ECLI:NL:GHAMS:2017:2488 Gerechtshof Amsterdam , 21-06-2017 / 15/800181-17

Uitspraak

15/800181-17

GERECHTSHOF AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende in [detentie] ,

tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 23 mei 2017, voor zover houdende bevel tot zijn gevangenhouding.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 26 mei 2017, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beschikking van die rechtbank.

Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsvrouw mr. B.L.M. Ficq.

De beoordeling

Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de gronden waarop deze berust.

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof in het dossier, gelet op het feit dat er naast de aangifte sprake is van enig ander belastend bewijs, voldoende ernstige bezwaren.

Het hof is van oordeel dat het uitzitten van een onherroepelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in beginsel als alternatief kan dienen voor voorlopige hechtenis en – behoudens contra-indicaties - een grond voor schorsing kan opleveren aangezien het ondergaan van een reeds opgelegde vrijheidsstraf een op dat moment voor de verdachte gunstiger vorm van vrijheidsbeneming is dan de voorlopige hechtenis.

Het hof acht termen aanwezig om de voorlopige hechtenis van de verdachte tijdelijk te schorsen zodat de verdachte de thans opgelegde gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 23/000925-12 verder kan ondergaan. Het hof gaat er van uit dat, nu van die straf plaatsvindt tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak, detentiefasering in het kader van die executie niet zal plaatsvinden. Indien dit wel het geval is eindigt de schorsing van de voorlopige hechtenis op het moment van aanvang van de detentiefasering.

15/800181-17

De beslissing

Het hof:

WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

WIJST TOE het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

SCHORST het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van

donderdag 22 juni 2017 te 12:00 uur tot aan de dag dat zijn detentie vanwege het uitzitten van de straf in de zaak met parketnummer 23/000925-12 eindigt dan wel tot de dag dat er wordt aangevangen met de detentiefasering van voornoemde straf,

zulks onder de voorwaarden dat hij:

1. indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

2. ingeval hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

3. aan iedere oproeping vanwege een justitiële instantie gevolg zal geven;

4. zich niet zal schuldig maken aan strafbare feiten;

5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Deze beschikking is gegeven op 21 juni 2017 in raadkamer van dit hof door

mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, voorzitter,

mrs. A.M. van Woensel en N.R.A. Meerbeek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 21 juni 2017,

de advocaat-generaal

Verder lezen