ECLI:NL:GHAMS:2017:2629 Gerechtshof Amsterdam , 20-06-2017 / 23-00931-16

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000931-16

datum uitspraak: 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-036410-15 tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag 1] 1973,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2016 en 6 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 september 2014 te Amsterdam zijn kind, [naam 1] , heeft mishandeld door meermalen/eenmaal (met een tak) te slaan

- op/tegen de vingertoppen, in elk geval de handen; en/of

- op/tegen de benen, in elk geval het onderlichaam; en/of

- op/tegen het hoofd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen en het hof verzocht de verdachte vrij te spreken. Feit is dat er geweld is gebruikt jegens [naam 1] , maar niet is bewezen dat verdachte degene is die dit geweld heeft gepleegd. De verdachte heeft van het begin af aan ten stelligste ontkend dat hij zijn zoon heeft geslagen. Aangeefster, de moeder van [naam 1] , heeft verklaard dat [naam 1] haar heeft verteld dat de verdachte hem heeft geslagen. De verdediging zet vraagtekens bij de verklaringen van de aangeefster gelet op de onsamenhangendheden en onduidelijkheden in haar verklaringen alsmede de al jaren voortslepende problematiek tussen de ouders van [naam 1] . Op de verklaringen van aangeefster na is er geen bewijs dat het de verdachte is geweest die [naam 1] heeft geslagen: getuige [getuige] noch de geconsulteerde arts kunnen dit bevestigen. Er is slechts sprake van verklaringen van horen zeggen. De raadsvrouw heeft een alternatief scenario geschetst, waarin [naam 2] , destijds de stiefvader van [naam 1] , degene is die hem heeft mishandeld.

Het hof overweegt als volgt. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn destijds achtjarige zoon [naam 1] op 24 september 2014 omstreeks 14.30 uur van school heeft opgehaald en heeft meegenomen. Rond 17.30 uur heeft de verdachte [naam 1] bij zijn oma moederszijde (getuige [getuige] ) gebracht, waar zijn moeder hem even later heeft opgehaald. Thuis aangekomen ontdekte de moeder van [naam 1] dat zijn vingertoppen blauw en opgezwollen waren. Hierop nam zij [naam 1] mee naar het Boven IJ ziekenhuis. Daar werd hij rond 20.00 uur gezien door een arts. [naam 1] heeft achtereenvolgens aan de arts en zijn moeder verteld wat er die middag gebeurd was. De verdachte had [naam 1] meegenomen naar een park. Daar was de verdachte heel boos geworden op [naam 1] en had hem heel erg vaak en heel erg hard met een tak geslagen op zijn vingertoppen, zijn benen en zijn hoofd. Uit de letselverklaring van het Boven IJ ziekenhuis blijkt dat [naam 1] hematomen had op zowel zijn vingertoppen als op zijn linkerbeen.

Het hof ziet, met de advocaat-generaal, en anders dan de raadsvrouw geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangeefster omtrent hetgeen [naam 1] haar over de feitelijke toedracht heeft verteld. Daarbij is van belang dat [naam 1] aan de verbalisant die de aangifte heeft opgenomen alle blauwe plekken heeft laten zien en hem heeft verteld dat hij “als hij naar zijn vader moet hij behoorlijk angstig is. Hij vertelt mij dat hij bang is dat hij door zijn vader zal worden geslagen ”. Voorts passen de bij [naam 1] aangetroffen hematomen bij hetgeen [naam 1] tegenover de arts en zijn moeder heeft verklaard over de toedracht. Bovendien heeft [naam 1] de verklaring dat zijn vader degene is geweest die hem heeft geslagen, enige tijd later, tegenover de Raad voor de Kinderbescherming herhaald.

Aan het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de toenmalige stiefvader van [naam 1] , [naam 2] , zich schuldig zou hebben gemaakt aan de ten last gelegde mishandeling is ten grondslag gelegd dat op de ten laste gelegde datum aan [naam 2] een huisverbod zou zijn opgelegd. Verder heeft de raadsvrouw de aandacht gevestigd op het feit dat [naam 1] zowel de verdachte als [naam 2] “papa” noemt waardoor verwarring kan zijn ontstaan over de vraag wie [naam 1] aanwijst als degene die hem heeft mishandeld.

