ECLI:NL:GHAMS:2017:2630 Gerechtshof Amsterdam , 20-06-2017 / 23-000273-17

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000273-17

datum uitspraak: 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 januari 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-217512-16 en 10-090672-15 (TUL) tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1981,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de, in eerste aanleg, door de politierechter toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 187,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 oktober 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 187,8 gram van een materiaal bevattende cannabis.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het aanwezig hebben van de ten laste gelegde hoeveelheid cannabis zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 29 december 2016 van [kliniek] GGZ.

De raadsman heeft het hof verzocht, in geval een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, het aantal dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zo kort mogelijk te houden om te voorkomen dat de voorzieningen waarvan de verdachte thans gebruik maakt in gevaar komen. De verdachte is een kwetsbaar persoon; zijn leven staat nu op de rit en voorkomen dient te worden dat hij terugvalt. De raadsman heeft gewezen op het reclasseringsadvies bepleit dat de verdachte met name baat zal hebben bij de geadviseerde leefstijltraining.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke (verlengde) uitvoer van ruim 180 gram cannabis. Cannabis is een voor de volksgezondheid schadelijke stof en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst.

In het nadeel van de verdachte weegt mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 mei 2017 al meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet.

Eveneens in het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte ten tijde van het plegen van het onderhavige delict in een proeftijd liep.

Het hof houdt verder rekening met het door [naam] , als reclasseringswerker aan [kliniek] GGZ verbonden, opgestelde reclasseringsadvies van 29 december 2016. Daarin komt onder meer naar voren dat sprake is van psychiatrische problematiek. Door haar wordt geadviseerd om, in geval van een schuldigverklaring, aan de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, een GI-GGZ Leefstijltraining, een behandelverplichting en tot slot een verplichting voor de verdachte zich in te spannen voor het verkrijgen van een passende dagbesteding. Op 10 januari 2017 heeft [naam] per mail aan de officier van justitie bericht dat de verdachte niet langer openstaat voor een leefstijltraining en een behandelverplichting, om welke reden zij heeft geadviseerd om de bijzondere voorwaarden te beperken tot een meldplicht en de verplichting tot het inspannen voor het verkrijgen van een passende dagbesteding. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd nadrukkelijk verklaard inmiddels wel weer open te staan voor de geadviseerde leefstijltraining.

Het hof weegt ten gunste van de verdachte mee dat hij zijn leven inmiddels een meer positieve wending lijkt te hebben gegeven en een voorzichtige balans lijkt te hebben gevonden. Ter terechtzitting is toegelicht dat de verdachte thans onder behandeling van [bedrijf] in Dordrecht staat vanwege zijn psychiatrische problematiek, medicatie gebruikt, een huurwoning heeft en twee dagen in de week dagbesteding heeft, te weten een traject van de Gemeentelijke Sociale Dienst op een boerderij, als opstapje naar een opleiding in de agrarische sector. Het hof acht het van belang te voorkomen dat deze gunstige ontwikkelingen door een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf in negatieve zin worden beïnvloed. Dit niet alleen met het oog op de belangen van de verdachte, maar ook uit oogpunt van bescherming van de samenleving, om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan.

Alhoewel het bewezenverklaarde in beginsel een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou rechtvaardigen, mede gelet op de recidive, acht het hof alles afwegende, een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof ziet af van het opleggen van een behandelverplichting als bijzondere voorwaarde nu de verdachte thans reeds onder behandeling is bij [bedrijf] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1 lid 5, 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 augustus 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd deze tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de onduidelijkheid over de duur van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf nu de verdachte krachtens de aantekening mondeling vonnis van 12 augustus 2015, voor zover van belang, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken waarvan twee dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting eveneens verzocht de vordering af te wijzen vanwege de gerezen onduidelijkheid over de duur van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken namelijk dat er onduidelijkheid bestaat over de duur van de destijds opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 29 (negenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij [kliniek] GGZ Reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verplicht is zich in te spannen voor het verkrijgen van passende dagbesteding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een GI-GGZ Leefstijltraining, aangeboden door GGZ [kliniek], of een soortgelijke instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de [kliniek] GGZ Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 25 oktober 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 augustus 2015, parketnummer 10-090672-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. C.N. Dalebout en mr. T. Blom, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2017.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[......]

Verder lezen