzaam is bij de [A] scholengemeenschap en dat zij het vak Mens & Maatschappij doceert aan de eerste en tweede klas. Zij is voorts opgeleid om de vakken Textiel en Geschiedenis te doceren. In 2002 is zij opgenomen geweest in verband met psychische klachten als gevolg waarvan zij - blijkens de brief van haar huisarts van 23 juli 2014 - haar uren heeft verminderd. De vrouw heeft later geprobeerd om meer uren te krijgen. Bij de stukken bevindt zich een brief van haar werkgever van 20 november 2014 waaruit dit verzoek blijkt evenals de afwijzing daarvan. Naar de vrouw stelt, heeft zij de afgelopen jaren getracht haar kansen op uitbreiding van haar uren te vergroten door een opleiding Spaans en een computercursus te volgen. Daarnaast heeft zij via haar werkgever gedurende een jaar een cursus gevolgd die was gericht op leidinggeven, maar hieruit zijn geen concrete mogelijkheden voor haar voortgevloeid noch zijn er afspraken gemaakt, aldus de vrouw. Zij heeft zich niet georiënteerd op het werken bij een andere scholengemeenschap, omdat zij tevreden is met haar huidige baan en omdat zij het risico niet aandurfde om haar vaste aanstelling op te geven gezien haar leeftijd (zij is zestig jaar).

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende inspanningen verricht om haar inkomsten te verhogen sinds zij de voormalig echtelijke woning heeft verlaten op 1 oktober 2014, althans heeft zij die inspanningen onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Die inspanningen mogen wel van de vrouw worden verwacht; niet gebleken is dat een lichamelijke of psychische oorzaak in de weg staat aan urenuitbreiding aangezien de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij sinds haar opname in 2002 klachtenvrij is. In het midden kan blijven welk rollenpatroon partijen exact hadden tijdens hun huwelijk nu vaststaat dat de vrouw in ieder geval sinds 1997 parttime werkt en de man thans niet van haar verlangt dat zij fulltime gaat werken. Met het overleggen van de brief van haar werkgever heeft de vrouw weliswaar aangetoond dat zij geprobeerd heeft meer uren te krijgen, maar niet welke concrete inspanningen zij in de tweeëneenhalf jaar daarna heeft verricht ter verkrijging van een hoger aantal uren. Het volgen van cursussen acht het hof in dit verband onvoldoende, temeer omdat daarover geen afspraken met de werkgever zijn gemaakt zodat het volgen van deze cursussen een vrijblijvend karakter lijkt te hebben en bovendien niet gesteld of gebleken is dat de vrouw heeft gepoogd met de tijdens de cursussen geleerde vaardigheden een uitbreiding van het aantal uren te verkrijgen. Voorts neemt het hof in ogenschouw dat de man gezien zijn onderhoudsplicht niet zonder meer de vrijheid heeft om minder uren te gaan werken; daar staat tegenover dat de vrouw evenmin de volledige vrijheid heeft om haar verdiencapaciteit niet volledig te benutten.

Hoewel van de vrouw meer inspanningen mogen worden verwacht, staat vast dat zij thans zestig jaar oud is en dat zij in ieder geval sinds 2002 – en dus een groot deel van de huwelijkse periode – haar huidige aantal uren werkt. Met het oog op voornoemde omstandigheden acht het hof het redelijk om er thans vanuit te gaan dat de vrouw in staat is haar werktijdfactor te verhogen van 0,4239 naar 0,5, waarbij zij opgemerkt dat de vrouw zich maximaal dient in te spannen om haar werktijdfactor nog verder uit te breiden.