Het hof schuift dit alternatieve scenario als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 november 2016 van verbalisant [verbalisant] – met als bijlage de betreffende beschikking van de burgemeester van 18 mei 2014 – blijkt dat aan [naam 2] op 24 september 2014 geen huisverbod is opgelegd. Er is weliswaar ooit een huisverbod aan hem opgelegd, maar dat verbod dateert van vijf maanden eerder. Hiermee ontvalt de feitelijke grondslag aan deze stelling van de raadsvrouw.

Voor het bestaan van een spraakverwarring tussen de vader, verdachte, en de stiefvader bestaan voorts geen aanknopingspunten, gelet op de door aangeefster en in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming gebruikte bewoordingen en de hiervoor geciteerde verklaring van [naam 1] tegenover de verbalisant. Evenmin ziet het hof aanknopingspunten voor een andere mogelijke dader, de hiervoor geschetste feitelijke toedracht en met name het korte tijdsbestek tussen het thuis brengen van [naam 1] door de verdachte en het constateren van het letsel in aanmerking genomen. Het hof acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 september 2014 te Amsterdam zijn kind, [naam 1] , heeft mishandeld door meermalen met een tak te slaan

- op de vingertoppen en

- op de benen en

- op het hoofd

van die [naam 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat:

1. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2014235109-1 van 26 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] , ongenummerde pagina’s.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 26 september 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [naam 4] :

Ik, [naam 4] , doe namens mijn zoon [naam 1] aangifte van eenvoudige mishandeling. Op 24 september 2014 is [naam 1] om 14.30 uur door mijn ex-man [verdachte] van school gehaald. [verdachte] heeft [naam 1] vervolgens meegenomen. Omstreeks 17.30 uur heeft [verdachte] [naam 1] bij zijn oma, mijn moeder, gebracht. Ik heb [naam 1] daar vervolgens opgehaald. Ik heb [naam 1] meegenomen naar huis waar wij ongeveer rond 18.00 uur arriveerden. Ik hoorde [naam 1] zeggen dat hij ging slapen. Ik vroeg of er iets was. Ik gaf [naam 1] een aai over zijn hoofd. Ik hoorde [naam 1] vervolgens “ au” roepen. Ik heb vervolgens [naam 1] zijn hand gepakt om te kijken wat er was. Tot mijn schrik zag ik vervolgens dat alle vingertoppen van [naam 1] ’s beide handen helemaal blauw en opgezwollen waren. Ik ben naar het ziekenhuis gegaan. In het ziekenhuis is [naam 1] behandeld door een arts, [arts] . Zij heeft mij gevraagd of zij een paar minuten alleen mocht praten met [naam 1] . [naam 1] heeft [arts] vervolgens van begin tot eind verteld wat er gebeurd was. Na het gesprek heeft [naam 1] op advies van de arts ook alles tot in detail aan mij verteld. Ergens op die middag van 24 september heeft [verdachte] [naam 1] meegenomen naar het Baanakkerspark (naar het hof begrijpt in Amsterdam), naar een heel afgelegen plek waar vrijwel niemand komt. [verdachte] is vervolgens heel erg boos op [naam 1] geworden omdat [naam 1] afgelopen weekend niet naar voetbal was geweest. [naam 1] vertelde mij dat zijn vader toen een tak van een boom trok en hem heel erg vaak en heel erg hard met die tak op zijn vingertoppen, zijn benen en zijn hoofd heeft geslagen. [arts] heeft mij gezegd dat het verhaal klopt met de verwondingen van [naam 1] . [naam 1] heeft blauwe en opgezwollen vingertoppen, blauwe plekken op zijn benen en bulten op zijn hoofd.

Noot verbalisant: [naam 1] heeft mij alle blauwe plekken laten zien. [naam 1] heeft mij tevens laten zien en voelen waar de bulten op zijn hoofd zaten. [naam 1] vertelt mij dat als hij naar zijn vader moet hij behoorlijk angstig is en dat hij bang is dat hij door zijn vader zal worden geslagen.

2. Een geschrift, bevattende een automatisch gegenereerde en daarom niet ondertekende brief van 25 september 2014 van het Boven IJ ziekenhuis met een geneeskundige verklaring over het letsel van [naam 1] , ongenummerde pagina’s.

Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[naam 1] ( geboren [geboortedag 2] 2006) bezocht de spoedeisende hulp op 24 september 2014 om 20.03 uur.

