ECLI:NL:GHAMS:2017:2632 Gerechtshof Amsterdam , 20-06-2017 / 23-002501-15

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002501-15

datum uitspraak: 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-706922-14 tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 24 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van (zijn, verdachtes, ex-vriendin) [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte (in de genoemde periode)

-meermalen bij haar werk (op de Albert Cuyp markt/in de Albert Cuypstraat ) gestaan en/of haar (bij haar werk) geobserveerd en/of haar bij haar werk opgewacht en/of langs haar (werk) (heen) is gelopen en/of

-tegen een kraamhouder ([naam 1]) gezegd: "Als ik merk dat jullie al eerder een relatie hebben gehad, dan ruk ik jullie koppen eraf ik schiet jullie dood" en/of

-tegen haar baas ([naam 2]) gezegd: "Als ik merk dat zij een relatie met [naam 1] heeft, maak ik ze beiden dood" en/of

- meermalen tegen haar zoon gezegd dat hij, verdachte, een eindgesprek met [slachtoffer] wil en/of

- een marktman ([naam 3]) gebeld en/of ruzie met die marktman gemaakt en/of tegen die marktman geschreeuwd, (nadat hij, verdachte, had gezien dat die marktman met [slachtoffer] stond te praten) en/of

- een collega ([naam 4]) een of meermalen gebeld en/of een of meer (telefoon)berichten gestuurd over [slachtoffer].

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Het hof stelt in deze zaak het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Met de politierechter is het hof van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier slechts bewezen kan worden dat de verdachte meerdere keren bij het werk van de aangeefster op de Albert Cuypstraat heeft gestaan, verschillende keren tegen haar zoon heeft gezegd dat hij een eindgesprek met haar wilde en een collega van haar meermalen heeft gebeld en die collega (telefoon)berichten over haar heeft gestuurd. Met inachtneming van bovengenoemde factoren is het hof, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat met het samenstel van deze handelingen van de verdachte in dit geval geen sprake is van een wederechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], de voormalige vriendin van de verdachte.

Het hof kent hierbij met name gewicht toe aan het feit dat de verdachte ten tijde van belang, evenals aangeefster [slachtoffer], werkzaam was op de Albert Cuyp, aldaar in de directe omgeving woonde en zijn sociale leven zich grotendeels op of rond de Albert Cuyp afspeelde. Dit verklaart waarom de verdachte, ook nadat [slachtoffer] de relatie met de verdachte had verbroken, nog regelmatig op de Albert Cuyp aanwezig was. Tevens acht het hof van belang dat eerder sprake was van een zogenoemde knipperlichtrelatie tussen de verdachte en [slachtoffer], waardoor bij de verdachte mogelijk twijfel kon bestaan over de vraag of het slachtoffer nog contact of een eindgesprek met hem wilde. Tot slot acht het hof van belang dat [slachtoffer], nadat zij de relatie had verbroken, nog persoonlijke spullen van de verdachte – waaronder zijn paspoort – onder zich hield, welke de verdachte terug wenste.

Een en ander brengt met zich mee dat belaging niet kan worden bewezen en dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. C.N. Dalebout en mr. T. Blom, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2017.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[..........]