Voor de berekening van de aldus te bepalen verdiencapaciteit per jaar hanteert het hof de gegevens zoals deze blijken uit de door de vrouw overgelegde loonstrook over januari 2017, waarbij het uit zal gaan van een loon op basis van een deeltijdfactor 0,5. Met de korting BAPO van € 61,- per maand houdt het hof geen rekening. Deze korting ziet op een vorm van vrijwillige arbeidsurenvermindering waarvan de noodzaak gesteld noch gebleken is. Wel houdt het hof rekening met de ingehouden pensioenpremie en premie AOP alsmede met een vakantietoeslag van 8%, een inkomenstoeslag, een eindejaarsuitkering, eenmalige uitkering en bindingstoelage, zoals deze blijken uit de loonstroken van juli, augustus en oktober 2016. Dit leidt tot een verdiencapaciteit gelijk aan een fiscaal loon van € 28.800,- per jaar, ofwel € 2.400,- bruto per maand. Bij een dergelijk inkomen heeft de vrouw geen recht op een zorgtoeslag, zoals door de man is gesteld.

5.9.

De man betoogt dat de vrouw na verkoop van de beide woningen van partijen over een vermogen van circa € 184.000,- zal beschikken. Rekening moet worden gehouden met een rendement daaruit van 4%.

Het hof is van oordeel dat bij de vaststelling van de mate waarin de vrouw in haar behoefte kan voorzien thans geen rekening kan worden gehouden met een rendement uit vermogen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap is nog niet afgewikkeld zodat op dit moment onvoldoende duidelijk is in hoeverre sprake is van vrij besteedbaar vermogen. Bovendien kan nu nog niet worden vooruitgelopen op het bedrag dat de vrouw zal ontvangen. Niet duidelijk is immers hoeveel de vrouw (maar ook de man) zal ontvangen, wanneer zij dat zal ontvangen en in welke mate zij over dat vermogen zal kunnen beschikken.

5.10

Zoals vastgesteld onder 5.5 bedraagt de netto behoefte van de vrouw € 1.992,- per maand. Rekening houdend met de voor de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, gebaseerd op een bruto inkomen van € 28.800,- per jaar, bedraagt de bruto behoefte van de vrouw € 2.695,- per maand. Haar aanvullende behoefte bedraagt derhalve € 295,- per maand.

5.11

Vervolgens dient de draagkracht van de man te worden vastgesteld. Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens.

De man, geboren [in] 1957, heeft de volgende inkomsten:

- een belastbaar loon van € 52.512,- blijkens de jaaropgaaf 2014 van de Sociale Verzekeringsbank. Blijkens de jaaropgaaf 2016 heeft de man een belastbaar loon van € 58.581,- inclusief afkoop verlofuren en eenmalige uitkering en van € 54.112,- exclusief afkoop verlofuren en eenmalige uitkering.

De man vormt met [dochter] een gezin. Bij het berekenen van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting en arbeidskorting.

De woonlasten van de man bedragen per maand:

- € 9.222,- per jaar aan hypotheekrente;

- € 227,- per maand aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- per maand aan overige eigenaarslasten;

Bij de woonlasten wordt rekening gehouden met een fiscaal voordeel in verband met de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente van € 769,- per maand onder bijtelling van het eigenwoningforfait € 1.911,-.

De overige lasten van de man bedragen per maand:

- € 151,- aan ziektekosten:

- € 90,- premie basisverzekering ZVW,

- € 31,- premie aanvullende verzekering,

- € 30,- eigen risico,

- € 100,- aan rente en aflossing op een huwelijkse schuld aan de ABN AMRO Bank.

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.12

De grief van de vrouw in incidenteel hoger beroep ten aanzien van de draagkracht van de man, waarin zij stelt dat ten onrechte rekening is gehouden met kosten van de man voor [dochter] en kosten van onderhoud voor de woning van partijen in Spanje, behoeft geen bespreking meer aangezien de man ook indien met voornoemde lasten rekening wordt gehouden voldoende draagkracht heeft om een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 295,- per maand te betalen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling van de man dat zijn fiscaal loon in 2016 moet worden gecorrigeerd, omdat daarin is begrepen de afkoop van verlofuren (verkocht om aan zijn alimentatieplicht te voldoen); ook wanneer met zijn lagere loon in 2014 rekening wordt gehouden, heeft hij voldoende draagkracht om een uitkering van € 295,- per maand te voldoen. In dit verband overweegt het hof dat het geen rekening houdt met de aanvullende stukken met toelichting die de man na de behandeling in hoger beroep heeft overgelegd.