Anamnese:

Handen li en re:

Multipele haematomen palmaire zijde vingertoppen.

Sub-unguaal haematoom dig 4 Re

Li bovenbeen:

Groot haematoom dorsaal; 5 x 3 cm

Li onderbeen:

Groot haematoom dorsaal 4 x 3 cm

Beleid; icc kindergeneeskunde ( [arts] ): bij navraag bij [naam 1] op SEH wordt duidelijk dat het om opzettelijk toegebracht geweld gaat.

3. Een proces-verbaal verhoor verdachte met nummer PL1300-2014235109-4 van 16 oktober 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam 5] , ongenummerde pagina’s.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 16 oktober 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

24 September 2014 was mijn zoon [naam 1] van 14.45 tot 17.30 uur bij mij. We zijn samen naar het park gegaan.

4. Een geschrift, te weten een rapport Raadsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 januari 2016, opgesteld door [naam 6] , raadsonderzoeker, onder verantwoordelijkheid van [naam 7] , teamleider (pagina 10).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Persoonsgegevens

Achternaam: [naam 1] ,

Voornaam: [naam 1]

Geboren: [geboortedag 2] 2006.

Persoonsgegevens vader

Achternaam: [naam 1]

Voornaam: [verdachte]

Naam gezagsdrager: Relatie tot jeugdige:

vader

Op 20 augustus 2015 is de Raad gestart met het onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd door

[naam 6] , raadsonderzoeker.

Gezinssamenstelling

[naam 1] woont sinds de scheiding van zijn ouders in 2009 bij moeder. Moeder heeft een nieuwe relatie met stiefvader dhr [naam 2] . In maart 2013 is hun dochter geboren.

Bron: [naam 1] (9 oktober 2015)

Als gevraagd wordt hoe het komt dat hij vader al een tijd niet heeft gezien zegt [naam 1] dat vader hem heeft geslagen met een stok. Vader heeft heel veel keer op zijn hoofd geslagen. [naam 1] had thuis de blauwe plekken aan moeder laten zien en toen zijn ze naar de eerste hulp gegaan. [naam 1] geeft aan dat hij bang is om vader te zien op straat of op school.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn kind.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld conform de door de politierechter opgelegde straf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn destijds achtjarige zoontje [naam 1] door hem, tijdens omgang in het kader van de omgangsregeling, in een park meerdere keren met een tak te slaan. De verdachte heeft [naam 1] zo hard geslagen dat zowel op zijn vingertoppen als op zijn linkerbeen meerdere hematomen zichtbaar waren en bulten voelbaar waren op zijn hoofd. [naam 1] heeft hier niet alleen pijn en letsel van ondervonden, maar is ook bang voor zijn vader geworden. Kindermishandeling doet afbreuk aan het zelfvertrouwen en het gevoel van veiligheid van kinderen, terwijl kinderen zich juist bij hun ouders veilig zouden moeten voelen. De verdachte heeft hierop ernstig inbreuk gemaakt. Het hof acht dit bijzonder kwalijk.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 mei 2017 is hij eerder meerdere keren onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof heeft bij de op te leggen taakstraf gelet op de straffen die in soort gelijke gevallen worden opgelegd en de betreffende oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt een taakstraf van 120 uren genoemd voor een eenvoudige mishandeling met behulp van een slagwapen enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Als strafverzwarende omstandigheid weegt het hof mee dat het slachtoffer de minderjarige zoon van de verdachte is.

In strafmatigende zin weegt het hof echter mee dat de verdachte sinds het ten laste gelegde feit, inmiddels bijna drie jaren geleden, zijn zoontje niet meer heeft mogen zien, hetgeen hij al als een zeer zware straf ervaart. Aannemelijk is geworden dat de verdachte te lijden heeft onder het ontbreken van contact met zijn zoontje. Het hof komt daarom tot een aanzienlijk lagere straf dan voornoemd oriëntatiepunt.

Het hof acht, alles afwegende, evenals de advocaat-generaal, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg via zijn wettelijk vertegenwoordiger, moeder [naam 4] , in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding wegens immateriële schade. Deze bedraagt € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd de gehele vordering toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering af te wijzen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] , ingediend via zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam 4] , ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. G.M. Boekhoudt en mr. T. Blom, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2017.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[......]

.