5.13

Het hof bepaalt de ingangsdatum op 31 oktober 2016 hetgeen meebrengt dat op de vrouw een terugbetalingsverplichting komt te rusten. Het hof is van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij de sinds 31 oktober 2016 teveel ontvangen partneralimentatie geacht kan worden aan de man terug te betalen, omdat zij na de verkoop van de voormalig echtelijke woning en na toedeling van de woning in Spanje aan de man over vermogen zal beschikken waaruit zij hetgeen zij vanaf die datum meer heeft ontvangen aan alimentatie dan het in deze beschikking te bepalen bedrag kan terugbetalen.

5.14

Op grond van artikel 1:157 lid 3 BW kan de rechter op verzoek van één der echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en een termijn. In verband met het ingrijpende karakter van een beëindiging mogen er hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht van de alimentatieplichtige. Naar het oordeel van het hof heeft de man hieraan, met hetgeen hij heeft gesteld, niet voldaan zodat zijn verzoek om een einddatum vast te stellen wordt afgewezen.

5.15

Met zijn hoger beroep heeft de man verder de taxatiewaarde van het huis van partijen in Spanje aan de orde gesteld in die zin dat hij opkomt tegen de benoeming van Douwe de Jong tot taxateur van de woning en verzoekt om de woning aan hem toe te delen tegen de door de vrouw in eerste aanleg gestelde waarde van € 58.000,-.

5.16

De bestreden beschikking is naar het oordeel van het hof ten aanzien van de beslissing om een taxateur te benoemen een tussenbeschikking. Hiermee is geen einde gemaakt aan het tussen partijen bestaande geschil omtrent (dit onderdeel van) de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, maar een beslissing ter feitelijke of juridische instructie gegeven. Op grond van artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan van een tussenbeschikking slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechtbank anders heeft bepaald. Aangezien de rechtbank bij haar beschikking niet anders heeft bepaald, kan de man thans niet worden ontvangen in zijn hoger beroep voor zover dat ziet op de taxatiewaarde van het huis in Spanje.

5.17

Thans resteert nog de grief van de vrouw met betrekking tot de erfenis die de man na het overlijden van zijn vader heeft ontvangen. Volgens de vrouw bedroeg die nalatenschap niet € 30.000,-, zoals de man stelt, maar € 38.220,-. De vrouw betwist verder dat met dit bedrag haar studieschuld is afgelost en twee auto’s zijn gekocht. De erfenis is nog niet (geheel) verbruikt en dient dan ook te worden verdeeld.

De man stelt dat de erfenis is verbruikt en daarom niet meer kan worden verdeeld. Hij voert daartoe aan dat hij de erfenis, die hij in 2004 heeft ontvangen, onder andere heeft besteed aan de aanschaf van twee auto’s en het opknappen van het huis van partijen in Spanje. Het restant heeft hij aan de vrouw gegeven in de veronderstelling dat zij er onder andere haar studieschuld mee zou aflossen.

5.18

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat de man tijdens het huwelijk met de vrouw na het overlijden van zijn vader een erfenis heeft ontvangen van ten minste € 30.000,-. Nu de vrouw verdeling van de erfenis verzoekt, rust op haar de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt in hoeverre de erfenis op de peildatum (26 augustus 2014) nog aanwezig was. In het licht van het door de man gevoerde verweer heeft de vrouw naar het oordeel van het hof niet aan haar stelplicht voldaan. Zij heeft weliswaar met stukken onderbouwd gesteld dat zij haar studieschuld niet heeft afgelost met behulp van gelden uit de erfenis, maar daarmee is niet aangetoond dat de dertien jaar geleden ontvangen erfenis niet geheel verbruikt is. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende (onderbouwd) gesteld om aan te nemen dat (en, zo ja, welk) een bedrag resteert van de erfenis. Haar verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5.19

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek met betrekking tot de taxatie van de woning in Spanje;

vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 oktober 2016 op € 295,- (TWEEHONDERD VIJFENNEGENTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. C.M.J. Peters en mr. J.W. van Zaane, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 13 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.